Betekenis van het Guernica-wandtapijt en de VN in New York: een zoektocht naar vrede

Een textielversie van het beroemde anti-oorlogsschilderij "Guernica" van Pablo Picasso hangt niet langer bij de VN-Veiligheidsraad in New York.

Het is teruggevraagd door de eigenaar, de familie Rockefeller.

En daar is niet iedereen het mee eens.

Het rauwe meesterwerk "Guernica" van Pablo Picasso uit 1937 is een aanklacht tegen het bombardement door Duitse en Italiaanse fascisten op de Baskische stad Guernica, en bij uitbreiding tegen de waanzin van elke oorlog.

Dat schilderij hangt in het Reina Sofíamuseum in Madrid.

In 1955 werd een wandtapijt van de "Guernica" gemaakt in een Frans atelier, op bestelling van Nelson Rockefeller, zakenman, kunstliefhebber en later gouverneur van New York en Amerikaans vice-president onder Gerald Ford in de jaren 70.

De Rockefellers leenden het wandtapijt uit aan de Verenigde Naties, waar het sinds 1984 een ereplaats kreeg op een muur net buiten de vergaderzaal van de Veiligheidsraad.

Een anti-oorlogswerk vlakbij de ruimte waar zo vaak over wereldconflicten wordt gesproken: kan het nog symbolischer?

Bij de renovatie van het VN-hoofdkwartier was het kunstwerk al eens enkele jaren weggehaald.

Nu gaat het blijkbaar voorgoed terug naar de familie Rockefeller.

De reden daarvoor is niet bekendgemaakt.

De Verenigde Naties onderzoeken of er een ander geschikt kunstwerk in de plaats kan komen.

Vreselijk dat de "Guernica" weg is.

De verdwijning van de "Guernica" lokt kritiek uit.

VN-secretaris-generaal Antonio Guterres zei aan het Amerikaanse CBS-news : "Vreselijk, vreselijk dat het weg is.

We hebben geprobeerd om het hier te houden, maar tevergeefs."

Ook de Hongaarse VN-ambassadrice zegt dat het werk gemist zal worden.

Ontelbaar zijn de foto’s van staatslieden en diplomaten die voor het wandtapijt handen schudden of interviews geven.

In 2003, toen de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Colin Powell in de Veiligheidsraad een toespraak hield over de noodzaak om Irak binnen te vallen, hadden VN-medewerkers een blauw doek over de "Guernica" gehangen.

Volgens sommigen uit protest tegen de oorlogstaal die vloekte met de vredesboodschap van het kunstwerk.

Volgens andere VN-bronnen waren het eigenlijk de vele TV-journalisten die een neutralere achtergrond voor hun interviews wilden.

Hoe dan ook, de "Guernica" van textiel was en is geen eigendom van de Verenigde Naties, maar van de familie Rockefeller.

Diezelfde schatrijke familie schonk indertijd de grond in New York waarop het VN-hoofdkantoor werd gebouwd.

Door de jaren heen hebben de VN wel een eigen kunstcollectie opgebouwd, vooral met giften.

Bijvoorbeeld het grote glasraam "Peace" van Marc Chagall (foto boven), twee muurschilderingen van Fernand Léger, een bronzen kunstwerk van Barbara Hepworth, een revolver met een knoop in de loop van de Zweed Carl Fredrik Reuterswärd, een cadeau van Luxemburg (foto onder).

Veel werken in de eigen collectie hebben een pacifistische boodschap.

Neem nu de "stille ruimte" in de VN, een initiatief van secretaris-generaal Dag Hammarskjöld, die in 1961 op weg naar vredesgesprekken over Congo om het leven kwam in een nog altijd onopgehelderde vliegtuigcrash.

In 1958 werd er voor het eerst na de Tweede Wereldoorlog weer een wereldtentoonstelling gehouden.

Het Atomium in Brussel herinnert nog aan deze gebeurtenis.

De keuze voor dit symbolische bouwwerk was vol betekenis: de oorlog was geëindigd met de vernietigende kracht van atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, maar atoomkracht voor vreedzame doelen had de toekomst.

Dat was een optimistische gedachte, middenin de Koude Oorlog.”Atomen voor vrede” was het thema van de wereldtentoonstelling.

De paviljoenen van de twee kernmachten Verenigde Staten en Sovjet-Unie lagen tegenover elkaar, zodat de bezoekers konden vergelijken waar de supermachten naartoe wilden.

De Amerikanen wilden vooral laten zien dat kapitalisme niet iets negatiefs was en dat ze afscheid hadden genomen van racisme.

De Sovjets toonden een ontwerp van een met kernenergie aangedreven ijsbreker en een replica van een Spoetnik, een publiekstrekker aan het begin van het ruimtevaarttijdperk.

Prijs.

De Sovjets hadden een wedstrijd uitgeschreven voor een beeld bij hun paviljoen.

Van de honderd inzendingen werd ”Zwaarden tot ploegscharen” van Vuchetich uitgekozen.

Een goede keuze, want het ontwerp paste in het thema van de wereldtentoonstelling en kreeg van de organisatoren van de Expo 58 een prijs.

Het is niet bekend hoe de leiders van de Sovjet-Unie aankeken tegen de herkomst van het ontwerp en hoe de kunstenaar op het idee kwam om een Bijbeltekst te verbeelden.

Vuchetich werd in 1908 geboren en het kan zijn dat hij, net als de communistische partijleider Nikita Chroesjtsjov, als kind met de Bijbel was opgegroeid.

Chroesjtsjov schonk het beeld in 1959 aan de Verenigde Naties.

Droom.

VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld zei een jaar later bij de onthulling van het beeld: „De aloude droom van de mensheid, die in de woorden van Jesaja weerklinkt en die door dit beeld worden gesymboliseerd, is de droom die ook de inspiratiebron is van het handvest van de VN.”

Hammarskjöld noemde de naam van de profeet zonder enige terughoudendheid.

De tekst Jesaja 2:4 werd later in een granieten muur gegraveerd, in een vredespark tegenover het beeld.

Pas in 1975 werd de naam van de oorspronkelijke schrijver van de tekst, de profeet Jesaja, toegevoegd.

Misbruik.

De tekst in Jesaja, herhaald door de profeet Micha, spreekt tot de verbeelding van de mensheid.

Een afbeelding van het kunstwerk van Vuchetich is dan ook vaak gebruikt in vredesdemonstraties.

Maar daarmee werd het wel helemaal uit de context gehaald.

De VN-secretaris-generaal verwees nog naar Jesaja, maar interpreteerde de tekst als een opdracht die de Verenigde Naties moesten uitvoeren.

Werken aan vrede is op zich een lovenswaardige zaak, maar Jesaja maakte duidelijk dat de vervulling van het omsmeden van zwaarden tot landbouwwerktuigen alleen door ingrijpen van God zou lukken.

Voorafgaand aan zijn bekende tekst over het omsmeden van zwaarden schreef Jesaja: „Uit Sion zal de wet uitgaan, en des Heeren woord uit Jeruzalem. En Hij zal rechten onder de heidenen, en bestraffen vele volken.”

Vervulling.

De recente geschiedenis maakt duidelijk dat het streven van de Verenigde Naties tot mislukken was gedoemd.

De in 1975 beëindigde Vietnamoorlog en de gevechten in Nigeria (Biafra), Bangladesh en Congo kostten miljoenen mensen het leven, terwijl de lijst van oorlogen met honderdduizenden burgerslachtoffers nog langer is.

Oorlog wordt nog steeds overal op aarde geleerd en de wapenindustrie zit met overvolle orderportefeuilles.

Zonder de Heere zal de droom van vrede niet in vervulling gaan.

Volgens de Amerikaanse Christian Post wezen de eerste signalen erop dat het beeld zou zijn verwijderd vanwege klachten van bezoekers.

Woordvoerder Stéphane Dujarric legt echter uit dat de tentoonstelling van het beeld tijdelijk was en dat het beeld daarom nu weer verwijderd is.

"Het beeld waar jullie op doelen betrof een tijdelijke tentoonstelling, georganiseerd door de Permanent Mission of Mexico.

Zoals gepland is het beeld op 20 december weer verwijderd", aldus Dujarric.

Er ontstond begin november de nodige consternatie over de plaatsing van het beeld, onder met name conservatieve christenen.

Het beeld bleek namelijk in verband te staan met verschillende Bijbelteksten.

In Daniël 7:2-4 wordt bijvoorbeeld het beeld geschetst van een beest met het lichaam van een leeuw en de vleugels van aan adelaar, die een antichristelijke macht representeert.

Het beest uit Openbaring 13:2 dat macht ontvangt uit handen van satan werd ook met het beeld geassocieerd.

Datzelfde geldt voor 1 Thessalonicenzen 5:3, waar te lezen is dat mensen aan het einde der tijden zullen zeggen: "Er is vrede en veiligheid", om vervolgens door 'vernietiging overvallen te zullen worden'.

Het beeld betrof een cadeau van de overheid van Oaxaca, Mexico, aan de VN.

Het beeld van het half jaguar, half adelaar staat daar bekend als een Alebrije, een mythisch wezen uit de Oaxaca folklore.

Het beeld werd door de Mexicaanse kunstenaars Jacobo en Maria Angeles gemaakt.

Het 'eindtijdbeeld' werd onlangs besproken in de CIP Podcast.

In 2010 bezocht ik Syrië, een lang gekoesterde droomreis naar de bakermat van de beschaving.

Dat klinkt nu misschien vreemd, maar ik heb het over de vooroorlogse periode, toen het woord ‘Syrië-ganger’ nog niet bestond.

Het was een reis naar een land dat ik vooral kende uit geschiedenisverhalen en uit de zoete dichtregels van de Syrische poëet Nizar Qabbani.

De romantische sukkel in mij wilde dan voor even vergeten dat in Damascus een dictator zetelde.

Ik woon inmiddels meer dan tien jaar aan de westkant van Kralingen, binnen de zogenoemde brandgrens, het gedeelte van Rotterdam dat door de Duitse brandbommen werd verwoest.

De brandgrens wordt tegenwoordig afgebakend door zwart-rode tegels met daarop een silhouet van het beeld De verwoeste stad van Zadkine, een Heinkel-bommenwerper en een verwoest pand, tegen de achtergrond van grote vlammen.

De straatnamen in mijn buurt zijn vernoemd naar lokale verzetsstrijders.

Sommige straatnaamborden vermelden in kleinere letters dat deze strijders werden geëxecuteerd vanwege sabotageacties of moordaanslagen op de Duitse bezetters en hun collaborateurs.

Berucht is de massa-executie aan de voet van de Oostzeedijk, vlak voor de Sint-Lambertuskerk in april 1945, waarbij twintig verzetsmensen werden gefusilleerd - een wraakactie van de Duitsers na de moord op een collaborerende politieagent, die lid van de SS bleek te zijn.

Wandelend door de wijk probeer ik me een voorstelling te maken van het moment dat de bommenwerpers van de Luftwaffe boven de stad vlogen.

Dat is niet zo moeilijk.

Henk Hofland, die as jonge tiener in dezelfde wijk woonde, beschreef beeldend hoe hij het bombardement beleefde.

De Duitse bom die op een huis verderop in zijn straat viel veroorzaakte zo’n schokgolf dat zijn vader hem en zijn moeder uit de kelder schreeuwde.

In de open lucht keek hij vervolgens naar de angstaanjagende zwerm Heinkels, traag en laag vliegend, of in de woorden van Hofland: ‘alsof ze een luchtwandeling maakten’.

's Nachts zag hij de binnenstad branden.

Het bombardement was niets minder dan een ‘gigantische oorlogsmisdaad’, zou hij later zeggen.

Grote terreur.

Een wereld die in een kwartier tijd verdween, en daarmee het einde van Hoflands jeugd, zonder dat hij het op dat moment wist natuurlijk.

In de weken na het bombardement deed hij dan ook wat kinderen in al hun onschuld nou eenmaal niet kunnen nalaten: spelen tussen het puin.

Misschien dat hij daarom zo’n scherp oog had voor wat hij de ‘relatieve kleinigheden’ noemde; de grote speelgoedwinkel die in vlammen opging, tegelijk met zoveel verjaardagswensen en kinderdromen.

De gewonde huisdieren die na het bombardement werden afgemaakt.

Met deze voorbeelden van de ‘kleine terreur’ wordt de grote misdaad duidelijker, aldus Hofland.

Negen dagen na het verwoestende bombardement op de binnenstad van Rotterdam.

Ongeveer een jaar na mijn Syrië-reis, in 2011, begonnen op verschillende plaatsen de burgerlijke protesten tegen het dictatoriale regime, in navolging van de ontluikende Arabische lente in Noord-Afrika.

Wie de moderne geschiedenis van Syrië kende wist dat de revolutie onmogelijk geweldloos kon eindigen.

In 1982 werd de Syrische stad Hama met de grond gelijkgemaakt toen fundamentalisten daar een opstand begonnen tegen het regime van Hafez al-Assad.

Zijn opvolger, zoon Bashar al-Assad, had het draaiboek kennelijk nog in het presidentiële paleis liggen, want de protesten in 2011 werden eveneens bloedig neergeslagen.

Op het hoogtepunt van de Syrische oorlog, of beter gezegd dieptepunt, werd Aleppo zwaar belegerd door het leger van Assad, met steun van de Russische luchtmacht.

De nietsontziende bombardementen, een beproefde Russische tactiek, verwoestten de eeuwenoude en roemruchte stad.

Onvergetelijk zijn de uitgebrande stadsbussen die verticaal werden opgesteld, als barricade om burgers te beschermen tegen sluipschutters.

Bij de uiteindelijke omsingeling van het rebellenbolwerk werd ook uithongering als oorlogstactiek ingezet.

Als we het hebben over getuige worden van een gebeurtenis waar je niet bij bent geweest, dan kunnen we niet om de documentaire For Sama heen.

In deze ultieme oorlogsgetuigenis toont burgerjournalist Waad al-Kateab hoe zij vijf jaar lang de gebeurtenissen in haar thuisstad Aleppo beleefde.

Ze was erbij als studente toen de vreedzame en hoopvolle protesten begonnen, en ze bleef in Aleppo toen het geweld escaleerde.

Tijdens de belegering trouwde Waad met haar boezemvriend, een chirurg, en samen kregen ze een dochtertje, Sama geheten, Arabisch voor ‘hemel’.

Een ‘verlangen naar een hemel zonder gevechtsvliegtuigen, zonder bombardementen’, aldus Waad, terwijl ze zich schuilhielden in het ziekenhuis dat doelwit werd van bombardementen.

De ongecensureerde beelden van gedode burgers, gewonde kinderen en huilende moeders die voorbij komen gaan door merg en been.

Terug naar Rotterdam.

In december 2016, toen Aleppo op het punt stond om in handen te vallen van het regeringsleger, verzamelden zich zo’n driehonderd mensen, voornamelijk Syrische vluchtelingen, bij het standbeeld De verwoeste stad van de Frans-Wit-Russische beeldhouwer Ossip Zadkine voor een wake.

Ik was daar die avond, op Plein 1940, bij deze geïmproviseerde bijeenkomst.

Mensen legden kaarsjes neer aan de voet van het beeld, er werden toespraken gehouden, er klonk gezang.

Maar alles ten spijt heerste er een sfeer van verdriet en verslagenheid.

De aanwezigheid van de vlaggen van het Vrije Syrische Leger moest de wanhoop maskeren.

Met de aanstaande val van Aleppo doofde ook het vuur van de revolutie.

Iedereen zoekt erkenning voor leed, historisch en hedendaags, en 4 mei wordt doorgaans gebruikt als een soort breekijzer om de broodnodige aandacht te vragen voor de doden die over het hoofd worden gezien.

Maar is de Dodenherdenking wel de gelegenheid om dat te doen?

In een hoofdstuk uit zijn boek Achteruitkijkspiegels: Essays over het verleden in het heden uit 2021 reflecteert wijlen Ben van der Velden op de Nederlandse herdenkingscultuur rond de Dodenherdenking.

De in Rotterdam geboren oud-correspondent van de NRC beschrijft de inhoudelijke verandering van 4 mei, van het herdenken van militairen en verzetshelden naar vooral slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.

Hij constateert vervolgens tegenwoordig in Nederland ‘een permanente behoefte aan discussie over de vraag waarover de jaarlijkse Dodenherdenking precies gaat’.

Schrijver Robert Vuijsje vreest al jaren de ‘ontjoodsing’ van 4 mei.

Waar joden ooit een aanzienlijke minderheid vormden, moeten zij nu de minderheidsstatus delen met andere minderheden.

Erger nog, constateert Vuijsje, joden worden inmiddels zelfs beschouwd als onderdeel van de dominante bevolkingsgroep.

Dat hadden zijn grootouders eens moeten weten, minder dan een eeuw geleden.

Een aantal jaren geleden kwam ik in een commentaar in De Groene Amsterdammer over de rituele discussie rond de Dodenherdenking zelf min of meer tot dezelfde conclusie.

In een catch all-herdenking verliest 4 mei aan inhoudelijke betekenis.

Waarbij overigens de vraag opgeworpen kan worden wie die betekenis dan inhoud geeft.

De Dodenherdenking is ooit in het leven geroepen in een land dat qua demografische samenstelling enigszins overzichtelijk was, met een gedeeld referentiekader.

Opeenvolgende generaties kregen de woorden ‘nooit meer’ mee als de ultieme les van de oorlog, als morale opdracht.

Maar nu vraagt een nieuwe generatie zich af: als we de doden elders niet herdenken, als we geen parallellen naar het heden mogen trekken, wat is dan het nut van die historische les?

Ik vermoed dat de Dodenherdenking een heikele kwestie blijft en niemand ooit meer geheel tevreden zal zijn met de invulling van die vierde mei.

Waar de geïndustrialiseerde Duitse moord op de joden uniek is, kun je dat van de Duitse bombardementen niet zeggen.

De Duitsers waren wel de eersten die met bommenwerpers dichtbevolkte steden platgooiden om de vijand op de knieën te dwingen.

In 1937 voerde de Luftwaffe deze oorlogstactiek uit op de eeuwenoude Baskische stad Guernica tijdens de Spaanse Burgeroorlog.

Dat bombardement bleek een oefening voor het grotere werk tijdens de Tweede Wereldoorlog, twee jaar later.

In 1939 was de Poolse hoofdstad Warschau aan de beurt.

Het is waar dat oorlog technologie baart en technologie oorlog.

Dat maakt het icoon van de brandgrenstegel in Rotterdam zo sterk: iedereen kan zich een voorstelling maken van de bommenwerper, de brandende huizen en de ten hemel geheven wanhopige armen van Zadkine’s beeld.

En ik denk dat ik mede daarom de Syrische wake bij het beeld van Zadkine in 2016 zo ontroerend vond.

Syrische vluchtelingen, soms maar net aangekomen in Rotterdam, voelden zich daar geborgen.

Niemand vond de bijeenkomst ongepast.

Het leek zo bedoeld.

Dichter J.C. van Schagen, die in een kelder van het Rotterdamse stadhuis voor het Duitse bombardement schuilde, schreef over zijn ervaring: ‘De slagen, de slagen, en dan het donderbreuken van ’t beton, de gronden golven en we zijn opeens allemaal vleermuizen - een opgedrongen drom zwarte vleermuizen in kalkmist.’

Het zijn regels die je moeiteloos bij hedendaagse bombardementen kunt herhalen.

De sculptuur van Zadkine, die hij ‘met tranen boetseerde’, had dan ook in elke verwoeste stad kunnen staan.

Het abrupte verlies van mensenlevens is natuurlijk de grootste tragedie in een oorlog.

Maar voor de vele overlevenden begint de tragiek dan pas: het verdriet als nabestaanden van hun dierbaren, het trauma getuige te zijn geweest van dood en verderf, niet zelden gepaard gaande met survivor’s guilt.

Maar ook: het verlies van de vertrouwde omgeving, fysieke ruimtes waar levens zijn gevormd.

De ‘stad zonder hart’, zoals het beeld van Zadkine symboliseert, gaat zowel over de weggevaagde binnenstad als over de verdwenen ‘ankerpunten’ die de bewoners met elkaar verbonden.

Een sociaal weefsel wordt in één klap uiteengerukt.

De speciale VN-rapporteur voor Huisvesting Balakrishnan Rajagopal schreef eerder dit jaar een artikel in The New York Times over het woord ‘domicide’.

De term is een samentrekking van de Latijnse woorden domus (huis) en cide (van caedere, doden) en duidt op het moedwillig vernietigen van huis en haard.

Met het verwoesten van huizen en publieke gebouwen worden niet alleen mensen gedood en verwond, maar gaan ook tastbare herinneringen in rook op.

Ruimtes waar levensgebeurtenissen als geboorte, huwelijk en dood plaatsvinden, waar vriendschappen worden gesmeed en intieme relaties aangegaan, waar tradities in leven...

Informatiekaart over het VN-hoofdkwartier en de kunstcollectie

In de tuin van het gebouw de Verenigde Naties in New York staat het beeld van een man die een zwaard omsmeedt tot een ploegschaar.

Het beeld is in 1958 geschonken door de toenmalige Sovjet Unie aan de VN.

Het beeld staat symbool voor het einde van geweld en het begin van de wereldvrede.

Daarvoor is de Verenigde Naties in het leven geroepen.

Acht eeuwen voor Christus is deze droom tot stand gekomen.

Profeet Jesaja ziet dat de mensen hun God kwijt zijn geraakt.

Zij gebruiken geweld, plunderen andere volken en vereren afgoden.

En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën.

Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.

Een wereldwijde gerechtigheid en een einde van het geweld is nu verder weg dan ooit.

Het overgrote deel van de wereldbevolking gaat gebukt onder religieuze discriminatie en sektarisch geweld.

Zo gaat het niet goed met de tolerantie tegenover Joden in Europa.

Het aantal gewelddaden tegenover Joden en Joodse instellingen is vorig jaar met 40 procent gestegen.

Het aantal uitingen van antisemitisme is vooral in België en Frankrijk toegenomen, met als dieptepunt de terroristische aanslagen.

Bij de terreuraanslag vorig jaar bij een Joods Museum in Brussel vielen vier doden.

De aanslagen hebben geleid tot een toename van de moslimdiscriminatie.

In Nederland heeft afgelopen jaren meer dan 40 procent van de moskeeën last gehad van uitingen van geweld.

Het geweld tegen moslims is even verwerpelijk als het jihadistische terrorisme.

Geen enkele vorm van geweld tegen anderen is gerechtvaardigd.

Alleen overheden hebben het geweldsmonopolie, maar dat geweld geldt enkel voor het handhaven van het recht.

Wie naar het zwaard grijpt, zal door het zwaard omkomen.

tags: #gebouw #verenigde #naties #new #york #spreuk