Momenteel kampt meer dan de helft van de Vlaamse buxuseigenaars met schade veroorzaakt door de rupsen van de buxusmot. Mits een intensieve opvolging in combinatie met een correct toegepaste beheersing is de buxusmot onder controle te houden. Soms is de schade echter reeds te ver gevorderd en dient de aangetaste struik te worden afgevoerd. Deze buxusresten vormen een belangrijke bron van nieuwe infectie van de buxusmot aangezien de eitjes, rupsen en poppen er nog een tijdje op kunnen overleven en de buxusmot zelf ettelijke kilometers vliegend kan afleggen.
Het is van groot belang dat het buxusafval zo snel mogelijk wordt verwerkt in een professionele composteringsinstallatie. Het is belangrijk dat het buxusmateriaal bij een fractie terecht komt die zeker gecomposteerd wordt, meestal is dit het gemengd groenafval. Snoeihout of boomwortels worden in sommige gevallen verhakseld en als mulchmateriaal gebruikt. Indien u het aangetaste buxusmateriaal zelf afvoert, doe dit dan in gesloten plastic zakken of afgedekt om onderweg verspreiding te vermijden.
Het materiaal moet zo snel mogelijk gecomposteerd worden. BELANGRIJK! Thuiscomposteren van buxusmateriaal is af te raden. Meer info? Daarom is het van groot belang dat het buxusafval zo snel mogelijk wordt verwerkt in een professionele composteringsinstallatie. Buxus is groenafval en kan dus afgevoerd worden naar het recyclagepark. Er zijn echter een aantal aandachtspunten: het buxusmateriaal bij een fractie terechtkomt die zeker gecomposteerd wordt, meestal gemengd groenafval; snoeihout of boomwortels worden verhakseld en soms als mulch gebruikt; risico op verspreiding blijft aanwezig doordat eitjes en rupsen niet direct gedood worden.

Volgens het Uitvoeringsplan huishoudelijk afval en vergelijkbaar bedrijfsafval bedraagt de opslagtermijn op het recyclagepark voor fijn tuinafval maximum 1 week in de periode april-oktober. Ook op de compostering wordt de opslagtermijn best zo kort mogelijk gehouden. Thuiscomposteren van buxusmateriaal is af te raden. Om de situatie anno 2020 te kunnen evalueren, ging men te rade voor advies bij het PCS. Er blijkt een algemene trend naar een lagere populatiedruk van de buxusmot in Vlaanderen, maar in West-Vlaanderen kan de schade nog groot zijn en lokale piekmomenten voorkomen.
De boodschap blijft om alle materiaal van verwijderde buxusplanten te blijven composteren in vergunde composteringen, zodat deze geen nieuwe bron van infectie vormen. Rupsen van de buxusmot brengen grote schade toe aan buxusplanten. De buxusmot is wit met een bruine rand en heeft een spanwijdte van ongeveer 4 centimeter; er bestaat ook een zeldzamere geheel bruine vorm. De jonge rupsen zijn vuilgeel en ongeveer 2 millimeter, later circa 5 millimeter met bruine lengtestrepen.
Verwijder zoveel mogelijk grote rupsen en poppen met de hand. Door tegen de planten te slaan of eraan te schudden valt een deel van de rupsen er vanzelf uit. Zoek verder goed in de plant naar achtergebleven rupsen en knip de spinsels weg. Zorg ervoor dat de rupsen met de bespuiting goed worden geraakt. Informeer bij tuincentra en groenwinkels welk middel geschikt is om de buxusmot te bestrijden.
Begin tijdig met bestrijden en systematische aanpak
Controleer de buxus vanaf het voorjaar op rupsen en begin zonodig direct met bestrijding. Omdat er uit de omgeving weer motten kunnen invliegen en opnieuw eitjes kunnen leggen, moet u de hele zomer om de paar weken blijven controleren en zonodig bestrijden. Als de buxusmot volop aanwezig is in de buurt, dan kost dit veel tijd en aandacht en moet dit ieder jaar weer. Tuincentra en kwekerijen bieden tegenwoordig diverse andere planten aan als alternatief voor de buxus; deze soorten hebben geen last van de buxusmot en de buxusschimmels.
Meer informatie vindt u in de folder Buxusmot, herkennen en bestrijden. De NVWA heeft geen rol bij het bestrijden van de buxusmot. De buxusmot is een invasieve exoot die sinds 2010 in Vlaanderen voorkomt. Buxusmotten kennen twee generaties per jaar; de motten vliegen in mei-juli en opnieuw in augustus-september. Meer dan de helft van de Vlaamse buxuseigenaars heeft al te maken gehad met schade door rupsen. Met intensieve opvolging en correct toegepaste beheersing is de mot onder controle te houden. Meer informatie: www.sosbuxusmot.be.

In het geval van schade kan het aangetaste buxusmateriaal worden afgevoerd naar het recyclagepark. Het is cruciaal dat buxusafval bij een fractie terechtkomt die zeker gecomposteerd wordt (meestal gemengd groenafval). Het snoeihout of boomwortels kunnen verhakseld worden en als mulch gebruikt, maar dit brengt risico op verdere verspreiding met zich mee als er geen doding van eitjes/larven plaatsvindt. Het afvoeren gebeurt bij gesloten zakken of afgedekte materialen om verspreiding te voorkomen. Het afval moet zo snel mogelijk gecomposteerd worden; thuiscomposteren is af te raden.
Op het recyclagepark wordt het groenafval vaak gescheiden ingezameld; het is belangrijk hetzelfde buxusmateriaal bij het groenafval te deponeren zodat het zeker gecomposteerd wordt. Men vraagt aan de parken om duidelijk aanduiding van het buxusafval, bijvoorbeeld met bordjes. Let op dat tijdens vervoer naar het park geen buxus verloren gaat. Er bestaan minicontainers voor particulieren, GFT-emmers en ondergrondse containers, afhankelijk van de ruimte en toegankelijkheid.
Verwerking, opslag en afdoding van afvall materiaal
Een snelle en professionele compostering is cruciaal: op het recyclagepark mag buxusafval niet langer dan 1 week bewaard worden voordat het naar de composteering gaat; sommige lastenboeken geven maximaal 2 weken opslagtermijn aan. Het afdekzeil en de plastic zakken mogen niet bij het groenafval terechtkomen; ze moeten apart worden afgevoerd of bewaard voor hergebruik of verwijdering bij het huishoudelijk afval.
Deponeren bij het groenafval vereist zorgvuldigheid zodat geen verspreiding van rupsen, eitjes en poppen plaatsvindt. Snoeiafval in kleine hoeveelheden kan in de GFT-container; grotere hoeveelheden dienen via Ecopark De Limes of restcontainer afgevoerd te worden, afgesloten zakken aanbevolen. Een snelle afvoer naar de compostering is een sleutelmaatregel tegen herinfectie.
Hoe herken ik de BUXUSMOT? | Tips over Haagplanten
Alternatieven en preventie
Een eenvoudige en effectieve maatregel is het vervangen van buxus door een niet-gevoelige soort zoals liguster. Andere mogelijkheden zijn struikkamperfoelie (Lonicera), Japanse hulst (Ilex crenata), Potentilla fruticosa of Prunus-soorten. Verwijder rupsen en poppen handmatig en gebruik feromoonvallen tegen de buxusmot. Een feromoonval trekt mannelijke motten aan zodat ze in de val blijven en populaties kunnen worden gereduceerd. Plaats een val op hoogte gelijk aan de buxus en zo dicht mogelijk bij de struik, bij winddoorstroom.
Een val werkt meestal gedurende 4-6 weken; bij warm weer kan de werking sneller afnemen. Voor een volledig seizoen worden vaak meerdere capsules gebruikt. Eén val is doorgaans voldoende voor circa 100-200 m² tuinruimte. Vroegtijdige signalering helpt om grote schade te voorkomen, minder bestrijdingsmiddelen te gebruiken en betere bescherming voor andere buxusplanten te bieden.

Woonadviezen en praktijkervaringen tonen aan dat natuurlijke vijanden zoals kauwen, eksters en mezen rupsen ontdekken en bestrijden, waardoor de populatie onder controle kan komen. Biologische middelen kunnen in sommige gevallen moderate effecten hebben; toch moet men vermijden om gif te gebruiken dat ook nuttige insecten schaadt. Het onderhouden van een diverse tuin met insectvriendelijke beplanting kan de natuurlijke bestrijders ondersteunen.
Checklist voor beheersing en verwerking
- Controleer buxus regelmatig vanaf het voorjaar op rupsen en spinsels.
- Verwijder rupsen en poppen systematisch met de hand en schud rupsen uit de struik.
- Bescherm materialen en voer af naar vergunde compostering; thuiscomposteren afgeraden.
- Voer buxusafval snel af en naar een fractie die zeker gecomposteerd wordt.
- Gebruik feromoonvallen als monitoringtool en om vroege signalering te verbeteren.
- Overweeg het vervangen van buxus door minder kwetsbare soorten.
- Respecteer opslagtermijnen bij recyclageparken en op composteringlocaties.