De tweede Sint-Marcellusvloed of Eerste Grote Mandränke (grote verdrinking van mensen) zou plaats hebben gevonden in de nacht van 15 op 16 januari 1362, de dag van de heilige Marcellus.
De overstroming trof naar verluidt alle landen rond de Noordzee.
De Duitse kroniekschrijver Anton Heimreich (1626-1685) meldde drie eeuwen later in zijn Nordfriesische Chronik uit 1666 dat het water (als gevolg van de opstuwing in de Noordzee) in Sleeswijk-Holstein steeg tot ruim 4 ellen (ca. 2,4 meter) boven de dijken en 21 dijkdoorbraken veroorzaakte.
Het havenstadje Rungholt en zeven andere kerspelen verdwenen in het water en ruim 7.600 mensen verdronken.
In Nederland en elders in Noord-Duitsland zouden de gevolgen eveneens desastreus zijn geweest.
Latere auteurs beweren dat langs de gehele kust de dijken doorbraken en dat grote delen van Nederland onder water liepen.
Bewijzen daarvoor ontbreken.
Het precieze aantal slachtoffers is echter onbekend.
Schattingen lopen uiteen van 25.000 tot 40.000.
Er zijn zelfs auteurs die melding maken van 100.000 slachtoffers.
Over de datum van de vloed bestaat vanouds veel verwarring.
Verschillende 16e en 17e-eeuwse kronieken noemen een ander jaar of een andere datum.
Duidelijk is dat zich in 1362 een grote storm heeft voorgedaan, die aan beide zijden van de Noordzee veel schade heeft veroorzaakt.
Kort na de stormvloed werd in Noord-Friesland al een lijst van verdronken dorpen opgemaakt.
De herinnering aan de vloed is echter samengevallen met die aan andere stormrampen.
Bovendien heeft men ook het ontstaan van de Dollard en de Jadeboezem aan de Marcellusvloed willen ophangen.
Kustonderzoeker Elisabeth Gottschalk is uiterst sceptisch over de werkelijke toedracht, omdat haar inziens betrouwbare bronnen ontbreken.
Ook weerhistoricus Jan Buisman stelt: Niet uit te sluiten is, dat er aan de kusten van Noordwest-Duitsland, met name in de streek van de Jadebusen, ongelukken zijn gebeurd, zoals al eeuwenlang wordt beweerd, maar een onweerlegbaar bewijs daarvoor ontbreekt.
Wellicht heeft er aan de benedenloop van de Weser een lokale doorbraak plaats gehad ...
Het is goed mogelijk, dat er verder noordwaarts, op de eilanden of aan de kusten van Noord-Friesland, waar de storm misschien meer uit het westen of noordwesten heeft gewaaid, overstromingen zijn opgetreden.
Maar ook voor dit gebied betreffen komen we zonder nader onderzoek niet verder dan speculaties.
Duitse onderzoekers hebben niettemin aangetoond dat de stormvloed wel degelijk omstreeks deze tijd heeft plaatsgevonden en in Noord-Friesland tot onomkeerbare schade heeft geleid.

Uit archeologisch en bodemkundig onderzoek in Sleeswijk-Holstein valt af te leiden hoe dat landschap er ooit uitzag en levert het harde bewijs voor uit historische bronnen bekende overstromingen.
Op 15 en 16 januari 1362 trof de Sint-Marcellusvloed of Eerste Grote Mandränke (grote verdrinking van mensen) het Nederlandse en Duitse waddengebied.
Volgens overlevering verdronken rond de 40.000 mensen en werden grote delen van het noordelijk kustgebied door de zee verzwolgen.
In het kustgebied van Sleeswijk-Holstein vielen de havenstad Rungholt en zeven parochies ten prooi aan de golven.
Het Waddeneiland Strand dat na de Grote Mandränke ontstond werd 300 jaar later, op 11 en 12 oktober 1634, zwaar getroffen door de Burchardi-vloed of de Tweede Grote Mandränke.
Het eiland werd in stukken uiteengereten en zo'n 6.000 inwoners kwamen om.
Op het wad nabij het eiland Pellworm en de halligen (kweldereilandjes met terpen) Hooge en Südfall zijn sporen van het eens bewoonde land nog steeds zichtbaar.
Overblijfselen van dijken, sloten en waterputten zijn van uit de lucht zichtbaar en met radartechnieken in kaart gebracht.

Zie ook wadweten van 26 november 2015.
Rond de Hallig Südfall zijn vele potscherven en overblijfselen van gebouwen gevonden die dateren uit de tijd van voor de eerste Grote Mandränke.
Gebaseerd op deze gegevens zijn op een aantal plaatsen in het gebied grondboringen uitgevoerd.
De verschillende lagen van de maximaal acht meter lange boorkernen werden vervolgens in het laboratorium geanalyseerd.
Foraminiferen: eukaryote eencelligen met een uitwendig kalkskelet.
Naast het meten van de korrelgrootte van de verschillende lagen sediment analyseerden de onderzoekers ook de samenstelling van sporenelementen.
Daaruit kon men afleiden of het sediment afkomstig was van het land, open zee of uit de kustregio.
Ook de soortensamenstelling van de foraminiferen in de lagen gaf informatie over de omstandigheden in de tijd dat de laag gevormd werd.
Sommige soorten van deze eencellige organismen met een uitwendig kalkskelet komen alleen voor in hoog gelegen onregelmatig overstroomde kwelders, andere soorten hebben een voorkeur voor lagere kwelders en wadplaten.
Ten slotte stelde men met behulp van 14C-technieken de ouderdom vast van het plantaardig materiaal in de verschillende lagen.
Uit de resultaten van al dit onderzoek valt af te leiden dat het middeleeuwse landschap rond het eiland Pellworm voor het optreden van de grote overstromingen bestond uit een brakwatermilieu, afgewisseld met zoetwatervennetjes en gedomineerd door riet.
In de boorkernen was ook een duidelijke laag aanwezig die wees op een gecultiveerd moerasgebied daterend uit de 13e en 14e eeuw.
Uit de samenstelling van de laag hierboven concludeerde men dat deze in korte tijd door een stormvloed moest zijn afgezet.
Ook de restanten van de laatmiddeleeuwse sloten en waterputten waren gevuld met sediment dat rond het jaar 1362 was aangevoerd.
Hard bewijs voor de Grote Mandränke, waarbij de Waddenzee zich 20 kilometer landinwaarts verplaatste.
In de verschillende lagen uit de boorkernen herkenden de onderzoekers ook de effecten van andere historisch beschreven overstromingen.

Geschiedenis tijdlijn
1e generatie Buitjes “Krijn” begint met vissen.
St Maartensvloed
De Sint-Maartensvloed vond plaats van 12 op 13 november 686, vlak na de naamdag van Sint-Maarten.
De stormvloed trof vooral de provincie Groningen.
Deze noordwesterstorm trof ’s nachts Groningen.
Als gevolg hiervan braken de dijken.
Alle dijken langs de Eems en de Dollard werden weggeslagen.
Als gevolg hiervan overstroomde heel Noord-Groningen en Oldambt.
Pieterburen en Uithuizen verdwenen geheel onder water en Groningen lag aan zee.
Door deze stormvloed verdronken 1558 mensen, 1387 paarden en 7861 koeien.
631 huizen werden weggespoeld en 616 huizen raakten beschadigd.
De Mariakerk in Uithuizermeeden raakte, ondanks de ligging op een wierde, zwaar beschadigd.
Kerstvloed
De Kerstvloed was een stormvloed die optrad in de nacht van 24 op 25 december 1717 en grote gevolgen heeft gehad voor de getroffen gebieden aan de oordzeekust.
De Kerstvloed was het gevolg van een oordwesterstorm, die in de kerstnacht het kustgebied van Nederland, Duitsland en Scandinavië trof.
In totaal verdronken ca. 14.000 mensen.
Het was de laatste grote overstroming in Noord-Nederland.
Het water reikte tot de stad Groningen en ook tot onder andere Zwolle, Dokkum, Amsterdam en Haarlem.
Veel dorpen die dicht bij zee lagen, zoals West-Vlieland en dorpen achter de zeedijken in Groningen (zoals Den Andel en Westernieland), werden volledig verwoest.
Volgens schattingen verdronken er in de provincie Groningen ruim 2.276 mensen, 11.666 koeien, 3.200 paarden en 21.214 schapen en werden 1.560 huizen verwoest.
De reddingsoperatie in Groningen stond onder leiding van Thomas van Seeratt.
De lokale gemeenschappen kregen te maken met bevolkingsverlies, economische neergang en armoede.
Geen enkel kustgebied tussen Nederland en Denemarken leef hiervan verschoond.
Overal traden dijkdoorbraken op gevolgd door het onderlopen van grote oppervlakken land.
Tussen Tønder in Sleeswijk en het Oost-Friese Emden verdronken zo’n 9.000 mensen, in Nederland waren 2.500 slachtoffers te betreuren.
De zwaarst getroffen gebieden lagen in het graafschap Oldenburg, rond Jever, Kehdingen en het vorstendom Oost-Friesland.
Op het schiereiland Butjadingen verdronk 30% van de bevolking.
In alle getroffen kustgebieden ging een grote hoeveelheid vee verloren.
Alleen al in ost-Friesland werden 900 huizen compleet weggespoeld.
De schade aan dijken en sluizen (zijlen) was onbeschrijfelijk.
Overlevenden bleven lange tijd ongewis over het lot van vermiste familieleden.
Van de 284 vermiste personen uit Werdum in Oost-Friesland waren bijvoorbeeld op 5 februari 1718 nog maar 32 teruggevonden.
Het effect van deze stormvloed in de koude wintertijd - een paar dagen na deze vloed traden strenge vorst en sneeuwval in - werd nog versterkt toen het grotendeels openliggende land in de nacht van 5 op 26 februari voor een nieuwe stormvloed werd getroffen.
Na de vloed van 1717 werd de verantwoordelijkheid van de kwaliteit van de dijken, die tot op dat moment bij de grondeigenaren lag, overgedragen aan de Nederlandse regering.
Afsluiting Reitdiep bij Zoutkamp, Groningen van zee afgesloten.
Stormramp, twee leden van de familie “Buitjes” komen hierbij ook om het leven.
De vissersramp van Paesens-Moddergat vond plaats in de nacht an 5 op 6 maart 1883.
In die nacht werd de vissersvloot van Paesens-Moddergat, een dubbeldorp aan de Waddenzee, overvallen door een zware voorjaarsstorm.
Tijdens deze storm vergingen 17 blazers en aken en kwamen 83 dorpelingen om in de ijskoude golven van de zee ten noorden van de waddeneilanden.
De ramp is een van de belangrijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van Paesens-Moddergat.
De vissers van Paesens-Moddergat waren niet de enigen, die in die nacht omkwamen.
Ook aan de Groningse en Hollandse kusten vergingen er vissersschepen.
Maar nergens was de klap zó groot.
In die nacht verdronken in totaal 121 Nederlandse vissers, waaronder ook 9 uit Zoutkamp.
Sepia Times//Getty Images

In de eeuwige strijd tegen het water hebben we in Nederland regelmatig stevige nederlagen geleden.
In de nacht van 13 op 14 december 1287 viel een stormvloed samen met hoogtij, wat naar schatting voor 50.000 tot 80.000 inwoners aan de kuststreek een dodelijke combinatie bleek.
Daarnaast verdwenen stukken land voorgoed onder water.
Op deze vijf plekken zijn de gevolgen van de Sint-Luciavloed nog steeds zichtbaar.
- De Waddenzee
- Het waddeneiland Griend
- West-Friesland
- Harlingen
- De Zuiderzee
Voor 1287 konden de Waddeneilanden voor de Friese of Groningse kust te voet worden bereikt.
De Waddenzee was er nog niet en het gebied tussen de eilanden en het vasteland bestond uit kwelders: stukken drooggevallen land met een dichte, zouttolerante vegetatie.
Die liepen alleen onder bij een erg hoge waterstand.
De Sint-Luciavloed sloeg de kwelders weg en creëerde zo de Waddenzee.
Het inmiddels piepkleine eiland Griend was ooit groter dan Texel en kende een welvarend stadje, waar na de Sint-Luciavloed nog minder dan tien huizen overeind stonden.
In de eeuwen erna werd het eiland sporadisch bewoond, tot 1877.
Tijdens de overtocht van Harlingen naar Vlieland of Terschelling kun je het eiland Griend zien liggen.
West-Friesland werd door de Sint-Luciavloed geraakt en werd een breukvlak in de Friese kust.
Harlingen lag langs de Waddenzee en groeide uit tot een belangrijke haven.
In de elfde eeuw lag langs de Middelzee een dijk en werden de kweldergebieden ingepolderd, maar dit systeem werd in 1287 geheel weggeslagen.
In 1311 werd Harlingen genoemd in Engelse havenregisters, en de haven groeide in de zeventiende eeuw uit tot een belangrijke locatie voor de walvisvaart en de handel in zeevis.
De Zuiderzee werd gevormd door een geleidelijke proces van stromen en meren die met de Vlie in verbinding stonden met de Noordzee.
De Allerheiligenvloed van 1170 versnelde dit proces aanzienlijk door de duinenrij ten zuiden van Texel weg te slaan.
Hierdoor ontstond een nieuwe verbinding tussen de Zuiderzee en de Noordzee en kon de binnenzee groeien.
Dit maakte het kustgebied nog kwetsbaarder voor stormvloeden, zoals pijnlijk duidelijk werd in 1287.
De Sint-Luciavloed maakte de Zuiderzee nog een slagje groter.
Deze werd in 1932 door de bouw van de Afsluitdijk omgevormd tot het IJsselmeer.
Meer ontdekken? Krijg onbeperkt toegang tot National Geographic Premium en steun onze missie. Word vandaag nog lid!