Romeinen waren meesters in de bouwkunst. Niet alleen bij gebouwen: ook in de wegenbouw blonken ze uit. Ze legden bruggen, dammen en tunnels aan, schijnbaar met het grootste gemak. Romeinen hadden een solide fundering, een verhard wegdek en een greppel langs de kanten voor de afwatering, zodat de weg altijd goed begaanbaar was. De Romeinen legden de wegen in eerste instantie aan voor het leger, zodat legioenen zich snel konden verplaatsen. Een getrainde soldaat kon, met volle bepakking, dagelijks 25 tot 30 kilometer marcheren. Als het moest zelfs 40 kilometer: erg snel voor die tijd! De wegen werden ook gebruikt door koeriers te paard. Zij brachten belangrijke berichten naar de gouverneurs en legerofficieren. Ook burgers en kooplieden maakten dankbaar gebruik van het Romeinse wegennetwerk. De wegen verbonden alle belangrijke plaatsen in het Romeinse Rijk en boden een snelle, veilige en relatief comfortabele manier van reizen.
Romeinse ingenieurskunstSommige doorgaande wegen uit de Romeinse tijd zijn ‐ met een aantal aanpassingen - nog steeds in gebruik. De meeste Romeinse wegen zijn echter in de Middeleeuwen in verval geraakt, omdat reizen over land te gevaarlijk werd. Pas rond het jaar 1800 was het wegennet in Europa weer even uitgebreid als in de Romeinse tijd. Zo’n twintig jaar geleden was nog maar een handjevol sporen van Romeinse wegen in Nederland bekend. De laatste tien jaar is het aantal teruggevonden wegen echter explosief toegenomen. De vondst van de limesweg in de Leidsche Rijn en de vier mijlpalen in het Wateringse Veld haalden zelfs de internationale pers. Wat echter tot nu toe ontbreekt, is een overzicht van alle vondsten en hun betekenis voor het Romeinse wegennet in Nederland. Dit artikel poogt daartoe een eerste aanzet te geven.
Na een korte beschouwing over Romeinse wegen in het algemeen, zoomen we in op de infrastructuur in Romeins Nederland en de belangrijkste archeologische bevindingen op dit gebied. We zullen daarbij ook een poging wagen om iets te zeggen over datering, uiterlijk en materiaalgebruik van de wegen.
Wegen: soorten en functies Allereerst moeten we ons de vraag stellen: wat zijn nu eigenlijk Romeinse wegen? Met een beetje overdrijven zou je tussen alle nederzettingen uit de Romeinse tijd een lijn kunnen trekken, want ongetwijfeld liep overal minimaal een pad. Veel van die paden zullen een voorloper hebben gehad uit de ijzertijd, want bij hun komst in 19 voor Christus zullen de Romeinen hier geen compleet leeg land hebben aangetroffen. En dat geldt niet alleen voor paden tussen individuele nederzettingen, maar ook voor doorgaande handelsroutes. De Romeinen waren zelf niet helemaal duidelijk in hun indeling van wegen. Ze maakten onderscheid tussen verschillende soorten wegen, maar dat onderscheid is niet altijd even helder en consequent.
De via publica is vergelijkbaar met onze openbare weg. Deze werd aangelegd door de staat en kon door iedereen worden gebruikt. Daartegenover staat de via privata, de privé-weg. Net zoals nu kwamen die vaak voor op het platteland, met name op de privéterreinen van de grote landbouwbedrijven. Een ander onderscheid dat de Romeinen maakten, was dat naar functie. Zo kenden zij de via militaris (die altijd openbaar was), de via urbanis (stadsstraat), de via vicinalis (dorpsweg), de via rustica (landweg) en de via agraria (veldweg).
Dat onderscheid vertaalt zich vaak ook in het uiterlijk van de wegen. Dorps-, land- en veldwegen waren meestal onverhard. Doorgaande wegen hadden echter meestal een vorm van verharding en/of fundament. Verder discussie over de definitie van Romeinse wegen valt buiten de strekking van dit artikel. We volstaan met de mededeling dat we ons concentreren op de ‘snelwegen’ die de Romeinen aanlegden en die ook historische en archeologische sporen hebben nagelaten.
Geschiedenis wegenbouw Als we naar de geschiedenis van de Romeinse wegenbouw in Nederland kijken, nemen we aan dat de ontwikkeling van het wegenstelsel parallel loopt met het ontstaan van de limes. Daarbij kunnen we verschillende fasen onderscheiden. De eerste wegenaanleg in Noord-Gallië - althans uit historische bronnen bekend - stamt uit de tijd dat Marcus Agrippa voor de tweede keer stadhouder was van Gallië (circa 19 voor Christus). Hij liet vanuit Lyon vier doorgaande wegen aanleggen, waaronder een weg via Trier naar de Rijn bij Keulen.
Een tweede fase valt samen met de limesactiviteiten van Claudius rond het midden van de eerste eeuw. Getuigenissen hiervan zijn onder andere een mijlpaal in Koblenz en de stichting van Colonia Claudia Ara Agrippinensium (Keulen). De derde fase bestaat uit het omvormen van Neder-Germanië van een militaire zone tot een officiële provincie door Domitianus in het vierde kwart van de eerste eeuw, mogelijk het jaar 89. De vierde fase betreft de reorganisatie van Neder-Germanië onder keizer Traianus (circa 99-100). Uit die periode stammen ook de oudste twee mijlpalen van Neder-Germanië, niet toevallig gevonden in Nijmegen en Xanten.
Er is dan ook een duidelijke band met de stadsverheffing van Nijmegen en Xanten rond dat jaar. Ongeveer dezelfde situatie vinden we terug in West-Nederland, waar de stadsverheffing van Forum Hadriani overeenkomt met de oudste van de vier gevonden mijlpalen in Den Haag (Antoninus Pius, 151). Voor zover we mijlpalen kunnen aanmerken als datering voor onderhoud aan wegen, mogen we veronderstellen dat ook de keizers Marcus Aurelius (162), Caracalla (212-213), Gordianus (242-244) en Decius (250) hun steentje hebben bijgedragen aan de verbetering van de infrastructuur in het westen van de provincie Neder-Germanië.
Heel anders is de situatie in het uiterste zuiden van ons land. Twee in Zuid-Limburg gevonden mijlpalen dateren uit de tijd van Constantijn de Grote (310-315) en zijn geplaatst langs de belangrijke weg Keulen-Tongeren. Ze vertegenwoordigen een laatste grote fase van wegenonderhoud in onze streken. De limesweg langs de Rijn functioneerde toen niet of nauwelijks meer en de aandacht van de Romeinen richtte zich vooral op landinwaarts gelegen wegen en waterwegen.
Peutingerkaart Voor de locatie van de verschillende wegen kunnen we gebruik maken van andere historische bronnen: de Peutingerkaart (Tabula Peutingeriana), het Reisboek van Antoninus (Itinerarium Antonini) en de Kosmografie van Ravenna (Cosmographia Ravennatis). De Peutingerkaart en het Reisboek van Antoninus hebben waarschijnlijk dezelfde bron: een wereldkaart die keizer Caracalla heeft laten maken, gebaseerd op en in navolging van de beroemde wereldkaart van Augustus in de Porticus Vipsania op het Marsveld in Rome. De Kosmografie van Ravenna is waarschijnlijk pas geschreven in de zevende eeuw.
De drie bronnen tonen eensgezind het bestaan van een weg op de zuidoever van de Rijn. Omdat dit gedeelte van de Rijn bijna vier eeuwen lang ook de grens (limes) van het Romeinse rijk vormde, noemen we de weg gemakshalve de limesweg. Het moge duidelijk zijn dat deze limesweg van groot belang was voor de verdediging van het rijk. De weg verbond de verschillende fortifica-ties met elkaar (legioenplaatsen, castella en wachtposten) en maakte daarmee niet alleen snelle troepenverplaatsing mogelijk, maar ook de bevoorrading van de duizenden hier gelegerde soldaten.
De Peutingerkaart en het Reisboek van Antoninus vermelden allebei de belangrijke, doorgaande weg van de Noordzee bij Boulogne-sur-Mer via Bavay naar de Rijn bij Keulen. De enige plaats die op Nederlands grondgebied wordt genoemd is Coriovallum (Heerlen), tussen Atuatuca Tongrurum (Tongeren) en luliacum (Jülich). Daarnaast toont de Peutingerkaart nog twee andere wegen op Nederlandse bodem: een weg van Tongeren langs de Maas naar Nijmegen (de Maasweg) en een weg van Nijmegen via het binnenland naar Forum Hadriani en de Noordzeekust (de Zuidroute). Het Reisboek van Antoninus meldt daarnaast nog een weg van Xanten naar Heerlen, waar deze aantakt op de al eerder genoemde weg van Tongeren naar Keulen.
We gaan er vanuit dat deze vijf genoemde wegen vanwege hun vermelding ook in de Romeinse tijd een speciale status hadden. Wat die status precies was, is niet geheel duidelijk en valt buiten de strekking van dit artikel. Ook zijn er naast deze vijf genoemde wegen wellicht nog andere wegen die destijds een speciale status hadden, maar niet als zodanig in de geschreven bronnen zijn terechtgekomen.
De Maasweg en Tongeren-Keulen: Snelweg 3 en Snelweg 4 De derde Romeinse snelweg liep van Nijmegen naar Maastricht en was daarmee de Romeinse voorloper van de huidige AJJ. De Maasweg liep voor de wachtpost langs en is archeologisch ook onderzocht. Hij is circa zes meter breed, had twee greppels en bleek al vroeg te zijn aangelegd, namelijk in de eerste decennia van de jaartelling. De weg verharding bestond uit grind en had een breedte van 4 tot 6 meter, met greppels aan weerszijden. De Maasovergang lag mogelijk bij Mook en later bouwden de Romeinen een vaste brug bij Cuijk.
Via Belgica De vierde snelweg op Nederlands grondgebied is redelijk goed gedocumenteerd: de Via Belgica. Deze weg verbond Keulen met Boulogne-sur-Mer en liep door het zuiden van Nederland langs Maastricht en Tongeren. De weg is meestal zichtbaar als een 5-10 meter brede strook met grindverharding; totale breedte tot 20-40 meter.
Xanten-Heerlen Een overige weg volgens de Peutingerkaart loopt van Kanten naar Keulen, via Mediolano, Sablonibus, Mederiacum en Teudurum naar Coriovallum. Het traject op Duitse grondgebied is minder archeologisch onderzocht, maar Pont levert talrijke waarnemingen op die doen vermoeden dat dit tracé via Straelen en Kaldenkirchen zuidwaarts liep.

Deze publicatie bespreekt ook het romantische en soms romantiserende beeld van de Romeinse wegen: de rechte kaarsrechte armen van de groma, de landmeter die rechte assen projecteerde en houten palen gebruikte om de weg te markeren. De Romeinen bouwden hun wegen van nederzetting naar nederzetting, in etappes. Het diepgewortelde idee van kaarsrechte wegen strookt dus niet helemaal met de realiteit; natuurlijke obstakels vereisten soms compromissen.
Hoe de wegen eruit zagen: structuur en verharding De verharding bestond uit grindlagen en een fundament van steen en zand. De onderste laag basaltstenen vormde de stevige basis, met meerdere lagen fijner grind en zand erbovenop. De weg werd langsheen de as gebouwd, vaak met de lengterichting van de weg, en aangelegd met stenen die in een puzzel werden gelegd.
Daarnaast had de Romeinse wegconstructie een duidelijke verbinding met rivieren en havens: rivierschepen maakten het mogelijk lange afstanden te overbruggen, en parallelle havens en oeverversterkingen waren belangrijke elementen voor bevoorrading en transport.
In Nederland: lokale Sporen Romeinse wegen en hedendaagse erfenis De belangrijkste weg was de grensweg (Limes-weg) langs de zuidelijke oever van de Rijn, met verbindingen naar Nijmegen en Maastricht. De middeleeuwse en latere periodes veranderden het landschap, maar veel sporen van de Romeinse wegen zijn bewaard gebleven in archeologische vondsten en in het landschap terug te vinden.

tags: #feitjes #bestrating #rome