Carterventilatie: eisen, regelgeving en praktische inzichten

Als gevolg van het verbrandingsproces wordt het carterventilatiesysteem continu blootgesteld aan carterdampen met daarin olie, brandstof, chemicaliën en chemische reacties. Problemen aan het PCV-systeem kunnen verschillende oorzaken hebben zoals een gescheurd membraan. Andere veel voorkomende oorzaken voor problemen zijn de rubber slangen. Wij leveren complete reparatiesets inclusief de PCV-klep, olieafscheider en aansluitslangen. De hoge kwaliteit kunststof materialen voldoen aan de strenge eisen die autofabrikanten aan onderdelen stellen. Optimale productieprocessen garanderen een lange levensduur.

Let op: Omdat de PCV-klep op een moeilijk zichtbare en bereikbare plaats gemonteerd is, kun je deze tijdens het diagnose stellen over het hoofd zien. Ons advies is wanneer de turbo vernieuwd wordt ook de motor en carterontluchting een grondige inspectie krijgen en het geheugen. Ventilatie (luchtverversing) is van belang voor de aanvoer van schone lucht en de afvoer van binnenlucht. Er kunnen gezondheidsklachten ontstaan als er onvoldoende ventilatie is. Of als de aan te voeren schone lucht vervuild raakt met rookgassen of andere vuile lucht.

Het Bbl bevat daarom regels over de ventilatievoorziening (voorziening voor luchtverversing). Deze ventilatie-eisen gelden aanvullend op elkaar (artikel 4.122, lid 1 Bbl). Dus bij een ingedeeld verblijfsgebied is alleen voldoen aan de ventilatie-eisen voor de verblijfsruimten in dat gebied niet voldoende. Voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel geldt een minimale ventilatiecapaciteit van 21 dm³/s (artikel 4.122, lid 3 Bbl). Dat is om geur, dampen en waterdamp in korte tijd af te kunnen voeren en verbrandingslucht toe te kunnen voeren. Deze eis geldt naast de hiervoor genoemde eisen van 0,7 dm³/s per m² en 0,9 dm³/s per m² vloeroppervlakte (de zwaarste eis telt).

Niet elke ruimte wordt gelijktijdig gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening moet in ieder geval voldoende zijn voor het verblijfsgebied met de zwaarste ventilatie-eis. Daarnaast geldt dat de totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening minimaal 70% is van de optelsom van de benodigde ventilatiecapaciteiten van alle aangesloten verblijfsgebieden (artikel 4.122, lid 4 Bbl). Bij een andere gebruiksfunctie (dan een woonfunctie) is de benodigde hoeveelheid ventilatie voor een verblijfsruimte en verblijfsgebied afhankelijk van het aantal personen waarvoor de ruimte en gebied is bestemd. Het gaat alleen om de personen die een rol spelen bij het kenmerkende gebruik ervan.

Zo telt bijvoorbeeld het aantal ouders dat hun kinderen wegbrengt niet mee bij het bepalen van de benodigde ventilatiecapaciteit voor een klaslokaal. Of telt het aantal bezoekers niet mee bij het bepalen van de benodigde ventilatiecapaciteit voor een ziekenhuiszaal. Maar voor bijvoorbeeld een winkel telt zowel het winkelend publiek als het personeel mee bij het bepalen ervan. De minimale ventilatiecapaciteit verschilt per gebruiksfunctie en staat in de volgende tabel (artikel 4.122, lid 2 Bbl). Zowel verblijfsgebieden als verblijfsruimten moeten eraan voldoen. Voor een bijeenkomstfunctie voor alcoholgebruik is de minimale ventilatiecapaciteit ook afhankelijk van het vloeroppervlakte (artikel 4.122, lid 6 Bbl). Die minimale ventilatiecapaciteit is 3,8 dm3/s per m2 vloeroppervlakte en geldt dus boven op de regel in de tabel hiervoor (zwaarste eis telt). Bovendien moet de ventilatievoorziening mechanisch zijn. Voor een verblijfsgebied en een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel geldt een minimale ventilatiecapaciteit van 21 dm³/s (artikel 4.122, lid 3 Bbl).

Voor een logiesfunctie (niet in logiesgebouw) geldt een aanvullende regel. Niet elke ruimte wordt gelijktijdig gebruikt. De totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening moet in ieder geval voldoende zijn voor het verblijfsgebied met de zwaarste ventilatie-eis. Daarnaast geldt dat de totale capaciteit van een centrale ventilatievoorziening minimaal 70% is van de optelsom van de benodigde ventilatiecapaciteiten van alle aangesloten verblijfsgebieden (artikel 4.122, lid 4 Bbl). Iedere gebruiksfunctie (behalve een bouwwerk geen gebouw zijnde) moet in een toiletruimte en een badruimte een ventilatievoorziening hebben. De ventilatiecapaciteit moet minimaal 7 dm³/s zijn bij een toiletruimte en 14 dm³/s bij een badruimte (artikel 4.122, lid 5 Bbl).

Is een ruimte zowel een toiletruimte als badruimte? Overige ruimten zijn niet bestemd voor langdurig verblijf van mensen. Gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie (galerij, corridor, trappenhuis, portiek). Een ruimte met een opstelplaats voor een gasmeter. De ventilatievoorziening moet niet-afsluitbaar zijn en een capaciteit hebben van minimaal 1 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte, met een minimum van 2 dm³/s. Een liftschacht van een personenlift. De ventilatievoorziening moet niet-afsluitbaar zijn en een capaciteit hebben van minimaal 3,2 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die liftschacht. Een (vrijwillige) opslagruimte groter dan 1,5 m² voor huishoudelijk afval. De ventilatievoorziening moet niet-afsluitbaar zijn en een capaciteit hebben van minimaal 10 dm³/s per m² vloeroppervlakte van die ruimte. Een stallingsruimte voor motorvoertuigen. Een tunnel of tunnelvormig bouwwerk voor verkeer. Zoals een spoortunnel. De ventilatievoorziening moet een capaciteit hebben die voldoende is (afhankelijk van de bestemming en tunnellengte). Dit staat in artikel 4.125 van het Bbl. De initiatiefnemer heeft de mogelijkheid de zogenaamde krijtstreepmethode toe te passen. Dit is om alleen het gedeelte van de garage dat voor motorvoertuigen is aan te wijzen als stallingsruimte voor motorvoertuigen. Het andere deel van de garage wijst de initiatiefnemer dan bijvoorbeeld aan als bergingsruimte. Past de initiatiefnemer de krijtstreepmethode niet toe? En is de ruimte zowel een stallingsruimte voor motorvoertuigen als een bergingsruimte? Voor een bergingsruimte is er geen ventilatie-eis, maar voor de stallingsruimte voor motorvoertuigen wel (zie hiervoor). De zwaarste ventilatie-eis geldt. Dus voor de ruimte geldt een minimale ventilatiecapaciteit van 3 dm³/s per m² vloeroppervlakte. Zie ook het infoblad Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en woning (pdf, 2.9 MB) (blz. Een gebruiker van een gebouw moet een capaciteit van ventilatievoorzieningen (natuurlijke en mechanische) kunnen regelen. Een voorziening voor natuurlijke aanvoer van schone ventilatielucht (bijvoorbeeld een kiepraampje) moet een laagste stand hebben van maximaal 10% van de minimaal vereiste capaciteit en een hoogste stand van 100% van de minimaal vereiste capaciteit. Daarnaast moet de voorziening met minimaal 2 instelstanden vast te zetten zijn in het bereik van 0% tot 30% van de minimaal vereiste capaciteit. Een voorziening voor mechanische aanvoer van schone ventilatielucht (bijvoorbeeld bij een balansventilatiesysteem) moet een dichtstand hebben. Bijvoorbeeld door de stroomtoevoer of de ventilatiemotor uit te schakelen. Dit staat in artikel 4.124, lid 2 van het Bbl. Een voorziening voor de (natuurlijke of mechanische) aanvoer van schone ventilatielucht hoeft niet altijd regelbaar te zijn door mensen (artikel 4.124, lid 3 Bbl). Dit is bijvoorbeeld het geval bij een zelfregelende aanvoervoorziening. Een zelfregelende aanvoervoorziening is bijvoorbeeld een zelfregelend ventilatierooster. Zo'n rooster beperkt bij een toenemende (wind)druk op de gevel automatisch de infiltratie met een mechanische, zelfregelende klep. Hierdoor is de ventilatieaanvoer constant, onafhankelijk van de winddruk op de gevel. Hitte, rook of schadelijke gassen die bij een calamiteit kunnen vrijkomen, kunnen ook de veiligheid van het binnenmilieu van een gebouw bedreigen. Om die reden moet een mechanische ventilatievoorziening bij een externe calamiteit handmatig uit te schakelen zijn (artikel 4.124, lid 4 Bbl).

Infographic: overzicht van PCV-onderdelen en werking (PCV-klep, olieafscheider, oliestromen)

Afgevoerde binnenlucht mag alleen verdund (met verse lucht) weer het gebouw in. Het Bbl bepaalt dat de verdunningsfactor maximaal 0,01 mag zijn. Dat houdt in dat maximaal 1% van de afgevoerde binnenlucht in de aanvoeropening van schone ventilatielucht mag terechtkomen (artikel 4.126, lid 1 Bbl). Voor het bepalen van de verdunningsfactor geldt de NEN 1087. Uit die NEN volgt ook wat in een specifiek geval de minimale afstand tussen een afvoeropening en aanvoeropening moet zijn om aan die verdunningsfactor te voldoen. De aanvoer- en afvoeropening in de gevel moet minimaal 2 m van de grens van het bouwwerkperceel liggen (artikel 4.126, lid 2 Bbl). Op die manier belemmeren aangrenzende bouwwerken het functioneren van een ventilatievoorziening niet. De regelt geldt voor een ventilatievoorziening waarvoor het Bbl een ventilatiecapaciteit voorschrijft (zie hiervoor op de pagina).

Het meten van deze afstand gebeurt loodrecht op de gevel waarin de ventilatievoorziening zit. Bij een afvoeropening in de achtergevel gaat het om de haaks op die achtergevel gelegen afstand. De afstand van die afvoeropening in de achtergevel ten opzichte van de zijgevel is niet relevant. Voor het naar buiten blazen van binnenlucht van een ventilatievoorziening bij een parkeergarage gelden regels. Het uitblazen van de afgezogen lucht moet verticaal plaatsvinden en op minimaal 5 m hoogte boven het straatniveau. Ligt er binnen 25 meter van de afvoeropening een gebouw met een hoogste daklijn van meer dan 5 meter boven het straatniveau?

De aanvoer van schone ventilatielucht naar een verblijfsgebied moet zodanig zijn dat de aangevoerde lucht daadwerkelijk verse lucht is. Als hoofdregel geldt dat alle schone ventilatielucht voor een verblijfsgebied rechtstreeks van buiten moet komen (deze regel is niet aan orde bij een overige gebruiksfunctie en bouwwerk geen gebouw zijnde). De bedoeling is dat de lucht niet eerst in een andere ruimte verbruikt kan zijn. Voor de woonfunctie en de logiesfunctie geldt een uitzondering als het verblijfsgebied niet-gemeenschappelijk is (zoals een slaapkamer). In zo'n verblijfsgebied mag maximaal 50% van de vereiste capaciteit via een ander verblijfsgebied of andere ruimte komen. Voor een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woonfunctie geldt dat de aanvoer van schone ventilatielucht naar een gemeenschappelijke verkeersruimte altijd rechtstreeks van buiten plaatsvindt.

Voor alle gebruiksfuncties (behalve tunnels of tunnelvormige bouwwerken voor verkeer) geldt het volgende. Bij een liftschacht van een (personen)lift moet de aanvoer van schone ventilatielucht rechtstreeks van buiten komen of via de liftmachineruimte. Als het via de liftmachineruimte plaatsvindt dan moet die ruimte wel in directe verbinding met de buitenlucht staan (met of zonder kanalensysteem). Als de personenlift een brandweerlift is, verkleint deze regel de kans dat de brandweerlift bij brand onbruikbaar is. De aanvoer van schone ventilatielucht van een opslagruimte voor huishoudelijk afval moet rechtstreeks van buiten komen (artikel 4.127, lid 5 Bbl). De aanvoer mag niet via een andere ruimte in het gebouw. In opslagruimten voor afval is de binnenlucht vaak verontreinigd. Bij een wegtunnelbuis met een lengte van meer dan 250 m moet de aanvoer van schone ventilatielucht rechtstreeks van buiten komen (artikel 4.127, lid 6 Bbl).

Diagram: werking PCV-klep en olieafscheider

De ventilatielucht mag dus niet via een andere ruimte naar buiten (laatste bullet kent een uitzondering). Voor een verblijfsruimte met een opstelplaats voor een kooktoestel geldt het volgende. Daar moet minimaal 21 dm³/s van de capaciteit van de afvoer van binnenlucht rechtstreeks naar buiten plaatsvinden (artikel 4.128, lid 5 Bbl). Dit is in het algemeen de hoeveelheid lucht die een afzuigkap afvoert. Het deel van de capaciteit dat meer is dan 21 dm³/s mag de binnenlucht via een andere ruimte afvoeren. Bij tocht (te veel circulatie van koude lucht) hebben mensen de neiging om ventilatieopeningen af te sluiten. Hierdoor kan een nadelige situatie voor de gezondheid ontstaan. Om tochtoverlast bij een ventilatievoorziening te voorkomen geldt een maximale luchtsnelheid bij de aanvoer van schone (koude) ventilatielucht in de leefzone van een verblijfsgebied. Deze luchtsnelheid mag maximaal 0,2 m/s zijn (artikel 4.123 Bbl). In de NPR 1088 staat dat hier bij een woonfunctie is voldaan als de opening zich op meer dan 1,8 m boven de vloer bevindt. Deze eis betekent onder meer, dat een draaikiepraam niet als ventilatievoorziening geldt.

Infographic: minimale ventilatiecapaciteiten per gebruiksfunctie

In een gebouw is het soms wenselijk om warme lucht, vocht of verontreinigde lucht snel af te voeren (doorspuien). Bijvoorbeeld 's ochtends een slaapkamer luchten of een keukenraam openzetten na het koken van een maaltijd. De normale ventilatie is niet afgestemd op deze tijdelijke verhoogde ventilatiebehoefte. Dit staat in artikel 4.131 van het Bbl. minimaal 3 dm³/s per m² vloeroppervlak van de verblijfsruimte. Bovendien moet in iedere verblijfsruimte minimaal één daadwerkelijk te openen raam zijn. De opening van de voorgeschreven spuivoorziening in een dak of gevel van een verblijfsgebied moet minimaal 2 m van de grens van het bouwwerkperceel liggen (artikel 4.132 Bbl). Op die manier belemmeren aangrenzende bouwwerken het functioneren van een spuivoorziening niet. Het meten van deze afstand gebeurt loodrecht op de gevel waarin de spuivoorziening zit.

ALGEMEEN over ERP en EU-regelgeving

ALGEMEENMet de doelstellingen om het elektriciteitsverbruik en meer in het algemeen de impact van energieverbruikende producten op het milieu (ERP: Energy Related Products) te verminderen, heeft het Europees Parlement een kader opgesteld en eisen gesteld aan het ontwerp en de etikettering van deze producten. Verordening Nr. 640/2009 tot en met Verordening Nr. 1254/2014 behandelen ecodesign- en energielabel-eisen voor elektromotoren, ventilatoren en ventilatie-units. Deze regelgeving heeft betrekking op fabrikanten, importeurs of marketeers zoals VIM maar ook op projectmanagers (installatiebureaus) die de omgeving en de voorwaarden kennen om het product met zijn toebehoren in de installatie te integreren. Hieronder vindt u een samenvatting van de belangrijkste punten die ons betreffen, het sluit een volledige lezing van de officiële teksten van uw kant niet uit. Exacte informatie per VIM productassortiment vindt u op de algemene internetpresentatiepagina en op de eerste pagina van de gedrukte of pdf-tekstcatalogus. Wettelijke informatiebladen (FERP) zijn geclassificeerd in de documenten om te downloaden sectie.

VERORDENING Nr. 640/2009 tot en met 30/06/21: MOTORS ELEKTRISCH en IE3/IE4-prestaties. Verplichte deadlines: sinds 16 juni 2011 IE2; sinds 1 januari 2015 IE3 of IE2 met variabele snelheid; vanaf 1 januari 2017 verder aangescherpte normen. VERORDENING Nr. 1781/2019 vanaf 01.07.21: MOTORS ELEKTRISCH met vergelijkbare IE-eisen en ATEX-veiligheid waar relevant. VERORDENING Nr. 327/2011: VENTILATOREN aangedreven door een elektromotor met vermogen tussen 125 W en 500 kW. Verplichte datavereisten voor ErP-verklaringen en de verdeling tussen UVR (residentieel) en UVNR (niet-residentieel). Verplichting tot juiste aandrijving en regelmogelijkheden afhankelijk van type unit. VERORDENING Nr. 1253/2014: VENTILATIE-UNITS en de thermische efficiëntie-eisen van warmtewisselaars. Verordening Nr. 1254/2014: Energie-etikettering van residentiële ventilatie-eenheden. Deze regels gelden voor producten op de Europese markt en hebben invloed op fabrikanten en installateurs.

Kaart: EU-regelgeving omtrent ventilatie-units en motoren

Deze regelgeving heeft betrekking op fabrikanten, importeurs of marketeers zoals VIM maar ook op projectmanagers (installatiebureaus) die de omgeving en de voorwaarden kennen om het product met zijn toebehoren in de installatie te integreren. In onze offertes vermelden we na elk item welk type motor gebruikt wordt en of het nodig is om een toerentalgeregelde aandrijving te voorzien. De regelgeving verplicht ons om u per UVR- en UVNR-categorie 19 gegevens te verstrekken (bijlage IV en V).

Carterventilatie: belangrijkste concepten

Carterventilatie is een systeem dat dampen vanuit het carter worden afgevoerd naar het inlaatspruitstuk van de motor. In de carterpan bevindt zich naast de motorolie ook lucht. Deze lucht is vermengd met oliedampen en een minimale hoeveelheid verbrandingsgassen die langs de zuigerveren in het carter terechtkomen. Dit noemen we de “blow by” gassen. Deze damp mag niet in de buitenlucht terecht komen. Als dat bewust wel zo is gedaan, zoals vroeger bij oude motoren, noemen we dat Negatieve Carter Ventilatie. Dit is echter slecht voor het milieu, de dampen bestaan uit verbrandingsresten, waterdamp en benzinedamp. Tegenwoordig worden de dampen via slangen en buizen naar het inlaattraject van de motor gevoerd (zichtbaar in de afbeelding hiernaast). De carterdampen worden zo door de motor aangezogen en nemen vervolgens mee aan het verbrandingsproces. Nadat ze zijn verbrand, zijn ze niet meer schadelijk.

De volledig gesloten carterventilatie noemen we een “Positieve Carter Ventilatie”, afgekort als PCV. De positieve carterventilatie is voorzien van een zogenaamde PCV-klep, die de druk naar het carter regelt. Carterventilatie en carterontluchting worden vaak door elkaar gehaald. Er is een wezenlijk verschil tussen carterventilatie en carterontluchting: bij carterventilatie wordt de carterdamp afgevoerd en vindt er toevoer van verse lucht plaats; bij carterontluchting worden alleen de carterdampen afgezogen.

PCV-klep:De carterventilatie is een zowel een terugslag- als een drukregelklep, welke de overdruk van de carterventilatie afvoert naar de inlaat van de motor, maar in tegengestelde richting sluit. De carterventilatieklep is in de meeste gevallen uitgevoerd als veerbelaste membraanklep die de onderdruk in het carter op ongeveer 0,02 á 0,03 bar ten opzichte van de buitenluchtdruk houdt. Bij het openen van deze PCV-klep worden de waterdampen en blow-by gassen geabsorbeerd in de inlaatkluch en meeverbrandt in de cilinder.

Blow-by gassen: De gassen die vanuit de verbrandingsruimte in het carter terecht komen, noemen we blow-by gassen. Blow-by gassen kunnen op vele manieren in het carter terecht komen. Factoren als een zuigerspeling, de toestand van de zuigerveren en de ovaliteit en slijtage van de cilinderwand hebben de meeste invloed op de hoeveelheid blow-by gassen die bij een motor ontstaan.

Uitvoeringen van carterventilatie en carterontluchting: Diverse systemen omvatten olieafscheiders om olieresten uit de dampen te verwijderen. Olieafscheiders bestaan in cycloon-, labyrint- en elektrolytische uitvoeringen. Cycloon scheidt olie door werveling; labyrint werkt samen met cycloon; elektrolytische afscheiding verwijdert ook zeer kleine druppels. Olieafscheiders voorkomen vervuiling van luchtmassameter, turbo en andere onderdelen. Een olieafscheider kan een extra rol spelen bij vacuüm- en drukbeheer van het systeem.

Olieafscheiders en verwarming: Elektrische verwarming voor de carterontluchting voorkomt bevriezing van slang bij koude starts en draagt bij aan betrouwbare werking bij lage temperaturen. Veel fabrikanten integreren verwarmingen zodat bevriezing van de slang geen belemmering vormt voor het carterventilatiesysteem. Verkeerde werking kan leiden tot olielekkages of verhoogde carterdruk en vervuiling van het inlaattraject.

Foto: voorbeeld van PCV-klep in motorruimte

Veelvoorkomende problemen met carterventilatie: verstopte carterventilatie door sludge, gescheurde slangen die olieresten in het inlaatsysteem kunnen brengen, en verhoogde carterdruk die compressie-veren kan beïnvloeden. Verbranding en blow-by kunnen sneller leiden tot achteruitgang van olie en mechanische slijtage. Een grondige inspectie van de PCV-klep, slang en olieafscheider is daarom essentieel bij onderhoud en turbovervanging.

PCV VALVE OPERATION

Wij leveren complete reparatiesets inclusief de PCV-klep, olieafscheider en aansluitslangen, met materialen die voldoen aan de strenge autofabrikanteneisen. Optimale productieprocessen garanderen een lange levensduur en betrouwbaarheid van het systeem. Let op dat diagnose en inspectie van de PCV-klep cruciaal zijn vanwege de verborgen positie in het motorblok.

Overzichtsafbeeldingen en tabellen

  • Overzicht van PCV-componenten: PCV-klep, olieafscheider, aansluitslangen, slangen
  • Verschillende olieafscheiders: cycloon, labyrint, elektrolytisch
  • Vergelijking van ventilatiesystemen: passieve vs. actieve ventiliatie
Onderdeel Functie Veelvoorkomende problemen
PCV-klep Regelt carterdruk en voert dampen naar inlaat Verstopting, defecte veer
Olieafscheider Scheidt olie van dampen Slagroom van olie, verstopping
Aansluitslangen Verbinding tussen motor en PCV-systeem Scheuren, slijtage

tags: #carterdamp #afvoer #verplicht