Geboortecijfers en demografische trends in Nederland

Geboortecijfers Het aantal levend geboren kinderen was in 2025 in Nederland 165.863, volgens voorlopige cijfers van het CBS. Ten opzichte van 2024 is er sprake van een daling. In 2024 waren er 166.143 levend geboren kinderen. Tussen 2020 en 2021 was er voor het eerst weer een stijging, nadat het aantal levendgeborenen over een lange periode gedaald was. Sinds 2022 is er het aantal echter weer gedaald. Sinds 2022 schommelt het aantal levend geboren kinderen iets. In 2024 heeft de Nederlandse vrouw gemiddeld 1,43 kinderen. Tien jaar eerder ging het om 1,68 kinderen (Centraal Bureau voor de Statistiek, 2025).

Leeftijd van moeder bij geboorte eerste kind De gemiddelde leeftijd waarop vrouwen in Nederland voor het eerst moeder worden, is in 2024 iets gestegen, naar 30,4 jaar. In 2023 was dat 30,3 jaar. De leeftijd waarop vrouwen voor het eerst moeder worden stijgt sinds 1970 geleidelijk. Toen was de gemiddelde leeftijd 24,3 jaar. 30 jaar later, in 2000, was de gemiddelde leeftijd 29,1 jaar. Vervolgens is dit gestegen naar 30,4 jaar in 2024. Vooral vrouwen jonger dan 30 jaar kregen in 2024 naar verhouding minder vaak een eerste kind dan in 2023. Het geboortecijfer daalt sinds 2010. Vrouwen krijgen gemiddeld steeds minder kinderen, in Nederland en daarbuiten. Zien we die trend in alle regio’s van Nederland, en manifesteert die zich overal op dezelfde manier? In deze publicatie worden de regionale ontwikkelingen over de afgelopen tien jaar (2014-2024) beschreven, en wordt geanalyseerd welke factoren te maken hebben met regionale verschillen in geboortecijfers.

In het kort: • Het gemiddeld kindertal per vrouw was in 2024 in bijna alle gemeenten lager dan in 2014. • De verschillen tussen gemeenten zijn groot: in 2024 varieerde het gemiddeld kindertal per vrouw van 2,50 in Urk tot 0,58 op Vlieland. • Het gemiddeld kindertal per vrouw is relatief hoog in de Biblebelt en relatief laag in grote steden. Er worden steeds minder kinderen geboren in Nederland. Eerder bleef de daling in geboorten beperkt tot vrouwen van in de twintig, maar inmiddels is ook bij vrouwen van begin dertig een daling te zien. Het aantal kinderen dat in Nederland werd geboren is tussen 2010 en 2024 gedaald van 184 duizend naar 166 duizend per jaar. Het gemiddeld kindertal per vrouw, een maat die rekening houdt met het aantal vrouwen in de vruchtbare leeftijd en hun leeftijdsopbouw, daalde nog meer: van 1,80 kinderen per vrouw in 2010 naar 1,43 kinderen per vrouw in 2024. Er zijn grote twijfels over hoe dit cijfer zich gaat ontwikkelen. Zo opperde Pieter Omtzigt in een motie uit januari 2025 in de Tweede Kamer dat het “niet ondenkbaar” is dat het kindertal per vrouw naar 1,2 of zelfs 0,7 kinderen per vrouw zal dalen.

De vraag hoe het kindertal zich in de toekomst gaat ontwikkelen is een relevante vraag omdat toekomstige ontwikkelingen in het kindertal grote gevolgen kunnen hebben voor de omvang en leeftijdsopbouw van de bevolking op de lange termijn. Er zijn zowel argumenten om een verdere daling als om een lichte stijging van het kindertal per vrouw te verwachten in de toekomst, welke ik verderop uiteen zal zetten. Het gemiddeld kindertal per vrouw is een veelgebruikte indicator van de vruchtbaarheid van de bevolking. Het is een kunstmatig cijfer dat meet hoeveel kinderen vrouwen zouden krijgen als de leeftijdsspecifieke geboortekansen van een jaar hun hele reproductieve leven zouden blijven gelden. Het kindertal per vrouw wordt vaak onterecht geïnterpreteerd als het aantal kinderen dat vrouwen aan het eind van hun vruchtbare leven hebben gekregen, oftewel een cohortcijfer. Het kindertal per vrouw is echter een periodecijfer, dus een gestandaardiseerde indicator voor het aantal geboorten in een bepaald jaar. Het kindertal per vrouw is daardoor gevoelig voor uitsteleffecten: in perioden waarin het krijgen van kinderen wordt uitgesteld naar latere leeftijden ligt het kindertal per vrouw lager dan het aantal kinderen dat vrouwen uiteindelijk zullen krijgen. Deze uitsteleffecten worden zichtbaar wanneer we periodecijfers vergelijken met cohortcijfers. Zo schommelde het kindertal (per vrouw) rond een gemiddelde van 1,62 tussen 1980 en 2024 (zie blauwe lijn in figuur 1). Maar als we kijken naar de vrouwen die geboren zijn tussen 1960 en 1980 (en dus hun vruchtbare levensfase ongeveer tussen 1980 en 2024 beleefden) zien we dat zij uiteindelijk gemiddeld 1,79 kinderen kregen.

Ook in de afgelopen 14 jaar stelden vrouwen het krijgen van kinderen uit naar latere leeftijden. De leeftijd waarop vrouwen hun eerste kind kregen steeg geleidelijk van 29,4 jaar in 2010 naar 30,4 jaar in 2024 (zie oranje lijn in figuur 1). Mogelijk worden de geboorten die nu worden uitgesteld, ingehaald op latere leeftijd. Een dergelijk inhaaleffect zou betekenen dat de kans om een kind te krijgen onder oudere vrouwen (30-plus) gaat toenemen. Tot nu toe blijft dit inhaaleffect op latere leeftijden echter uit. Sterker nog, sinds 2021 is de daling in de kans op geboorte niet alleen zichtbaar onder vrouwen van in de twintig, maar is er ook een lichte daling in de kans onder vrouwen van tussen de 30 en 35 jaar (figuur 2). Er is wel een lichte stijging te zien in de kans op een kind bij vrouwen van 35 tot 40 jaar en bij vrouwen van boven de veertig, hoewel het aantal geboorten bij de laatste groep gering blijft. Deze cijfers laten zien dat vrouwen die zijn geboren na 1985 - en met name na 1990 - tot nu toe een stuk minder kinderen hebben gekregen dan de generaties daarvoor hadden op dezelfde leeftijd.

Een andere manier om inzicht te krijgen in mogelijke toekomstige ontwikkelingen in het kindertal, is om aan de huidige jongvolwassenen te vragen hoeveel kinderen ze zouden willen. In de in 2022 en 2023 afgenomen Generations and Gender Survey zijn hierover twee vragen gesteld. De eerste vraag meet het geplande kindertal door respondenten te vragen hoeveel kinderen ze van plan zijn om in totaal nog te krijgen. Dit aantal is opgeteld bij het aantal kinderen dat respondenten al hebben. De antwoorden op deze vragen zijn weergegeven in de tabel voor respondenten tussen de 18 en 30 jaar. Respondenten geven het vaakst aan dat ze van plan zijn om twee kinderen te krijgen (35%). Ook zijn er redelijk wat respondenten die niet van plan zijn om kinderen te krijgen (12%) en is een aantal van plan om drie kinderen te krijgen (13%). Slechts een klein aantal respondenten is van plan om één kind te krijgen of om vier of meer kinderen te krijgen. Gemiddeld zijn respondenten van plan om 1,96 kinderen te krijgen. Hier moet echter worden opgemerkt dat een groot deel van de respondenten - één op de drie - aangaf niet te weten of niet te willen zeggen hoeveel kinderen ze van plan zijn te krijgen. Deze respondenten konden daarom niet worden meegenomen in de berekening van dit gemiddelde. Het aantal kinderen dat respondenten persoonlijk het liefste willen krijgen ligt wat hoger dan het gepland kindertal, met een gemiddelde van 2,24 kinderen. Vergeleken met het geplande kindertal zijn er wat minder respondenten wier ideale kindertal nul is en ook wat minder respondenten die onzeker zijn over hun ideale kindertal. Daarentegen zijn er juist meer respondenten die aangeven dat ze het liefste twee, drie of vier of meer kinderen zouden willen. Dat het kindertal dat als ideaal wordt gezien hoger ligt dan het geplande kindertal, suggereert dat obstakels bij het krijgen en opvoeden van kinderen worden meegewogen wanneer men nadenkt over het gepland aantal kinderen.

Alsnog ligt het geplande kindertal een stuk hoger dan het gerealiseerde kindertal in de afgelopen decennia. Deze resultaten suggereren dat het krijgen van twee kinderen ook door de huidige jongvolwassenen vaak als ideaal wordt gezien. Deze zogenaamde “tweekindsnorm” is al decennialang wijdverspreid onder Europeanen. Aan de ene kant kan worden verwacht dat uitgestelde geboorten in het verleden op latere leeftijd (gedeeltelijk) worden ingehaald, waardoor het kindertal per vrouw in de nabije toekomst zal gaan stijgen. Dit is bijvoorbeeld de aanname in de bevolkingsprognose van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), waarin wordt verondersteld dat het kindertal per vrouw na 2026 geleidelijk zal gaan stijgen, tot het een stabiel punt heeft bereikt van 1,65 kinderen per vrouw. Wel heeft het CBS het verwachte kindertal de afgelopen jaren naar beneden bijgesteld in reactie op de afname in geboorten: zo werd in de prognose van 2018 nog verwacht dat het kindertal zou stijgen naar 1,75. De verwachting dat het kindertal weer zal stijgen, wordt onderbouwd door het feit dat de daling zich voorlopig beperkt tot vrouwen van in de twintig en begin dertig, en dus met name een uitsteleffect zou kunnen betreffen. De geboortecohorten bij wie het aantal geboorten het meest is gedaald - grofweg de cohorten geboren in de jaren ’90 en daarna - hebben nog tijd om dit uitstel in te halen. Bovendien blijken het geplande en ideale kindertal van de huidige jongvolwassenen rond de twee kinderen per vrouw te liggen, wat suggereert dat deze generaties inderdaad van plan zijn om op latere leeftijd nog kinderen te krijgen om tot hun gewenste gezinsgrootte te komen.

Aan de andere kant zijn er ook redenen om te verwachten dat het kindertal in de toekomst laag zal blijven of zelfs verder zal dalen. Zo doet de daling van het aantal geboorten onder vrouwen van begin dertig vermoeden dat de ruimte voor inhaaleffecten steeds kleiner wordt. Hierdoor lijkt het waarschijnlijk dat mensen steeds vaker tegen biologische beperkingen van de vruchtbaarheid op hogere leeftijd zullen aanlopen. Ook lijkt het onwaarschijnlijk dat de oorzaken van het huidige, lage niveau van de vruchtbaarheid - waaronder de wooncrisis, de geflexibiliseerde arbeidsmarkt en wellicht de zorgen om de toekomst - op korte termijn verdwijnen.

En wanneer de oorzaken aanhouden, is het waarschijnlijker dat ook de vruchtbaarheid laag blijft of zelfs verder daalt. Er bestaan dus uiteenlopende verwachtingen over hoe het kindertal zich in de toekomst zal ontwikkelen, die beide onderbouwd kunnen worden met inhoudelijke argumenten.

Totaal aantal levendgeborenen ruim 166.000 In 2024 werden 166.143 kinderen levend geboren (ongeacht zwangerschapsduur). Dit komt overeen met 9,2 levendgeborenen per 1.000 inwoners. Het aantal bevallingen met een zwangerschapsduur van 28 weken of meer bedraagt 164.013. In 2.480 van de geboorten was er sprake van een meerling. Stijging aantal levendgeborenen ten op zichte van 2023 De afgelopen jaren werden relatief weinig kinderen geboren, in de periode 2013-2020 werden er jaarlijks rond de 170.000 kinderen geboren. Tussen 2020 en 2021 was er voor het eerst weer sprake van een stijging na een lange periode van daling van het aantal levendgeborenen. In 2022 en 2023 is het aantal weer opnieuw gedaald. Het aantal levendgeborenen was in 2024 in Nederland 166.143. Dat is een stijging ten op zichte van 2023. In 2023 waren er 164.487 levendgeborenen (CBS Staline).

Infographic: Trend in geboorten en vruchtbaarheid per jaar in Nederland

20ste eeuw: de babyboom en andere ontwikkelingen In eerdere periodes was het jaarlijkse aantal levendgeborenen groter. Vooral in de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden relatief veel kinderen geboren, in 1946 zelfs 284.000. Dat veranderde in de jaren zeventig. De laatste keer dat er meer dan 200.000 kinderen in een jaar geboren werden, was aan het begin van de jaren 2000.

Vrouw is gemiddeld 30,4 jaar bij geboorte eerste kind Vrouwen in Nederland waren in 2024 gemiddeld 30,4 jaar oud bij de geboorte van hun eerste kind. Het betreft hier de gemiddelde leeftijd van de vrouw op 31 december van het jaar dat haar kind werd geboren (levendgeborenen) (CBS StatLine). Van alle kinderen die in 2024 zijn geboren had 28% een moeder van 35 jaar of ouder.

Baby’s hebben steeds vaker een moeder van 35 jaar of ouder In 2024 werden per 1.000 vrouwen van 35 tot en met 39 jaar 67,4 kinderen geboren, in 2000 waren dat er 56,5 kinderen. Vruchtbaarheidcijfer laatste decennia gedaald Het vruchtbaarheidscijfer schommelde na de eeuwwisseling rond 1,75. De laatste decennia is het vruchtbaarheidscijfer weer verder gedaald tot 1,43 in 2024. In 2021 zagen we voor het eerste weer een toename van het vruchtbaarheidscijfer naar 1,62. In de jaren voor 1965 lag het gemiddeld kindertal per vrouw nog boven de 3. Het huidige vruchtbaarheidscijfer ligt ruim onder het vervangingsniveau van 2,1 kind per vrouw dat nodig is om de huidige generaties mannen en vrouwen volledig te vervangen.

Geboortepatronen en migratie Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) publiceert cijfers over de bevolkingsgroei in Nederland. Hierin valt duidelijk te zien dat er sinds 2020 geen of nauwelijks meer sprake is van een geboorteoverschot. Sinds 2022 gaan er meer mensen dood dan er geboren worden in Nederland. Sinds 2022 is migratie de enige factor die zorgt voor bevolkingsgroei in Nederland. Mensen komen om verschillende redenen naar Nederland. Asielzoekers komen naar Nederland omdat ze op de vlucht zijn voor oorlog of andere onmenselijke omstandigheden. Maar de meeste migranten komen om te studeren of om te werken. Kennismigranten zijn vaak hoogopgeleide mensen als artsen en wetenschappers. Gezinsmigratie volgt vaak op deze soorten migratie: gezinsleden van de initiële migrant komen dan naar Nederland zodat ze zich kunnen herenigen met hun gezin. In de onderstaande grafiek is te zien welke soort migranten sinds 2010 naar Nederland komen.

Kaart: regio's met hoog en laag geboortecijfer; vergelijking 2014-2024

Niet alle migranten blijven ook in Nederland. Twee derde van de arbeidsmigranten van binnen de EU en de Europese Vrijhandelsassociatie verlaat Nederland binnen vijf jaar. Twee derde van de kennismigranten van buiten de EU en de EFTA, blijkt uit onderzoek van het CBS. Ook veel asielzoekers vertrekken weer. Van de asielzoekers die in 2014 naar Nederland kwamen, waren er na 8,5 jaar 6050 overleden of weer vertrokken volgens het CBS.

Waarom is in Nederland het geboorteoverschot verdwenen? Als we de cijfers van het CBS erbij pakken, zien we dat het aantal geboortes in 2018 het laagste niveau bereikte sinds 1919. Dat het aantal sterfgevallen sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog stijgt, is niet verwonderlijk. Zoals te zien in de eerste grafiek steeg het aantal geboortes in 1946 flink en dat bleef zo tot het eind van de jaren zestig, de zogenaamde babyboom. Daarna namen de geboorteaantallen af. Iemand die in 1946 geboren is, is anno 2025 79 jaar oud, en de jongste leden van de geboortegolf zijn 56.

Wettelijke en maatschappelijke ontwikkelingen Gedurende de jaren zestig nam de emancipatie van vrouwen en hun toetreden tot de arbeidsmarkt toe, wat bijdroeg aan minder geboortes. Daarnaast ligt het aan een al eerder ingezette daling van kindersterfte en de opkomst van onderwijs. Dit is ook te zien in wereldwijde vruchtbaarheidscijfers, want dalende geboortecijfers zijn ook een probleem in andere landen. Als een populatie zichzelf in stand wil houden zonder immigratie, is het nodig dat vrouwen gemiddeld minimaal 2,1 kinderen krijgen. Bijna overal ter wereld ligt het vruchtbaarheidscijfer daaronder, met Afrika, delen van Azië en enkele andere landen als uitzondering. Politieke partijen maken zich zorgen over de economische gevolgen van de huidige bevolkingsgroei die door migratie wordt veroorzaakt. Er zou te veel druk komen op voorzieningen zoals woningen, zorg en onderwijs. Die laatste zorg neemt soms extremere vormen aan. In Hongarije bijvoorbeeld, maakt de regering zich druk dat huidige demografische trends het einde van het witte ras zullen betekenen. Lost potentiële bevolkingskrimp de economische problemen dan op? Nee, want dan zal de bevolking verder vergrijzen. Dat leidt ook tot een hogere druk op de gezondheidszorg en andere voorzieningen, terwijl tegelijkertijd het aantal jonge mensen afneemt door het afnemen van het aantal geboortes. Zo zou als er niets verandert in Nederland in 2040 een kwart van de beroepsbevolking in de zorg moeten werken om aan de zorgvraag te voldoen.

Duitsland: demografische ineenstorting of model voor de wereld?

Ook het rapport van de Staatscommissie Demografische Ontwikkelingen 2050 geeft aan dat bevolkingskrimp niet gewenst is vanwege verdere vergrijzing, aangezien dat een verdere afname van het aantal geboortes zou veroorzaken. Vanwege zorgen om vergrijzing hebben verschillende landen maatregelen genomen om het tij te keren, maar de effecten daarvan lopen uiteen. In bepaalde landen wordt een beroep gedaan op traditionele waarden, maar dergelijke maatregelen hebben geen gegarandeerd succes volgens onderzoeken. Landen kunnen ook inzetten op migratie als oplossing voor de bevolkingskrimp, waar de Wereldbank voor pleitte. Europa zou dan werknemers krijgen en Afrika perspectief voor de snel groeiende bevolking: vraag en aanbod komen bij elkaar. Maar die migranten doen ook een beroep op woonruimte, onderwijs en gezondheidszorg zoals eerder aangegeven. En volgens de Verenigde Naties zal de wereldbevolking rond 2085 gaan dalen.

OnderwerpBelangrijkste conclusie
Geboortecijfer 20241,43 kinderen per vrouw
Gemiddelde leeftijd eerste kind30,4 jaar (2024)
Totale levendgeborenen 2024166.143
Geboortetrend 2020-2023Stijging 2021, daling daarna
Regionale verschillenUrk 2,50; Vlieland 0,58

In de volgende jaren zullen de demografische ontwikkelingen mede bepaald worden door sociale en economische factoren zoals woningprijzen en arbeidsmarkt. De toekomstige ontwikkelingen in het kindertal blijven onzeker en kunnen zowel dalen als stijgen vertonen afhankelijk van beleidskeuzes en maatschappelijke veranderingsprocessen.

tags: #de #geboortes #zullen #daken