Drs. Het bouwbesluit (2012) en het Besluit bouwwerken Leefomgeving (BBL) bestaan uit eisen om de kwaliteit van gebouwen en andere bouwwerken te waarborgen. Deze eisen bestaan uit verschillende niveaus. Het nieuwbouwniveau is het hoogste niveau. Dat zijn de actuele eisen die gelden op het gebied van veiligheid, gezondheid, bruikbaarheid en milieu. Het niveau voor bestaande bouw is het laagste niveau. Dit niveau is daarmee ook het minimale niveau waar een gebouw aan moet voldoen. Het rechtens verkregen niveau zit tussen het nieuwbouwniveau en bestaande bouw niveau in. Dit zijn de drie verschillende niveaus, maar wanneer geldt welk niveau?
Bij het verbouwen van gebouwen en andere bouwwerken wordt een gedeelte of het geheel vernieuwd, veranderd of vergroot. Ver vernieuwen betekent dat een gebouw tot fundering wordt gesloopt en daarna op dezelfde fundering weer wordt opgebouwd; ook het tot de casco strippen en dan weer opbouwen hoort hierbij. Veranderen betekent dat de contouren niet worden gewijzigd, maar het gebouw intern wel wordt aangepast. En bij het vergroten van een bouwwerk worden de contouren wel weer aangepast. De eisen die gelden voor verbouw gelden alleen voor het deel van het bouwwerk dat wordt gewijzigd. Dit kan overigens wel betekenen dat bijvoorbeeld bij het vervangen van een kozijn moet worden voldaan aan de verbouw eisen voor warmte-isolatie, daglicht en ventilatie.
Alle afdelingen in het bouwbesluit hebben bij de paragraaf nieuwbouw een kopje verbouw. Hierin wordt beschreven wat het minimum verbouwniveau is waaraan voldaan moet worden. Voor de meeste afdelingen geldt dat moet worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau. Voor installaties geldt dat bij het vervangen of nieuw aanbrengen moeten worden voldaan aan het nieuwbouwniveau. Bij het gedeeltelijk vernieuwen, vervangen of vergroten van een installatie mag wel worden voldaan aan het rechtens verkregen niveau. Dit betekent dat hoofdstuk 6 van het bouwbesluit geen aparte verbouwvoorschriften bevat. Bij het rechtens verkregen niveau voor installaties moet wel worden voldaan aan de Europese minimale systeemrendement eisen.

Een andere uitzondering is voor thermische isolatie, waarbij minimaal moet worden voldaan aan een rc-waarde van 1,4 m2K/W bij het gedeeltelijk vernieuwen of veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Bij het vervangen of vernieuwen van isolatielagen moet worden voldaan aan een minimaal rc-waarde van 2,6 m2K/W voor een vloer, 1,4 m2K/W voor een gevel en 2,1 m2K/W voor een dak. Voor het vervangen van ramen, deuren en kozijnen geldt een minimale u-waarde van 2,2 W/m2K. Bij het vergroten van een bouwwerk door het plaatsen van een dakkapel en/of aanbouw moet de dakkapel en/of aanbouw voldoen aan de nieuwbouw isolatie eisen van 3,7 m2K/W, 4,7 m2K/W en 6,3 m2K/W.
Het rechtens verkregen niveau betekent dat het onderdeel dat verbouwd wordt, moet voldoen aan hetzelfde kwaliteitsniveau als voor de verbouwing. Dit noemt men ook wel het actuele kwaliteitsniveau. Dit moet wel legaal verkregen zijn. Daarnaast is het wel zo dat er minimaal aan de bestaande bouw eisen moet worden voldaan, ook als het actuele niveau lager lag dan bestaande bouw. Ook als er geen sprake is van een actueel kwaliteitsniveau (omdat iets nieuw wordt aangebracht) moet er minimaal worden voldaan aan de bestaande bouw eisen. Dit kan dus ook betekenen dat er geen eis is, want sommige onderdelen hebben geen bestaande bouw eis, zoals voor een buitenberging. Verder is het zo dat sommige afdelingen specifieke minimumeisen hebben voor verbouw. Dan moet minimaal hieraan voldaan worden, zoals voor thermische isolatie. Daarnaast hoeft een verbouwing nooit aan hogere eisen te voldoen als de nieuwbouw eisen, ook niet als het actuele kwaliteitsniveau hoger ligt. Dit betekent dat het rechtens verkregen niveau de bestaande bouw eisen als ondergrens heeft en de nieuwbouw eisen als bovengrens en ligt hier dus altijd tussenin.
Het actuele niveau ligt lager dan het bestaande bouw niveau en dan moet na de verbouwing voldaan te worden aan de bestaande bouw eisen. Het actuele niveau ligt hoger dan het nieuwbouw niveau, zoals bijvoorbeeld bij de transformatie van een hotel naar woningen. Bij functiewijziging wordt de gebruiksfunctie van een gebouw aangepast. Denk bijvoorbeeld aan een kantoorfunctie naar woonfunctie. Bij functiewijziging moet je naar de eisen kijken voor bestaande bouw van de nieuwe functie. Voldoet men aan deze eisen, dan hoeft er niet verbouwd te worden. Een functiewijziging is dus niet vergunningplichtig omdat er niet verbouwd wordt. Zodra er wel verbouwd moet worden om te voldoen aan de bestaande bouw eisen van de nieuwe functie, dan wordt het wel vergunningplichtig. Dit omdat er voldaan moet worden aan de verbouw voorschriften zoals hierboven beschreven.
Ook hier geldt dat de verbouw voorschriften alleen gelden voor het deel van het gebouw dat verbouwd wordt. Het deel dat niet verbouwd wordt, moet dan wel voldoen aan de bestaande bouw eisen van de nieuwe gebruiksfunctie. Als een gebouw gewijzigd wordt naar meerdere gebruiksfuncties, dan moet er per functie gekeken worden of er wordt voldaan aan de bestaande bouw eisen. Is er geen verbouwing nodig voor de functiewijziging en dus geen bouwvergunning, dan kunnen er nog wel andere vergunningen nodig zijn, zoals brandveilig gebruik. Daarnaast is er een uitzondering voor rookmelders want er is een nieuwe eis dat een woonfunctie rookmelders moet hebben, ook als er een functiewijziging naar woonfunctie plaatsvindt.

Er is sprake van een ingrijpende renovatie als meer dan 25% van de buitenschil wordt vernieuwd, veranderd of vergroot. Dan geldt het nieuwbouwniveau waarbij moet worden voldaan aan de nieuwbouw bouwbesluit/BBL eisen. De buitenschil bevat alle buitengevels inclusief ramen en deuren; daken en vloeren. Bij de vernieuwing, verandering of vergroting moet wel de hele integrale buitenschil worden meegenomen. Daarmee wordt bedoeld dat alle constructieonderdelen worden aangepakt. Dus zowel binnenblad, spouwvulling en buitenblad moeten inbegrepen zijn bij het deel van het gebouw dat wordt verbouwd. Als niet de hele integrale buitenschil wordt meegenomen (zoals bij het na-isoleren van de spouwmuur) dan is er geen sprake van een ingrijpende renovatie en kan er worden voldaan aan de verbouweisen.
De breedte van een vrije doorgang is de kortste afstand in horizontale richting tussen 2 bouwdelen. Gaat het om een deur? Dan wordt de vrije doorgang ter plaatse van de deur gemeten met de deur in geopende stand. De kleinste maat is de maatgevende breedte van de vrije doorgang ter plaatse van de deur. Deze vrije doorgang kunt u realiseren met een enkele of een dubbele deur. De dubbele deur mag in zijn geheel worden aangemerkt als 'doorgang'. De breedtematen van de loopdeur (actieve deur) of de vaste deur (passieve deur) zijn dan niet van belang. De vrije hoogte houdt rekening met constructiedelen die af en toe voorkomen. Biedt een ruimte een bepaalde vrije hoogte, dan wil dit zeggen dat binnen deze ruimte geen bouwdelen voorkomen waarvan de verticale afstand tot de eronder gelegen vloer of het maaiveld kleiner is dan deze maat.
Een vluchtroute moet voldoende vrije breedte en vrije hoogte hebben zodat mensen in het gebouw bij brand een veilige plaats kunnen bereiken. De vrije doorgang van vluchtroutes verschilt per functie; voor woonfuncties en publieke ruimtes gelden specifieke afmetingen. Op een vluchtroute in een wegtunnel langer dan 250 m moet de vrije breedte 1,2 m (bestaande bouw 0,7 m) en de vrije hoogte 2,1 m (bestaande bouw 1,9 m) zijn. De vrije hoogte van de vrije doorgang moet minimaal 2,1 m zijn. Een rolstoelgebruiker moet kunnen keren. Voor iedere door het BBLe voorgeschreven toiletruimte geldt een vrije breedte van minimaal 0,85 m. Ook een doorgang van een voorgeschreven badruimte moet een vrije doorgang hebben met een breedte van minimaal 0,85 m. Het BBLe stelt geen eisen aan de vrije doorgangen binnen de badruimte.

De regels voor vluchtroutes in de gebruiksfase bevatten daarnaast toezicht door gemeente of brandweer. Sinds 1 juli 2024 gelden strengere regels voor het vrijhouden van vluchtroutes in woongebouwen. Meubilair, decoratie van brandbaar materiaal en opslag in vluchtroutes is niet langer toegestaan. Voor bepaalde functies geldt een gebruiksmelding (art. 6.1.2) waarbij de eigenaar vooraf gegevens moet aanleveren over vluchtroutes en brandveiligheidsvoorzieningen. Tijdens de gebruiksfase voert de gemeente of brandweer inspecties uit, waarbij onder andere de vluchtroutes, compartimentering en noodverlichting worden gecontroleerd. Uiteindelijk blijven eigenaren en VvEâs verantwoordelijk voor het brandveilig beheer van hun gebouw.
Met een bouwplantoetsing brandveiligheid van HBA wordt getoetst of het ontwerp aan alle eisen voldoet, zodat er aanpassingen gemaakt kunnen worden voor de aanvraag van de bouwvergunning. Verbouw is het gedeeltelijk vernieuwen, veranderen of het vergroten van een bouwwerk. Volgens artikel 5.20 lid 1 geldt voor thermische isolatie het rechtens verkregen niveau (*), met als ondergrens Rc = 1,4 m2K/W. Bij het vernieuwen of vervangen van ramen, deuren en kozijnen geldt een U-waarde van ten hoogste 2,2 W/m2.K. Een renovatie is een ingrijpende renovatie als u meer dan 25% van de oppervlakte van de gebouwschil verandert, en de verandering op de integrale gebouwschil moet plaatsvinden.
Per 10 maart 2020 is de herziene EPBD III ingevoerd in de Nederlandse wet- en regelgeving. De nieuwe eisen gelden voor technische bouwsystemen in bestaande en nieuwe gebouwen. Bij bestaande systemen kan een opwekker, ventilatie-eenheid of een derde van de afgifte-eenheden worden geïnstalleerd, vervangen of verbeterd. Een landelijk hulpmiddel is de wetchecker energiebesparing die snel inzicht geeft in wettelijke plichten.

In hoofdstuk 6 (Gebruik van bouwwerken), afdeling 6.2 (Brandveiligheid), van het BBLe staan 2 artikelen die eisen stellen aan het brandveilig gebruik van vluchtroutes in een gemeenschappelijke verkeersruimte in woongebouwen. Objecten die geplaatst zijn in gemeenschappelijke ruimten kunnen brandgevaarlijk zijn; hierdoor wil men vermijden dat brandbevorderende voorwerpen de vluchtroutes blokkeren. Voor nieuwbouwwoningen is de verplichte buitenberging beschreven in artikel 4.171 BBLe, ook bedoeld voor scootmobielen. Het gelijkwaardigheidsprincipe kan soms een oplossing bieden om scootmobielen met extra brandveiligheidsmaatregelen toch in de gemeenschappelijke vluchtroute te stallen. In een gemeenschappelijke verkeersruimte van een woongebouw met een vluchtroute mogen geen brandgevaarlijke objecten staan; decoratie zoals deurmatten en kleine schilderijen zijn toegestaan zolang er voldoende breedte overblijft. De regels 6.15a en 6.23a vormen een nadere uitwerking van artikel 6.4 BBLe en benadrukken de zorgplicht om vluchtwegen vrij te houden.
tags: #extra #beschermde #vluchtroute #verbouw