Dakloosheid in Nederland: oorzaken, hindernissen en vernieuwende benaderingen zoals Housing First

Iemand die dakloos is heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en ook geen adres om te wonen of te logeren. Diegene staat dan ook niet met een adres ingeschreven in de BRP (Basisregistratie Personen). Iemand die thuisloos is wisselt steeds van onderdak of woonplaats. Sinds 2009 is er specifieke aandacht voor dak- en thuisloze jongeren, soms ook 'zwerfjongeren' genoemd. Volgens de officiële definitie gaat het dan om 'feitelijk of residentieel daklozen onder de 23 jaar met meervoudige problemen'. Toch is tussen 2009 en 2019 het aantal dakloze jongeren tussen de 18 en 30 jaar verdrievoudigd. Factoren die hierbij een rol spelen zijn problemen thuis of in een relatie, problemen met werk, inkomen en vinden van geschikte woonruimte, verslaving, schulden en psychische problemen en lange wachtlijsten of financiële tekorten in de jeugdzorg. Ook de overgang van jeugdzorg naar een andere vorm van zorg op de leeftijd van 18 jaar is hierbij een complicerende factor. De complexiteit van de problematiek van deze doelgroep is gebaat bij een ketenaanpak met voorzieningen nodig op het terrein van preventie, signalering, opvang, begeleiding en nazorg. De veelheid aan betrokken partijen, de financieringsstromen en de verdeelde verantwoordelijkheden maken beleidsregie onontbeerlijk. Werkzame elementen zijn tijdig, integraal en duurzaam hulp verlenen waarbij de basis (wonen, financiën, opleiding of werk) op orde komt. Uit een onderzoek van het Trimbos Instituut blijkt dat bijna de helft van de dakloze mensen wordt weggestuurd indien zij niet kunnen aantonen dat zij ingeschreven hebben gestaan bij de gemeente. Zij krijgen geen opvang, geen inschrijving in de Basisregistratie en blijven daardoor verstoken van hulp. De Federatie Opvang maakt zich grote zorgen over de hindernissen die dakloze mensen tegenkomen als zij hun situatie willen verbeteren. Redenen om hulp te weigeren zijn niet alleen gebrek aan binding met de regio of dat de opvang vol is. Ook het ontbreken van een psychische ziekte of een verstandelijke beperking kan leiden tot de situatie dat een burger geen opvang en hulp krijgt. De Amsterdamse Rekenkamer concludeerde een week geleden dat de toegang tot maatschappelijke opvang onvoldoende adequaat geregeld is. Het aanvraagproces is voor degenen die zich aanmelden complex. Het proces bestaat uit vele stappen waarin veel verschillende functionarissen een rol spelen en de aanvrager weinig informatie ontvangt. Staatssecretaris Blokhuis schrijft in een brief aan de Tweede Kamer dat gemeenten hun wettelijke plicht om maatschappelijke opvang te bieden beter moeten invullen. De toegang tot ondersteuning moet beter. Verder is preventie van dakloosheid (bijvoorbeeld omdat mensen de ggz kliniek, gesloten jeugdzorg of de gevangenis verlaten) een prioriteit. “Iedereen die een instituut verlaat zonder dat huisvesting geregeld is, loopt een groot risico om op straat terecht te komen. Gemeenten kunnen dit eenvoudig voorkomen door altijd inschrijving en eerste opvang te bieden. Afspraken met woningcorporaties over huisvesting en met gemeenten over begeleiding aan huis kunnen voor deze mensen perspectief bieden op een nieuwe start in de samenleving. In dit artikel lees je hoe het komt dat er zoveel daklozen zijn in Nederland. Zo krijgen ze hulp bij hun financiën zodat hun inkomen stabiel wordt, en ze huur kunnen betalen. Bijvoorbeeld door een opleiding, werkervaringsplek of baan te vinden. Deze mensen komen in aanmerking voor Housing FirstVia het Leger des Heils kregen inmiddels ruim vijfhonderd mensen een woning volgens de Housing First-methode. Het gaat om dakloze mensen met meerdere en ernstige problemen tegelijkertijd die jarenlang in de opvang en op straat leven. Deze mensen vinden normaal gesproken nooit een huis. Wat is het positieve effect van housing first?Daar weet Patricia Platell van het Leger des Heils alles van. Ze is als teammanager medeverantwoordelijk voor Housing First in Rotterdam. Ze ziet dat Housing First voor de man die altijd in een tentje leefde en de andere deelnemers, hét verschil maakt. Het krijgen van een woning biedt mensen eigenwaarde, rust, en overzicht. Haar ervaringen in de praktijk sluiten aan op het onderzoek dat Platell deed naar hoe Housing First binnen het Leger des Heils wordt vormgegeven. Normaal gesproken krijgen dak- en thuisloze mensen niet zomaar een woning. Ze moeten meestal een (woon)route doorlopen en bewijzen dat ze zelfstandig wonen aankunnen. De Housing First-methode waaide vijftien jaar geleden vanuit Amerika over naar Nederland en krijgt steeds meer voet aan de grond. Internationaal onderzoek toont veelbelovende resultaten, maar in Nederland is Housing First nog niet uitgebreid onderzocht. Het Trimbos-instituut is hier in samenwerking met andere partijen dit voorjaar mee begonnen. Mensen op innovatieve en creatieve manieren huisvesten. Zo opende het Leger des Heils afgelopen voorjaar in samenwerking met woningcorporatie GroenWest een nieuw wooncomplex.

Infografiek: Housing First en maatschappelijke opvang

Zelf woningen bouwen. Hiervoor heeft het Leger des Heils de Stichting WoonVermogen opgericht. Het woninggebrek, de wet- en regelgeving en al die andere oorzaken: ze vormen een groot probleem voor dak- en thuislozen. Als je in een opvang verblijft en geen perspectief hebt op een eigen woonplek, worden je problemen vaak groter. Als je een huis en een adres hebt, ben je iemand. Jouw naambordje staat op de deur. Een huis is een erkenning voor je bestaan. Mensen voelen zich weer mens. Dakloze mensen hebben vaak te maken met meerdere problemen (psychische problemen, verslaving, schulden). In de (laagdrempelige) maatschappelijke opvang wordt gesignaleerd dat het aantal dakloze mensen met psychische stoornissen toeneemt. Nieuwe groepen dienen zich aan binnen de maatschappelijke opvang. Hoewel precieze cijfers ontbreken, zijn er signalen dat steeds meer mensen dakloos worden zonder dat er sprake is van verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problemen.

Zorg ervoor dat de inhoud relevant, begrijpelijk en vertrouwenwekkend is. Gebruikers kunnen zich gedwongen voelen om informatie te verstrekken, omdat ze anders niet de dienst krijgen die ze nodig hebben. Bij ontwerpen voor inclusie betrek je vertegenwoordigers van de doelgroep, samen met andere stakeholders. Zowel bij het ontwerpen als bij het (tussentijds) evalueren. De omgang met deelnemers is daarbij van groot belang. Zorg voor een open en uitnodigende sfeer, waarbij deelnemers zich op hun gemak voelen. Plan tijd in voor een korte kennismaking. Denk indien van toepassing na over de opstelling. Houd bijvoorbeeld bij een interview een 90-graden-opstelling aan ten opzichte van de deelnemer. Maak duidelijk wat de rol van de aanwezige onderzoekers is. Benoem of de onderzoeker actief is (bijvoorbeeld als interviewer of facilitator), of passief deelneemt (bijvoorbeeld als observator of notulist). Informeer deelnemers over hoe de resultaten worden vastgelegd (notities, beeld- en geluidsopnamen). Houd er rekening mee dat deelnemers bezorgd kunnen zijn over de verspreiding van resultaten. Zet duidelijke doelen. Let op je spraak (volume, tempo, ritme, articulatie, toon), je houding, gebaren en kijkrichting, en je taalgebruik. Wijs de deelnemers erop om elkaars bijdragen (ervaringen, meningen en ideeën) te respecteren. Wijs de deelnemers erop om elkaar niet te onderbreken. Het is niet erg om stiltes te laten vallen. Stel korte en duidelijke vragen. Kies bewust voor het stellen van open of gesloten vragen. Bij gesloten vragen zijn de antwoordmogelijkheden vooraf gegeven, vooral bij ja/nee-vragen of multiple choice-vragen. Bij open vragen zijn alle antwoorden mogelijk. Bij gesloten vragen kun je sneller antwoord krijgen. Ook geven ze de deelnemers houvast, maar ze bieden weinig ruimte voor eigen inbreng. Open vragen kunnen veel tijd vergen. Vermijd vragen die meer betekenissen kunnen hebben. Vermijd het stellen van suggestieve vragen, of het maken van suggestieve opmerkingen die deelnemers in een bepaalde richting duwen. Herhaal de vraag, of stel de vraag nogmaals op een andere manier. Notities zijn vaak een aanvulling op andere vormen van vastleggen van informatie. Bedenk vooraf wat je wilt vastleggen. En hoe. Bedenk of je een notitiestructuur wilt hanteren of dat je dit open wilt laten. Realiseer je dat notities subjectief zijn. Het is belangrijk om deelnemers de mogelijkheid te geven hun ervaringen over deelname te delen. Dit geeft inzicht in wat goed ging en als prettig werd ervaren. Of wat de volgende keer anders of beter zou kunnen. Sta stil bij positieve en negatieve ervaringen met het toepassen van de methode en het werken met de doelgroep. Was de methode geschikt voor het doel dat je wilde bereiken? Heeft het onderzoek de verwachte resultaten opgeleverd? Was de methode geschikt voor de doelgroep? Was het duidelijk voor de doelgroep wat er van hen werd verwacht? Was de duur van het onderzoek acceptabel voor de doelgroep? Sloot de gevraagde mentale en/of fysieke inspanning aan bij de doelgroep? Sprak de vorm van het onderzoek de doelgroep aan? Was de setting (bij mensen thuis, via internet, op locatie etc.) waarin het onderzoek plaatsvond geschikt voor de doelgroep? Was de methode geschikt voor de fase van je project? Verliep het uitvoeren van de methode procesmatig goed? Waren er activiteiten die onverwachts meer of minder tijd kostten dan verwacht? Stond de inspanning voor het uitvoeren in verhouding tot de verkregen resultaten?

  1. Gemeenten en opvanginstellingen signaleren een toename van zogenoemde ‘nieuwe daklozen’ als gevolg van de crisis. Wie zijn het, welke ondersteuning krijgen ze, en hoe kunnen ze beter ondersteund worden?
  2. De laatste jaren zijn er signalen dat steeds meer mensen dakloos worden als gevolg van (een combinatie van) schulden, werkloosheid en/of hypotheeklast. Bij deze groep is geen sprake van ernstige psychiatrische problematiek of verslaving.
  3. FactsheetOp verzoek van het ministerie van VWS bracht het Trimbos-instituut een factsheet (PDF) uit over de doelgroep, hun hulpbehoefte en de geboden ondersteuning. Voor deze doelgroep is ondersteuning en zorg nog relatief eenvoudig en goedkoop te realiseren.
  4. AanpakbeschrijvingenEen aantal gemeenten en partners ontwikkelde aanpakken om de knelpunten in de ondersteuning voor ‘nieuwe daklozen’ op te lossen en hen integraal te ondersteunen. Vier daarvan zijn gebundeld in praktische aanpakbeschrijvingen (PDF) en worden aangeboden op www.zorgwijzer.nl.
  5. Het bieden van maatschappelijke opvang èn beschermd wonen is de verantwoordelijkheid van alle gemeenten. Zij werken samen met zorgaanbieders om het hulpaanbod zo goed mogelijk te laten aansluiten op de hulpvraag van kwetsbare mensen die het op eigen kracht niet (dreigen te) redden.
  6. In de afgelopen twee jaren is de term ‘verwarde personen’ een begrip geworden in politiek, media en beleid. Vaak wordt een verband gesuggereerd met de afbouw van de intramurale GGz en de beperking van de toegang tot de Wet Langdurig zorg.
  7. In de (laagdrempelige) maatschappelijke opvang wordt gesignaleerd dat het aantal dakloze mensen met psychische stoornissen toeneemt. Nieuwe groepen dienen zich aan binnen de maatschappelijke opvang. Hoewel precieze cijfers ontbreken, zijn er signalen dat steeds meer mensen dakloos worden zonder dat er sprake is van verslavingsproblematiek en/of psychiatrische problemen.
  8. Dakloze personen zijn beter af wanneer gemeenten en opvang goed samenwerken ondanks regels die elkaar soms tegenwerken. Ook een goede inventarisatie van de problemen is belangrijk.
  9. Het Trimbos-instituut onderzoek deed onderzoek naar het opvang en ondersteuningsaanbod voor dakloze gezinnen. Er was behoefte aan meer zicht op het ondersteuningsaanbod dat centrumgemeenten bieden aan gezinnen. Daartoe is een inventarisatie uitgevoerd gedaan onder alle 43 centrumgemeenten.
  10. Het beleid van gemeenten is er op gericht om gezinnen met kinderen ten allen tijden op te vangen en te ondersteunen: geen gezin op straat.

Wat kunnen wij bij het Trimbos-instituut betekenen voor gemeenten en opvanginstellingen? Wij doen beleidsevaluaties en adviseren bij het uitzetten van toekomstscenario’s. We brengen de toegankelijkheid van de maatschappelijke opvang in beeld en zijn ervaren in het doen van onderzoek met en door cliënten. Wij kunnen vragen voor u beantwoorden: wat is de invloed van de ambulantisering op de maatschappelijke zorg?

Het is onbekend hoeveel mensen in Nederland werkelijk dakloos zijn, omdat complete en betrouwbare cijfers ontbreken. Het CBS publiceert annually een schatting van de omvang van de populatie feitelijk daklozen in Nederland. Volgens het CBS steeg het geschatte aantal dakloze mensen van 24.800 in 2013 naar 39.000 in 2018. In 2022 ziet het Leger des Heils, op basis van eigen onderzoek, dat het aantal dakloze mensen met bijna 25% is gestegen ten opzichte van 2021. De Monitor Dak- en Thuisloosheid van KPMG telt alle dak-, en thuisloze personen (van 18 jaar en ouder) voor wie het streven is om wonen met of zonder begeleiding aan te bieden. De cijfers van het CBS zijn vermoedelijk een onderschatting van het totaal aantal dak- en thuislozen. De beschikbare cijfers hebben alleen betrekking op mensen tussen de 18 en 65 jaar die bekend zijn bij de opvang. Onduidelijk is bijvoorbeeld hoeveel thuisloze mensen er zijn; er wordt niet bijgehouden hoeveel personen bankslapers zijn. Ook ontbreken gegevens over dakloze mensen die illegaal in Nederland verblijven. Mensen die zich melden bij een daklozenopvang, worden nog regelmatig geweigerd. Er zijn verschillende redenen waarom iemand geen slaapplek krijgt. Zo komt het nog vaak voor dat iemand wordt geweigerd omdat hij of zij uit een andere regio komt. Voor kennis over dak- en thuisloze mensen, beleidsevaluatie en adviezen bent u bij het Trimbos-instituut aan het juiste adres.

Onder daklozen is het werkloosheidscijfer meer dan 80%. De prevalentie van psychische problemen onder daklozen is hoog. In deze Canadese kwalitatieve studie (n=27) onder personen met een psychische stoornis die dakloos zijn (geweest) werd onderzocht welke barrières zijzelf ervaren ten opzichte van het vinden van regulier betaald werk tijdens de periode(s) van dakloosheid. De deelnemers zaten tijdens het semigestructureerde interview in een IPS-traject. Van de geïnterviewden hadden er 17 een depressieve en 7 een psychotische stoornis. De meest genoemde obstakels om regulier betaald werk te vinden waren in volgorde van frequentie en intensiteit: 1. Middelenmisbruik; 2. Het hebben van een strafblad; 3. De regels van de daklozenopvang; 4. De problemen om aan adequate psychiatrische zorg te komen. Door middelengebruik mogen ze (vaak) niet in de opvang waardoor ze op straat moeten blijven, wat zeer vermoeiend is. Vooral de depressieve geïnterviewden met een strafblad (vaak als gevolg van lichte vergrijpen) durfden niet eens te solliciteren. Om deze doelgroep aan het werk te krijgen moet er eerst aandacht zijn voor zelfstigma, de zorgen die men maakt over een strafblad en het gebruik van drugs en/of alcohol.

Poremski D, Whitley R & Latimer E (2014). Barriers to obtaining employment for people with severe mental illness experiencing homelessness.

tags: #dak #en #probleemloos #trimbos