Houten kozijnen in steens muren: Details en aansluitingen

Bij de plaatsing van houten kozijnen in steens muren is een nauwkeurige detaillering essentieel voor een duurzame en functionele constructie. Een veelgebruikte methode tegenwoordig is het verkleinen van het kozijn aan de zijkanten en bovenkant met ongeveer 5 mm ten opzichte van de opening in de muur. Dit maakt het mogelijk om zwelband en kit toe te passen voor een water- en luchtdichte aansluiting. Aan de onderzijde wordt doorgaans dpc folie gebruikt.

Voor de raamprofielen zelf wordt aangeraden om gebruik te maken van duurzaamheidsklasse 1 hout. Iroko is een geschikte houtsoort vanwege de goede bewerkbaarheid, zowel machinaal als handmatig. Het is echter belangrijk om te weten dat bij machinale bewerking fijn zaagsel en schuurstof vrijkomen, wat allergische reacties kan veroorzaken en een goede afzuiging vereist. Deze informatie is afkomstig uit een houtinformatiebron en niet direct van de auteur.

Algemene uitgangspunten voor kozijnaansluitingen

Dit katern beschrijft de wijze waarop aansluitingen van kozijnen op het bouwkundig kader dienen te worden uitgevoerd. De basisuitgangspunten zijn de traditionele kozijnaansluitingen op een stenen binnenblad met isolatie in de spouw. Met betrekking tot de bouwkundige aansluitingen, volgens BRL 0801 paragraaf 6.1, draagt de timmerfabrikant in concept III en IV de verantwoordelijkheid voor zowel ontwerp als montage.

Toepassingsklassen voor houten gevelelementen

De toepassingsklassen voor houten gevelelementen geven de mate van blootstelling en belasting van het (buiten)klimaat op het gevelelement aan. Aan houten gevelelementen met een hoge blootstelling of belasting van het buitenklimaat worden hogere eisen gesteld ten aanzien van de toegepaste materialen, zoals de houtsoort en de verlijming.

Onder beschut wordt verstaan buiten de slagschaduw van regen. Verbindingen voor de onderdorpels, vanaf 50 mm boven het watergedragen vlak (zoals maaiveld), mogen worden uitgevoerd in hout uit duurzaamheidsklasse 1 en 2. Ook de houtsoorten Oregon Pine en Sapeli zijn hiervoor geschikt. Voor bergingskozijnen kunnen de kozijnen worden uitgevoerd met een metalen onderdorpel die aan de onderzijde van de stijlen wordt bevestigd.

Detail van een houten kozijn dat op de juiste manier is verkleind ten opzichte van de muuropening voor de toepassing van zwelband en kit.

Plaatsing van kozijnen in de bouw

Voor specifieke eisen en verantwoordelijkheden met betrekking tot de aanlevering en plaatsing van kozijnen, evenals de toe te passen dichtingsmaterialen, wordt verwezen naar katernen 40, 72, 73 en 81. In de bouwkundige aansluitingen mogen geen capillaire naden voorkomen. Bij het plaatsen van raamdorpelstenen dient rekening te worden gehouden met een vrije ruimte in de aansluiting op de onderzijde van de onderdorpel. Dit is noodzakelijk om de onderdorpel te kunnen afschilderen en onderhouden. Hiervoor is een vrije hoogte van 15 mm onder de neus van de onderdorpel vereist, met een afschuining van de waterslag van ten minste 10° (bijvoorbeeld volgens tekening 11.B2.03) of een dorpel met verhoogde neus.

De scheluwte van kozijnen en stelkozijnen mag na plaatsing 0,5% van de kleinste afmeting (hoogte of breedte) bedragen. Waar nodig, bijvoorbeeld voor toegankelijkheidseisen volgens het Bouwbesluit (afd. 4.1 art. 11.5), kunnen aanvullende maatregelen worden getroffen.

Uitvoeringsvormen van kozijnen

Inmetselkozijnen

Bij inmetselkozijnen worden spouwlatten toegepast die dienen als overgangselement tussen het kozijn en het bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.01).

Prefab betonnen wanden

Bij het monteren van kozijnen tegen prefab betonnen wanden worden, net als bij inmetselkozijnen, spouwlatten gebruikt die fungeren als overgangselement tussen kozijn en bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.01). De omkanten van de kozijnen dienen geprofileerd te worden voor een juiste aansluiting op het bouwkundig kader en de opname van spouwlatten.

Niet dragende houten binnenspouwbladen en Houtskeletbouw

Aansluitingen van kozijnen op niet dragende houten binnenspouwbladen en houtskeletbouw wijken af van de standaard inmetselkozijnen. De tekeningen in de serie 11.B2 geven veelvoorkomende details weer.

Stelkozijnen

Het stelkozijn dient als overgangselement tussen het kozijn en het bouwkundig kader (zie tekening 11.B1.02). De belastingen op het kozijn moeten naar het bouwkundig kader worden overgebracht. De aansluiting van kozijnen op stelkozijnen dient op elkaar te zijn aangepast. In de aanslag van het kozijn op het stelkozijn moet een duurzame waterdichting worden opgenomen. De luchtdichting dient zoveel mogelijk aan de binnenzijde en in één vlak te worden geplaatst.

Bevestiging van het kozijn aan het stelkozijn

De belastingen op het kozijn worden via het sponningstelsel en de bevestigingsmiddelen overgebracht naar het stelkozijn. De bevestiging dient te geschieden met geschikte bevestigingsmiddelen of een bevestigingssysteem (zie katern 37). Bij de bevestiging moet worden voorkomen dat er koudebruggen ontstaan.

Plaats van de bevestigingsmiddelen kozijn/stelkozijn

De plaats van de bevestiging van het kozijn op het stelkozijn is afhankelijk van de detaillering, zoals het type glas of draaiend deel. Per stijl en dorpel dienen de kozijnen minimaal op twee plaatsen aan het stelkozijn te worden bevestigd. Bij het ontbreken van een onderdorpel van een stelkozijn moet de onderdorpel van het kozijn aan het bouwkundig kader worden verankerd.

De plaats en bevestiging van het kozijn in/aan de gevel

Algemeen

De tekeningen 11.B1 en 11.B2 (voor kozijnen met spouwlatten of stelkozijnen) en 11.B3 (voor bijzondere kozijnvormen) geven hoofdprincipes weer, waarbij ook de toepassingsklassen worden benoemd.

Spouwlatten

Bij de aansluiting op spouwmuren kan gebruik worden gemaakt van spouwlatten. De aansluiting van de spouwlat op het kozijn moet luchtdicht worden uitgevoerd. De minimale afmeting van een spouwlat bedraagt 27 x 44 mm voor montage tegen een houten binnenspouwblad. Voor montage tegen een binnenspouwblad van andere materialen is de minimale dikte 38 mm. De minimale oplegmaat van de spouwlat op het bouwkundig kader is 25 mm.

De onderlinge aansluiting van de spouwlatten dient eveneens luchtdicht te worden uitgevoerd. Spouwlatten worden over het algemeen aan het kozijnhout gelijmd en bevestigd met draadnagels of nieten, met een lengte van twee keer de dikte van de spouwlat. Deze methode geldt als een luchtdichte aansluiting. Vervolgens worden kozijn en spouwlat als geheel van oppervlakteafwerkingen voorzien. Draadnagels mogen maximaal 300 mm uit elkaar worden geplaatst en nieten maximaal 200 mm. De afstand van de nagels tot het uiteinde van de spouwlat is circa 10-15 mm. Wanneer bij onvoldoende kozijnhoutdikte kortere nagels of nieten moeten worden gebruikt, moet de onderlinge afstand tussen de draadnagels en nieten respectievelijk 200 mm en 150 mm bedragen.

Andere vormen van aansluitingen zijn ook mogelijk, bijvoorbeeld bij een koude aansluiting van behandeld hout op behandeld hout.

Verankering

Het kozijn moet rondom aan het bouwkundig kader worden bevestigd met behulp van hoekankers. Vervormingen van het bouwkundig kader mogen geen nadelige invloed hebben. De hoekankers en de bevestigingsmiddelen dienen corrosiewerend te zijn.

Plaats van de verankeringsmiddelen

Hoekankers dienen aan de binnenzijde van de thermische spouwisolatie tegen het bouwkundig kader te worden geplaatst. De hart-op-hart (h.o.h.) afstand van de hoekankers mag maximaal 700 mm bedragen. Indien voor de toegepaste reliëfdorpel een kleinere h.o.h. afstand wordt voorgeschreven, dient deze te worden aangehouden. Voor schuifpuien moet voor het bepalen van de juiste hoekankers het gewicht van de schuifpui maal 2 worden genomen. Alternatief kan onder het vaste deel van schuifpuien de h.o.h. afstand worden aangepast.

Hoekankers ter plaatse van stijlen en bovendorpels

De h.o.h. afstand van de hoekankers bij stijlen en bovendorpels dient conform de voorschriften te zijn. Indien de bovendorpel wordt verankerd aan de bovenliggende vloer, dient dit te gebeuren met een hoekanker voorzien van een verticaal slobgat. Het verankeringsmiddel in het verticale slobgat moet met het juiste moment worden aangedraaid.

Rekwerken

Rekwerken naast, boven en/of onder het kozijn dienen als één geheel tegen het kozijn te worden bevestigd. Hierbij wordt rekening gehouden met het zwaartepunt van het gevelelement (glaslijn).

Bevestiging hoekankers aan het gevelelement

Hoekankers worden bevestigd aan de spouwlatten of rekwerken. De juiste bevestigingsmiddelen (type en afmetingen) worden vastgesteld door de constructeur.

Bevestiging ankers tegen het bouwkundig kader

De juiste bevestigingsmiddelen (type en afmetingen) om de ankers aan het bouwkundig kader te bevestigen, worden eveneens vastgesteld door de constructeur.

Detail van een hoekanker dat een kozijn verbindt met het bouwkundig kader, met aandacht voor de plaatsing ten opzichte van de isolatie.

Dichtingen, lucht en water

Luchtdichting bij de aansluiting op het bouwkundig kader

Door luchtdrukverschillen tussen de spouw en de woonruimte kunnen luchtstromen ontstaan. Om dit te voorkomen, moet de aansluiting van het kozijn/spouwlat met het bouwkundig kader (aan de warme zijde) worden voorzien van een rondgaande luchtdichting. Deze dichting moet ononderbroken en in één vlak worden aangebracht. Mocht dit bouwtechnisch niet mogelijk zijn, dan kan de dichting doorgaand, ononderbroken en verspringend worden geplaatst. Voor de luchtdichting dient ruimte te worden gehouden, afgestemd op het toe te passen materiaal en de te verwachten vervormingen.

Waterdichting

Algemeen

Voor het realiseren van de waterdichting bij de aansluitingen dient gebruik te worden gemaakt van waterdichte of waterwerende lagen. Overlappingen dienen "dakpansgewijs" te worden uitgevoerd.

Aanbrengen en uitvoering van de waterdichtingen

  • De bovenzijde van de spouwlat/stelkozijn en de bovendorpel van het kozijn moet worden beschermd tegen water dat in de spouw terecht is gekomen. Bij het toepassen van materialen zoals vinylslabben bij lateidetailleringen, dient eventueel in de spouw terecht gekomen water naar buiten te worden afgevoerd. De waterdichte laag moet minimaal 150 mm hoog tegen het binnenblad worden bevestigd. Het verticale deel van de waterdichte laag buiten de gevelvulling moet ten minste 15 mm hoog zijn (afgedekte deel voorkant bovendorpel). De waterdichte laag moet het eventueel onderliggende kozijn aan weerszijden ten minste 100 mm overlappen en ten minste 20 mm worden opgezet. In alle gevallen dient te worden voorkomen dat er water op de bovendorpel kan blijven staan.
  • Als aan de onderzijde van een kozijn een waterslag (raamdorpelstenen, kunst-/natuursteen e.a.) wordt toegepast, moet in de spouw een waterwerende laag worden opgenomen van ten minste 100 mm hoog. De afstand tussen de waterwerende laag en het isolatiemateriaal is 5-10 mm om vochtdoorslag te voorkomen. De waterwerende laag moet het bovenliggende kozijn aan weerszijden ten minste 100 mm overlappen, zodat de laag door de bovenliggende waterwerende lagen van de zijaansluitingen is afgedekt (zie tekening dakpansgewijs overlappen). Hiervoor kunnen voorzieningen worden getroffen door bijvoorbeeld raamdorpel stelblokjes in de timmerfabriek aan te brengen (zie tekening).
  • In de zijaansluiting moet in de spouw een waterwerende laag worden opgenomen van ten minste 80 mm breed.
  • Het deel van een rond kozijn dat aan de bovenzijde moet worden voorzien van een waterdichte laag, is dat deel van de ronding waarvan de raakhoek met de horizontaal ≤ 30º is. Aansluitend op de waterdichte laag aan de bovenzijde dient een waterwerende laag te worden aangebracht. De breedte van deze laag moet ten minste 100 mm zijn. Aan de onderzijde moet in de spouw een waterwerende laag worden aangebracht onder het deel van de ronding waarvan de raakhoek met de horizontaal ≤ 30º is.

Om vervuiling te voorkomen, wordt aangeraden om het betreffende deel van het kozijn aan te sluiten op een niet wateropnemend materiaal (bijvoorbeeld hardsteen). Hierbij dient te worden voorkomen dat een capillaire naad ontstaat, bijvoorbeeld door de onderzijde van het kozijnhout 5-10 mm vrij te houden van de ondergrond.

Illustratie van een dakpansgewijze overlapping van waterkerende lagen bij een kozijnaansluiting.

Koppelen van kozijnen

Bij gekoppelde kozijnen groter dan 15 m² dient van elk te koppelen kozijn de stijlen en dorpels aan het bouwkundig kader te worden bevestigd. De koppelingen moeten over de gehele hoogte respectievelijk breedte doorlopen. Omdat kozijnen geen dragende functie mogen hebben, dient men bij het verticaal koppelen van kozijnen rekening te houden met (overmatige) belasting van het onderliggende kozijn.

  • De stel- en expansieruimte is noodzakelijk omdat de afzonderlijke (bouw)onderdelen maattoleranties kunnen hebben en de afzonderlijke delen door eigenschappen van het hout kunnen krimpen en zwellen. Algemeen kan worden gesteld dat men rekening moet houden met 2-4 mm uitzetting/krimpen bij een kozijnbreedte van 4000 mm.
  • Ook moet worden vastgesteld op welke plaats de kozijnen onafhankelijk van elkaar aan het bouwkundig kader worden gekoppeld. Praktisch gezien moet rekening worden gehouden met horizontale en/of verticale dilataties tussen circa 2,5 en 6,0 m¹.
  • Om de vereiste waterdichting en/of luchtdichting tussen de productonderdelen te bereiken, moeten schuimbanden, kitten of rubbers als voegdichting worden opgenomen. In verband met de mindere levensduur van de materialen voor water- en luchtdichting ten opzichte van de gevelelementen, moeten direct aan het buitenklimaat blootgestelde voegdichtingen voor onderhoud en/of vervanging bereikbaar zijn (zie katern 40).
  • Na positionering en verankering aan het bouwkundig kader moeten de afzonderlijke kozijnen op ten minste twee plaatsen van de te koppelen stijlen en/of dorpels met schroeven aan elkaar worden bevestigd. De schacht en de kop van de schroef/bout dient zich vrij van het omliggende hout te kunnen bewegen. Deze verbinding heeft alleen een stabiliteitsfunctie en dient om krimp- en zwelgedrag mogelijk te maken.

Wanneer de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen een doorsnijdingsvlak met elkaar hebben, moet in het betreffende gebied rekening worden gehouden met de minimale maatvoeringseisen voor kozijnverbindingen (zie katern 15). Voor de te koppelen kozijnen moet gebruik worden gemaakt van een koppellat die wordt ingelaten in een sponning van de te koppelen kozijnonderdelen.

De gewenste hoek wordt bereikt door de aansluitvlakken van de te koppelen stijlen (deels of geheel) niet evenwijdig met elkaar te laten lopen. Hiermee is in principe elke mogelijke hoek te realiseren. De koppeling moet zodanig worden gedetailleerd dat de afzonderlijke kozijnen onafhankelijk van elkaar blijvend kunnen bewegen en voldoende vrije ruimte aanwezig is om bewegingen op te vangen. Voor de verbinding tussen boven- en onderdorpel van de te koppelen kozijnen dient gebruik te worden gemaakt van een wisselsponning. Aan de buitenzijde van de wisselsponning moet een duurzame waterdichting worden aangebracht. Aan de binnenzijde van de wisselsponning moet een luchtdichting worden geplaatst. Tussen de waterkering aan de buitenzijde en de luchtdichting aan de binnenzijde dient een afstand van ten minste 15 mm te worden aangehouden.

Verticaal gekoppelde kozijnen moeten bij overschrijding van de kozijnbreedtes zoals aangegeven in Tabel B, ter plaatse van de koppelingen worden verankerd aan een achterliggende constructie (bijvoorbeeld een vloer of spant) of worden verstijfd op basis van een constructieve berekening.

Renovatie en regelgeving

Renovatie en vervanging van gevelelementen gaan vaak gepaard met een gewenste verbetering van prestaties, zoals inbraak-, geluid-, brandwerendheid of de warmtedoorgangscoëfficiënt. Deelvervanging (onderdelen van kozijnen of alleen bewegende delen) valt niet onder dit katern.

Regelgeving

Voor renovatie geldt, ten opzichte van nieuwbouw, een afwijkende regelgeving.

Asbest

Bij sloopwerkzaamheden voor het aanbrengen van renovatiekozijnen kan men asbest tegenkomen. Om risico's te vermijden, dient men voor het slopen van de bestaande kozijnen eerst op asbest te inventariseren.

Historische context en plaatsing in Nederland

In tegenstelling tot de ons omringende landen wordt het houten kozijn in Nederland traditioneel al in de ruwbouwfase geplaatst (inmetselkozijn). Deze praktijk is te verklaren uit de Nederlandse historie van houtbouw, waarin kozijnen een dragende functie hadden en als eerste werden geplaatst. Toen Nederland een baksteencultuur werd, bleef dit principe vreemd genoeg gehandhaafd. In de jaren vijftig nam de betonlatei de dragende functie over, wat de mogelijkheid bood om eerst te bouwen en de kozijnen pas in een later stadium toe te voegen. Deze zogenaamde montagekozijnen worden pas in de eindfase gemonteerd, tegen een stelkozijn dat verankerd is aan het binnenspouwblad. Het belangrijkste voordeel hiervan is dat er door de late plaatsing minder kans is op beschadigingen. Hoewel tijdens de bouwperiode zichtbaar is om welk type kozijn (inmetsel of montage) het gaat, is dit na oplevering voor de leek niet meer waarneembaar.

Vanwege de thermische werking moet het buitenspouwblad vrij kunnen blijven werken. Bij metselwerk wordt bij voorkeur de voorkant van het kozijn minimaal 1 cm naar binnen geplaatst. Wordt een gestapelde metselwerkwand verticaal belast, dan lopen de druklijnen nagenoeg verticaal. De bovendorpel van het kozijn wordt bij voorkeur breder gemaakt en voorzien van een waterhol, om regenwaterafvoer te optimaliseren. Door de wind wordt regenwater niet recht naar beneden gedrukt, maar in de richting van de hoeken. Als onderdorpels en waterslag vrij vlak liggende delen hebben, wordt het water in de hoek gedreven.

Timmertip 503 Kozijnstijl aansluiting aan de muur

tags: #details #houten #kozijnen #steens #muur