Installatiegeluid: een aspect dat niet vergeten mag worden binnen de ontwikkeling en realisatie van woongebouwen. Klachten liggen op de loer, maar hoe meet je zoiets? Met de komst van de Wet kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vindt er een accentverschuiving plaats van een toets op papier bij de aanvraag omgevingsvergunning, naar het voldoen van de gerealiseerde situatie bij gereedmelding. Zijn er wettelijke kaders en dekken deze de hinder wel? Welke afspraken zijn er over meetmethodieken, meetmiddelen en instellingen van de installatie? In dit artikel wordt hier nader op ingegaan.
Wettelijke kaders en de ultimatie van installatielawaai
Gelukkig, er is wetgeving omtrent het toelaatbaar installatiegeluidsniveau in je woon- en slaapkamer. Zonder uitvoerig stil te staan bij de letterlijke wetstekst, geldt een eis van 30 dB(A) in de slaap- en/of woonkamer van de buren. In je eigen woon- en slaapkamer geldt dezelfde eis voor alleen de mechanische voorziening voor luchtverversing, warmteopwekking of warmteterugwinning. In april 2021 is daar nog een eis aan toegevoegd: het geluid van buiten opgestelde installatie voor warmte- of koudeopwekking (airco’s en warmtepompen) mag maximaal 40 dB(A) zijn bij de buren.
Behoort de installatie tot een inrichting, dan gelden er ook nog milieuregels, veelal vallend onder Activiteitenbesluit Milieubeheer. Hierbij kan je denken aan de warmtepomp of luchtbehandeling van een school, op het dak van je appartement, een centrale WKO-installatie in de kelder van het woongebouw dat wordt beheerd door een energieleverancier of de horecagelegenheid in de plint van het woongebouw. Het Activiteitenbesluit stelt een eis aan het gemiddeld geluidsniveau van 35, 30 en 25 dB(A) in respectievelijk dag-, avond-, en nachtperiode voor IN de woning. De geluidseisen op gevels met te openen ramen zijn respectievelijk 50, 45 en 40 dB(A). Optredende piekgeluiden mogen maximaal 20 dB(A) hoger zijn.
Meer en meer wordt duidelijk, dat deze eisen de hinder niet dekken. Met de huidige woningbouwmethodiek, waarbij goede thermische gevels (en daarmee veelal geluidsdichte gevels) toegepast worden, zijn achtergrondgeluidsniveaus lager dan 20 dB(A) meer regel dan uitzondering, ook binnenstedelijk en aan drukke verkeersaders. Installatiegeluiden van 30 dB(A) per installatie of 33 tot 35 dB(A) gezamenlijk zijn dan duidelijk hoorbaar en kunnen daardoor sneller hinderlijk zijn. Echter ook niveaus van 20 dB(A) met fors laagfrequent en/ of tonaal geluid kunnen tot hinder leiden, zeker wanneer ze continu of repeterend in de slaapkamer waarneembaar zijn.
Laagfrequent geluid en tonaal geluid
Voor laagfrequent geluid zijn er richtlijnen, zijnde DIN 45680, de NSG-richtlijn Laagfrequent geluid en de Vercammen-curve. Dit is geen formele wetgeving, maar biedt wel enige houvast in de beoordeling van aanwezigheid en hinderlijkheid van het geluid. Het Bouwbesluit schrijft voor, dat de installatiegeluidmetingen in de woning moeten worden uitgevoerd conform NEN5077:2019 ‘Geluidwering in gebouwen’. Afhankelijk van de grootte van de ruimte wordt het aantal meetpunten gekozen. Nagalmtijd: in kale nog niet opgeleverde woningen is de galm door het ontbreken van stoffering en meubilair hoger dan bij daadwerkelijk gebruik. Deze hoge galm zorgt ook voor toename in het installatiegeluidsniveau tijdens de metingen. Volume: vanwege vrije indeelbaarheid van de woningen (één van de grondbeginselen van het Bouwbesluit) moet gerekend worden naar een ruimte van 25 m3. Voor bronnen met een continue werking (ventilatie en warmtepompen) wordt het installatiegeluid per meetpunt bepaald door het gemiddelde geluidsniveau gedurende de meetperiode. Voor bronnen met een fluctuerend karakter, bijvoorbeeld doorspoelen toilet of liftbewegingen, wordt het installatiegeluid bepaald op basis van maximale geluidsniveau (pieken dus) gedurende de werkingscyclus. De daadwerkelijke bedrijfsstanden/situaties waarin de installatie gemeten moeten worden zijn voorgeschreven in NEN-EN-ISO 16032:2004. De eisen zijn geen gemiddelde over langere etmaalperiode, er is dus geen correctie voor bedrijfsduur. Eventuele hinderlijkheid van het geluid, bijvoorbeeld tonaal geluid, valt eveneens buiten de scope van de beoordelingsmethodiek.
Denk bij tonaal geluid aan geluidsbronnen als jankende tandwielkasten, brommende transformatoren, gierende ventilatoren, bepaalde typen (cross)motoren, modelvliegtuigen, trilapparatuur (betonindustrie) of kettingzagen. Bij installaties behorende tot de gebouwde omgeving kan tonaal geluid bijvoorbeeld afkomstig zijn van een compressor (zie Figuur 1), ventilator, hydrofoor of liftmotor. Voor het geluid van buiten opgestelde warmtepompen/airco’s moet gemeten worden conform Bijlage VIII van het Bouwbesluit. De positie van het beoordelingspunt is gedefinieerd, bijvoorbeeld op 1,5 meter hoogte op de erfgrens en/of 0,5 meter boven de schutting, wanneer deze afscheiding zich op de erfgrens bevindt (mits wel voldoende geluidwerend ingeschat).
Meetkaders en uitvoering
De gebouwde omgeving kent ook bedrijfsstanden, bedrijfsduurcorrectie en toeslag tonaal geluid die onderdeel zijn van de beoordelingsmethodiek ten behoeve van installaties van bedrijven, vallend onder Activiteitenbesluit Milieubeheer. Deze beoordelingsmethodiek is omschreven in de Handreiking Meten en Rekenen industrielawaai HMRI1999. Metingen verrichten om te toetsen aan de ‘standaard’ eisen van het Bouwbesluit en Activiteitenbesluit Milieubeheer is niet heel complex. Dat geldt zeker voor continu in werking zijnde bronnen met installaties die eenvoudig te bedienen zijn. Primaire vereiste is wel een goede geluidsmeter, specifiek zogenaamde klasse 1 meters. Geluidsmeters van een paar tientjes in de bouwmarkt en/ of apps op de telefoon zijn meer geschikt voor hoge luidere niveaus (horeca/ industrie) vanwege hun hoge interne ruisniveau. Daarmee is het niet mogelijk om lage geluidsniveaus (onder de 30-40 dB(A)) te meten. Daarnaast moet de geluidsmeter het geluidspecturm in octaafbanden (of beter nog tertzbanden) registreren, niet alleen de ééngetalswaarde. Getjilp van vogels en geritsel van je jas kan namelijk bepalend zijn voor de ééngetalswaarde, terwijl midden en laagfrequent er geen wijziging zichtbaar is bij het geluid van de installatie.
Samen met een ruisbox (om de nagalmtijd te meten), een nuldrukgecompenseerde flowmeter (om het debiet per ventilatierooster te meten) en laserafstandmeter (om de ruimtafmetingen te bepalen) is de meettechnicus bepakt en bezakt onderweg. Het is een inkoppertje, maar uiteraard moet de installatie goed ingeregeld zijn en de bouwkundige constructie nagenoeg gereed zijn. Stilte is gewenst om verstoring van de meting te voorkomen. Oplevermetingen voor continue bronnen binnen de eigen woning, waaronder ventilatie en koeling, vinden dan ook vaak net na bouwtijd plaats. Bij projecten liggend aan een drukke verkeersaders wordt er net na de avondspits gemeten. Maar voor bronnen met een fluctuerend karakter is stilte een nog grotere must.

Ook voor metingen aan de geluiduitstraling buiten de woning zijn deze werktijden geen uitzondering: overdag is het immers al snel hoger dan 40 dB(A), zeker (hooggelegen) meetlocaties in de drukke binnenstad. Rustig en droog weer is daarbij noodzaak: klapperende bouwzeilen en waterdruppels op de raamdorpels verstoren de meting. Dat zijn externe factoren die een rol spelen. De meettechnicus zelf moet ook voorzorgsmaatregelen treffen: de kleding die gedragen wordt mag niet kraken/schuren en een gevulde buik is welkom….
Maar wat te doen als het achtergrondgeluid wel van tijd tot tijd te hoog is? Of de installatie niet eenvoudig te bedienen is en bij bedrijfsstanden tussen uit en maximaal, juist verhoogde geluidsproductie geeft? Door dit spectraal te doen is veelal goed het verschil met optredende achtergrondgeluid zichtbaar en is het daadwerkelijke installatiegeluid niveaus te bepalen op basis van statistiek. Ook is daarmee goed in te schatten hoe hinderlijk het geluid ervaren kan worden. Bij zeer specifieke tonen kan met specialistische apparatuur zelfs overgeschakeld worden naar FFT-analyse van het geluidsdrukniveau of zijn met opnames de audio-fragmenten ook achteraf nog te analyseren. Niet alle klasse 1 geluidsmeetsystemen zijn voorzien/ uit te rusten met deze aanvullende software.
Niet onbelangrijk te vernoemen is, dat de installatie wel ingeregeld moet zijn en ingeschakeld moet kunnen worden tijdens de testen. Zeker met de huidige vernuftige aansturing van de installaties is een deskundig installateur op locatie wel wenselijk om de installatie representatief in werking te stellen. De CO2 gestuurde ventilatie-installaties met zone-sturing is daar een mooi voorbeeld van: bij weinig CO2 in de woning komt deze tijdens oplevering niet eenvoudig in hoogstand: de unit moet dus via de software ingesteld worden. Het wordt nog complexer als er wel voldaan wordt aan eisen en er toch hinder ondervonden wordt. In dat geval is het van primair belang om een zeer goede ‘vingerafdruk’ van het optredende geluid bij de gehinderde te registreren in de tijd, zodat bijzondere verschijnselen in de installatiestand(en) worden waargenomen en in detail (tertzband of zelfs FFT) tonen te kunnen herkennen.
< tagimg>Meetapparatuur op locatieCasussen, oorzaken en vervolgstappen
Zeker wanneer de installatie uit verschillende draaiende apparaten is opgebouwd is dit aan de orde. Bijvoorbeeld bij casussen met hinder/overschrijdingen in een slaapkamer tegen/boven een centrale WKO-installatie aan, wijst een ieder veelal primair naar de grote warmtepomp/koelmachine. Die maakt immers het meeste geluid. De oorzaak kan echter ook zitten in een gelijktijdig in werking zijnde distributie-pompje(s)die zijn opgenomen in het leidingwerk, dat op zijn beurt aan de bouwkundige constructie gemonteerd is. Trillingen van dit pompje kunnen via het leidingwerk overgedragen worden aan de bouwkundige constructie, die deze dan weer als geluid afstraalt.
Wanneer hinderveroorzakende bronnen gedetecteerd zijn begint de volgende uitdaging: is de geluidshinder het gevolg van luchtgeluid door de directe scheidingsconstructie, flankerend geluid via gevels, omloopgeluid buitenom, trillingen of geluid via of opgewekt in het kanaalwerk/leidingen zelf? Om daar achter te komen is een auto vol meetapparatuur nodig (zie Foto 4), bestaande uit geluids- en trillingssensoren die gelijktijdig kunnen registreren, ruisboxen en shakers, debietmeters, flow- en drukmeters. Bij casussen met geluidshinder/overschrijdingen in een slaapkamer tegen of boven bijvoorbeeld een centrale WKO- of Aquathermie-installatie (op foto een installatie voor Thermische Energie uit Oppervlaktewater (TEO)), wijst een ieder veelal eerst naar de installatie. De oorzaak kan echter ook een gelijktijdig in werking zijnde distributie-pompje(s) zijn die is opgenomen in het leidingwerk, dat op zijn beurt aan de bouwkundige constructie gemonteerd is.
Neem vooral tijd en zorg voor rust tijdens de (onderzoeks)metingen. Dit houdt toch vaak wel in dat de metingen in de late avond-/nachtperiode zijn, iets wat velen vergeten. Wanneer het eindresultaat rondom de eis verwacht wordt is uitwerking van de meetdata van belang. Die uitwerking duurt bij standaard metingen vaak net zo lang als de daadwerkelijke meettijd. Dus direct de ochtend daarna bellen met de vraag of het voldoet is te opportunistisch. Speuren in uitgebreide meetdata om oorzaken en of inschatting van risico op geluidshinder te duiden kosten meer uitwerktijd. Daarbij wordt soms bewust een tussenpauze ingenomen om met een frisse blik de meetdata vanuit een andere perspectief te beschouwen.
Geluidhinder aanpak en gevelisolatie
Het is niet prettig vertoeven in een omgeving waar het geluid van voorbij razend en overvliegend verkeer of van bezigheden op een nabijgelegen industrieterrein ook in de woning te horen is. Daarom besteden architecten en bouwers steeds meer aandacht aan de geluidsisolatie van de gevel van een woning. Dat wil zeggen een betere kierdichting van de diverse bouwkundige onderdelen, beter geluidsisolerende beglazing etc. Voor woningen geldt: hoe hoger de geluidsbelasting op de gevel, hoe hoger de vereiste geluidisolatie. Voor bestaande bouw is meten de enige (wettelijke) optie. Het daadwerkelijke meten van de gevelgeluidsisolatie door middel van een ruisbron welke voor de gevel wordt opgesteld. Vervolgens wordt het geluidsniveau buiten voor de gevel gemeten en binnen voor de gevel van de betreffende verblijfsruimten. Het verschil geeft de mate van geluidsisolatie weer (NEN 5077).

Wilt u er zeker van zijn dat de luchtdichtheidsmeting op de gewenste datum wordt uitgevoerd, dan vragen wij u tijdig (minimaal 4 weken daarvoor) uw verzoek in te dienen.
Praktijk en maatschappelijke context
Delft, februari 2004 - Mensen die geregeld last hebben van lawaai in hun woonomgeving zijn op een gegeven moment ten einde raad. Oh, die helse herrie van een nabijgelegen skatebaan of het aanhoudende geschreeuw op een speelterrein in de buurt! Maar wat kunnen ze doen om het ongewenste geluid te stoppen? De veroorzakers zijn slecht aanspreekbaar, de verantwoordelijke beheerders of eigenaren bagatelliseren de klacht of werken eenvoudig niet mee. Wanneer de gehinderden vervolgens gehoor zoeken bij politie of gemeente, blijkt het niet altijd gemakkelijk deze instanties te overtuigen van de overlast en hen tot actie te bewegen.
Slaagt men daar niet in, dan denkt men veroorzakers en instanties te kunnen overtuigen met de resultaten van metingen. In de verwachting dat dan wel zal blijken hoe ernstig de overlast is. Zelfs als een klacht door een ambtenaar of politieagent meteen in behandeling wordt genomen, levert dat niet per se het gewenste resultaat op. Ook overheid en politie zoeken vaak de oplossing van het probleem in het meten van het geluidsniveau. Dat heeft echter alleen zin als er geluidsnormen bestaan voor het soort lawaai, dat de overlast veroorzaakt. En dat is vaker niet dan wel het geval.
Bij het vaststellen van geluidsnormen wordt rekening gehouden met locatie, tijd, duur, frequentie, geluidsniveau en soort bron. Continu geluid vanaf circa 50 decibel buiten voor de gevel van een woning kan hinder veroorzaken; ’s avonds 45 dB(A) en ’s nachts 40 dB(A) zijn grenswaarden. De overheid publiceert normen voor weg-, rail-, en vliegverkeer, industrie- en recreatiegeluid. Voor veel burenlawaai bestaan geen vaste normen, en ook de menselijke stem zonder versterking kent geen algemene norm. De Omgevingswet brengt bovendien een geïntegreerde aanpak met Omgevingsvisies, omgevingsplannen en basisgeluidsemissie (BGE) voor het net van kleine wegen en regionale opgaven.
De Omgevingswet geeft inwoners meer ruimte om invloed uit te oefenen op plannen. Participatie en inspraak blijven centrale principes. Zo zien gemeenten als Arnhem en Utrecht voornemens bewoners te betrekken bij beslissingen, vaak met vroegtijdige samenwerking en co-creatie. Het doel is om geluidsoverlast te beheersen zonder onnodige belemmeringen voor wonen en wonenbouw.
tags: #geluidsdruk #meten #gevel