Een dak van gebakken klei trotseert eeuwen. Desondanks worden traditionele, handgevormde, maar ook de in de 19de eeuw ontwikkelde stempelperspannen regelmatig vervangen door modernere pannen. Deze ingrepen doen afbreuk aan de waarde van het historische pannendak.
De meeste Hollandse pannen zijn met de hand gevormd en daardoor niet regelmatig van vorm. Om bij een onbeschoten kap toch een waterdicht dak te krijgen zette men de openingen tussen de pannen dicht met strodokken, zoals bij Havezathe De Pol in Aalten. Doordat de holle (Hollandse) pan geen zijsluiting heeft, kan hij door wat schuiven gemakkelijk de kromming in deze topgevel opnemen. Tussen de gevel en de pannen bevindt zich een verholen goot voor de waterafvoer. De Hollandse pan bevat geen echte zijsluiting. Om inwatering te voorkomen werden pannen vanaf de binnenzijde dichtgestreken met specie, zoals hier in Zoutkamp.
Twee klok- of lichtpannen op de Mallumse molen in Eibergen. Het kenmerkende vlakke uiterlijk van de Lucas IJsbrandpan bij de pastorie van de hervormde kerk in Driesum, Friesland. Woning gedekt met Tuile-du-Nord pannen in Middelharnis. De inmiddels zeldzame Hamerpan met ronde wel op woning Rams Woerthe Steenwijk. De pan lijkt op een Tuile-du-Nord pan maar heeft een extra wel. Bijzondere rood- en groengekleurde Kruis- of Bouletpan op het Gabbema Gasthuis in Leeuwarden. Dak waarbij de pannen tegen afwaaien zijn beschermd middels een houten stormrooster. Voor het dekken van deze dakruiter zijn zelfs de kleine Tuiles-du-Nord van het onderliggende dak niet geschikt. Bij het onderhoud van de Hervormde kerk van Herwijnen zijn de pannen gesorteerd.
Nog te vaak worden historische dakpannen als puin afgevoerd. Karakteristiek dakenlandschap in Elburg. Nog iets te vaak verdwijnen dakpannen in de afvalcontainer, historische pannen van uiteenlopende vormen en kleuren. In Nederland zijn daardoor middeleeuwse dakbedekkingsmaterialen, zoals onder- en bovenpannen, uiterst zeldzaam geworden. Maar ook het pannendak met oude holle pannen en stempelperspannen uit de late 19de eeuw en de eerste helft van 20ste eeuw wordt bedreigd. Het monumentale dak wordt ‘belaagd’ door het gebruik van nya vormen. Ook bitumineuze dakbedekkingsmaterialen rukken op. Niet alleen het vervangen van dakpannen vormt een bedreiging voor het historische pannendak, maar ook loodconstructies, dakramen, dakkapellen, daktuinen, dakterrassen en allerlei doorvoeren, en niet te vergeten het plaatsen van zonnepanelen.

Het historische pannendak vormt een wezenlijk onderdeel van het monument. Bovendien maken pannen, zeker in de 19de en 20ste eeuw, deel uit van de architectuur doordat men bewust heeft gekozen voor een vorm of kleur. Hiermee dient men met grote zorgvuldigheid om te gaan. Jammer genoeg gebeurt dat niet altijd. Zo is de tendens om holle pannen tijdens restauratie te vervangen door opnieuw verbeterde Hollandse pannen of door nieuwe ‘oude’ pannen een ongelukkige ontwikkeling. Het eenvormige, strakke uiterlijk van die pannen is wezens vreemd aan het historische dak. Door het verloren gaan van authentiek, waardevol materiaal loopt het van oudsher fascinerende beeld van het historische dakenlandschap ernstig gevaar.
De vroegste dakbedekking voor het eenvoudige woonhuis in ons land bestond uit organische materialen, zoals stro, gras en riet. Al dan niet met leem bestreken vormde dit ‘weke dak’ tot in de 14de eeuw de goedkoopste, dus meest toegepaste bedekking. Hevige stadsbranden noodzaakten de verschillende stadsbesturen vanaf het midden van de 14de eeuw voorschriften, zogenoemde keuren, uit te vaardigen die het gebruik van organische materialen verboden en soms met subsidies het overschakelen op harde dakbedekking stimuleerden. Ook de rookafvoeren moesten voortaan in steen worden uitgevoerd. Voor de wat meer vermogende eigenaren, zoals van kerken en kastelen, bestond de dakbedekking vaak uit leien of dakpannen. De vroegste dakpannen zijn de onder- en bovenpannen, ook wel respectievelijk ‘nonnen’ en ‘monniken’ genoemd. Dit zijn halve, holle, kegelvormige pannen die om en om, dus met de bolle zijde half over de holle zijde werden gelegd. Alleen in Friesland en Groningen komen nog enkele van deze daken op kerken voor. Een andere traditie is het dekken met leipannen in het westen van Nederland. Rechthoekige platte tegels, die op de wijze van natuurstenen leien werden gedekt. De introductie in 1466 van een gecombineerde onder- en bovenpan, de Zwolse quackpan, betekende een revolutionaire vernieuwing. Uit deze pan ontwikkelde zich omstreeks 1500 de gegolfde holle pan, ook wel Hollandse pan genoemd. De pan vond ook buiten de Nederlanden een grote verspreiding. Tot in de 18de eeuw lagen holle pannen op kappen zonder dakbeschot, de onbeschoten kap. Ze hingen met hun nok aan horizontale panlatten, die op de sporen waren gespijkerd. Al naar gelang de heersende windrichting gebruikte men links- of rechtsdekkende pannen. Om inregenen en insneeuwen te voorkomen, werd de verbindingsnaad tussen de pannen oorspronkelijk ‘gedokt’. De zijvoegen werden daarbij gedicht met bosjes roggestro, zogenoemde strodokken. Een andere methode was het dichtzetten van de voegen aan de binnenzijde met kalkmortel, gemengd met varkenshaar. Dit vormde tevens een meer brandveilige methode. Het aanbrengen van dakbeschot vond in de 18de eeuw steeds meer ingang.
Wat type betreft is de holle dakpan ogenschijnlijk uniform: een flauw gebogen bovenzijde met een ‘wel’, een aangebakken neus aan de achterzijde. De kenmerkende rode kleur is te danken aan de aanwezigheid van ijzeroxide in de klei. Toch zijn de pannen wat vorm en kleur betreft niet identiek. De wijze van vervaardigen leidde tot kleine verschillen in vorm, holler of vlakker. Ook de lengte kon aanzienlijk verschillen. Naast de bekende rode pannen komen verglaasde pannen voor en later ook gesmoorde pannen. De gesmoorde pan krijgt zijn blauwzwarte of grijsblauwe kleur doordat in de slotfase van het bakproces de luchttoevoer vrijwel wordt afgesloten en er stikstof wordt toegevoegd, waardoor het ijzeroxide verkleurt. Bij een verglaasde pan wordt een glazuur op de in het zicht blijvende vlakken van de ongebakken pan gestreken. Tijdens het bakproces smelt dit tot een matte of glanzende, glasachtige deklaag, die vastbakt op de keramische ondergrond.
Het gesloten karakter van de kap is een belangrijk kenmerk van het historische dak. De functie van berg- en bewaarruimte maakte grote lichtopeningen onnodig. Een gaatpan, ook wel ‘gehakte’ pan of ‘lichtpan’ genoemd, is in het midden voorzien van een opening met sponning, waarin een ruitje werd bevestigd. Klokpannen bezitten boven de opening een gebogen kapje. In klokpannen kan ook een glasruitje geplaatst worden. Zonder glasruitje fungeerde de pan als ventilatiepan of, bij een grotere opening, als uilenpan. De lichtpannen raakten omstreeks 1850 in onbruik, omdat kappen op woonhuizen voorzien werden van dakbeschot. Bij schuren tref je ze nog wel aan.
Tot ver in de 18e eeuw gebruikte men kalkspecie om de aansluiting met opgaand metselwerk waterdicht af te werken. Ook de weinige dakkapellen werden keurig in de janmaat met een speciezoom ingewerkt. Nokken en hoekkepers werden afgedekt met vorstpannen die over elkaar lagen, vastgelegd met kalkspecie, verschraald met puindeeltjes van oude of gebroken pannen. In de 18de eeuw deed bladlood zijn intrede voor het afdekken van nokken en vorsten. Het werd in overlappende stroken van een meter lengte aangebracht. Het lood werd op de ruiter van de nok en hoekkeper gespijkerd en vervolgens over de pannen gedreven. Ook de beëindiging van het dakvlak tegen de gevel en schoorstenen dekte men steeds vaker met lood af.

Belangrijk is ook oog te hebben voor regionale tradities. In de tweede helft van de 19de eeuw veranderde het dakenlandschap in toenemende mate. De mechanische stempelpersen deden hun intrede. De hiermee industrieel vervaardigde pannen bezaten een gelijkmatig en strak uiterlijk. Door het persen van kop- en zijsluitingen sloten deze dakpannen veel beter op elkaar aan dan hun ambachtelijk gefabriceerde voorgangers. Het industriële fabricageproces maakte ook een grote typologische verscheidenheid mogelijk. Een enorme productie van dakpannen in uiteenlopende vormen, kleuren en opvallende versieringen kwam op gang. Zo werden verglaasde gele, blauwe, groene, rode, violette, bruine en zwarte pannen geproduceerd. De verschillende kleuren voor het glazuur werden verkregen door toevoeging van metaaloxiden. De mechanisatie leidde tot de oprichting van verschillende pannenfabrieken die ieder hun eigen panvorm produceerden en exporteerden. Zo startte A.D. Angremont in zijn fabriek langs de Oude Rijn in Oegstgeest met de productie van de Oegstgeester pan, de hartvormige pan die omstreeks 1840 als eerste in Engeland werd vervaardigd.

Ook in Friesland ontwikkelde zich aan het einde van de 19de eeuw een belangrijke dakpanindustrie. Typen zoals de Lucas IJsbrandpan, de Helderpan en de platte en de gegolfde Friese pan werden er vervaardigd. Naast deze wat minder of slechts lokaal gebruikte pannen waren er ook de veel toegepaste Tuile-du-Nord, de Boulet- of kruispan en de Muldenpan. Vlak voor de Tweede Wereldoorlog werden Verbeterde Hollepannen (VH-pannen), Opnieuw Verbeterde Hollepannen (OVH) en Romaanse pannen ontwikkeld en toegepast. Na de Tweede Wereldoorlog namen de standaardisatie en perfectionering van de dakpan toe. Voorbewerkt, geperst en gebakken in computergestuurde liftovens werden optimaal sluitende pannen vervaardigd. Veel nieuwbouw uit de jaren 30 van de 20ste eeuw en uit de periode van de Wederopbouw (1940-1965) zijn hiermee gedekt. Ook deze dakpannen worden beschouwd als historische pannen.
De beeldwaarde van een historisch pannendak ligt in de geslotenheid van de kap en het type afdekking. Er zijn in de loop der tijd diverse pannen in vorm- en kleurnuances ontstaan die typerend zijn voor de bouwtijd en de latere ontwikkeling. Aan het type dakpan zelf is de tijd af te lezen. Het weerspiegelt de bouwtijd en de toen beschikbare grondstoffen, de vindplaats van de klei, en de bakmethodes. Bij een restauratie is het de moeite waard om deze tijds- en plaatsduiding zichtbaar te houden, ondanks alle hedendaagse mogelijkheden en goedkopere alternatieven. Het in de loop der tijd inboeten van pannen met net een andere kleur of vorm draagt bij aan het levendige of doorleefde karakter van het historische dak. Het vertelt hoe duur de materialen waren en hoe zuinig men hiermee om ging. Ook het verlatten van daken om de 60 à 80 jaar vanwege de verroeste vernageling van de panlatten is een mooi voorbeeld van duurzaamheid.

Door diverse technische ontwikkelingen en het toenemende intensieve gebruik van zolderverdiepingen wijzigt het dakenlandschap met de gesloten dakvlakken steeds sneller. Over het algemeen blijft de opgave niet meer beperkt tot het vervangen van één pan of het bekleden van een nog onbeschoten kap. Het gaat vaak om het aanbrengen van flinke pakketten isolatie en grote technische installaties. Dit heeft tot gevolg dat er een enorme keuze is aan grote dakkapellen en al dan niet uitklapbare dakramen, dakterrassen, loggia’s, daktuinen en diverse afvoerkanalen. Een andere ontwikkeling is de opgave van de energietransitie. Daken worden geïsoleerd en de dakvlakken worden gebruikt voor het plaatsen van zonnepanelen, al dan niet in combinatie met elektrische installaties om de opgewekte energie af te kunnen voeren. Dit brengt ook steeds meer brandveiligheidsrisico’s met zich mee. Deze ontwikkelingen zijn niet tegen te houden en vereisen bij monumenten een zorgvuldige planvorming, zowel op installatietechnisch vlak als op de ontwerpopgave. Daarbij is het behoud van de cultuurhistorische waarde zeer belangrijk.

Een jaarlijkse controle, bijvoorbeeld na een hevige storm, maakt het mogelijk om pannen recht te leggen, weggevallen pannen terug te leggen of gescheurde pannen te vervangen. Dakpannen behoren tot de bouwmaterialen die het bij een storm nogal eens moeten ontgelden. Hoewel een deel van de historische modellen dakpannen nieuw te krijgen is, passen deze toch niet altijd op het dak. Het verdient daarom aanbeveling via handelaren in tweedehands bouwmaterialen een kleine voorraad van de juiste maat en vorm pannen aan te leggen. Neem bij stempelperspannen altijd een dakpan mee van het model dat op het dak ligt, omdat kop- en zijsluitingen kunnen variëren. Hulpstukken zoals nok- en kepervorsten zijn tweedehands moeilijk te krijgen. Op daken die niet eerder zijn gerestaureerd of een grote onderhoudsbeurt hebben gehad, zijn de pannen niet verankerd. Bij een hevige storm waaien dakpannen er gemakkelijk af. Controleer of pannen goed op elkaar aansluiten. Bij steile dakvlakken: breng pannen- of stormroosters aan. Op elke rij of tweede rij dakpannen wordt een houten regel gelegd, om de 70 à 80 cm gekoppeld door verticale latten tot een rooster. Op een pannendak van monumenten tot circa 1850 behoort een met de hand vervaardigde, holle pan te liggen. Verbeterde, opnieuw verbeterde Hollandse en door een strengpers vervaardigde holle pannen dient men van die gebouwen te weren. Op monumenten uit de tweede helft van de 19de en 20ste eeuw liggen echter stempelperspannen die wel gehandhaafd moeten blijven. Mocht er een technische noodzaak zijn om tot volledige vervanging van het pannendak over te gaan, dan is het gebruik van tweedehands pannen van hetzelfde model altijd mogelijk. Hergebruik dient bij restauratie uitgangspunt te zijn. Oude pannen hebben de weerproef doorstaan en daarmee hun kwaliteit bewezen. Schiet sterk afgeschilferde en gebarsten pannen, zogenoemde rammelaars, uit. De aanwezigheid van craquelé op verglaasde pannen vormt geen beletsel voor hergebruik. Controleer de pannen op kwaliteit. Onzichtbare barsten spoor je op door de pan te ‘klinken’. Met een troffel of metalen voorwerp wordt de pan beklopt. De klank moet helder zijn. Sorteer de holle pannen op grootte en houd kromme en meer vlakke pannen bij elkaar. Let bij stempelperspannen op verschillen in model, kop- en zijsluitingen. Vul ontbrekende pannen aan met oude exemplaren uit restvoorraden. Bij veel verlies aan goede pannen is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakschild te dekken. Bij groot onderhoud en restauratie is het aanbrengen van isolatie bijna altijd een vast onderdeel van de werkzaamheden. Dit is geen losse activiteit, maar dient een afgewogen onderdeel te zijn van een samenhangend plan voor het gehele gebouw. Meer informatie over het isoleren van dakpannen: zie de Uitvoeringsrichtlijn (URL 4014) Historisch pannendak. Het isoleren van dakvlakken is niet altijd noodzakelijk; dit hangt af van het gebruik van de zolder. Beperk de dikte van het isolatiepakket zoveel mogelijk. Ga de gevolgen na van het toevoegen van een isolatiepakket...