Vanaf circa 1280 vergaderen de schepenen in het hier gelegen zogenaamde "Ghyselhuus", waarin ook de grafelijke gevangenis is ondergebracht. Het huidige gebouwencomplex is fasegewijs tot stand gekomen en begrensd noordelijk door de Burg, oostelijk door de Blinde Ezelstraat, zuidelijk door de Reie en westelijk door de Heilig-Bloed- en Sint-Basiliuskapel. De geschiedenis van het stadhuis is een verhaal van voortdurende uitbreidingen, restauraties en een lange liturgie van beeldhouwwerk en gevelornamenten die de bloei en tegenslag van Brugge reflecteren.
Het oudste vleugel wordt beschouwd als het eerste monumentale middeleeuwse stadhuis van de gewesten; de eerste toepassing van Brugse traveeën en Brabantse gotiek met beeldnissen ter hoogte van de penanten. Mogelijke ontwerpers zijn J. van Rijsel, M. Saghen of J. Roegiers. In 1376 werd de eerste steen gelegd door graaf Lodewijk van Male; 1421 markeert de voltooiing, na uitstel tussen 1380-1385 ten gevolge van onlusten met Gentenaars. J. van Valenciennes verzorgde het beeldhouwwerk, onder meer de gevelbeelden die gepolychromeerd werden door J. van Eyck, aanvankelijk aangevuld in de loop der eeuwen met iconografie uit Oude en Nieuwe Testamenten en de heersers van Vlaanderen, graven, gravinnen, aartshertogen en keizers.

Tijdens de eeuwen: fasen van uitbreiding en restauratie
In 1711 werd de noordgevel borstwering verrijkt met wapenschilden van voormalige subalterne gemeenten van Brugge. 1766 bracht de linker portaal van de eerste naar de tweede travee, met overkluizing van de begane grond en houten gewelven vervangen door Dorische zuilen. De Franse Revolutie in 1792 bracht vernielingen aan gevelbeelden en wapenschilden. Een grote buitenrestauratie vond plaats tussen 1852-1863, mogelijk met neogotische toevoegingen en nieuwe beelden.
Rond 1875 tilden de beelden geleidelijk en uiteindelijk in 1876, 1879-1880, de restauratie van de afkondigingspui, achtergevel en traptoren. In 1884 werden stucreliëfs geplaatst met scènes uit het Oude Testament ter vervanging van vernielde wapenschilden. De neogotische inrichting van het interieur tussen 1890-1905 onder leiding van architect L. Delacenserie bracht ingrijpende veranderingen met zich mee: gelijkvloerse verdieping kreeg een vlakke zoldering en de gotische zaal ontstond na de samenvoeging van de schepenkamers onder doorgetrokken gewelven.

1924: nieuwe beelden van Onze-Lieve-Vrouw met de inktpot, Maria en de engel Gabriël door Hinderyckx. 1939: een restauratieproject voor het dak door J. Viérin werd niet uitgevoerd door de Tweede Wereldoorlog. 1958-1962: een uitgebreide restauratie door L. Viérin, nu ook met restauratie aan torens en beeldnissen; gepolychromeerde wapenschilden vervangen de Bijbelse reliëfs van 1884, onder toezicht van N. Gerrits en P. De Wispelaere. 1969-1970: de beeldhouwwerkkeuze veranderde naar het kappen van zeven nieuwe beelden met gotische inslag door M. Witdouck.
1981: een wedstrijd voor de 48 ontbrekende beelden leidde tot de keuze van L. Canestraro en S. Depuydt, die de overige beelden rekonstrueren naar de iconografie van vóór het ancien régime, maar nu geplaatst op consoles die wapenschilden van subalterene steden tonen. In 1981 en 1985-1986 volgde consolidatie van gevels, bedakingen en de centrale traptoren onder leiding van P. Viérin. 1995 reiniging van de voorgevel en verdere restauraties toonden een duidelijke lijn van continue zorg voor het monument.

Architecturale kenmerken van het huidige complex
Het huidige uitzicht is het resultaat van opeenvolgende restauraties. De gevels tonen een verticaal gelede structuur met Brugse traveeën en penanten geritmeerd door gekoppelde beeldnissen met figuratieve consoles en pinakelvormige baldakijnen. De borstwering loopt af met een fries en driepassen; hoek-, midden- en traptorens lijken overkragend. Het imposante leien zadeldak bevat natuurstenen en bakstenen vorstkam met hogels en kruisbloemen; houten dakkapellen dragen windborden met koppen en vergulde engelen.
Rondom het gebouw staan zijpuntgevels met top, en de kruiskozijnen van de begane grond gaan over in spitsbogige tweelichten met maaswerk onder accoladebogige druiplijst. Het interieur kenmerkt zich door een tweebeukige kelder, kruisribgewelven met rozetstenen en kraagstenen. De bovenverdieping herbergde de zogenaamde "Gotische Zaal" met gepolychromeerd hangend kruisribbengewelf en muurschilderingen van Brugse geschiedenis door A. en J. De Vriendt. De westmuur herinnert aan de monumentale pronkschouw uit 1895; de oostmuur biedt doorgang naar de Burgerlijke Griffie met gekoppelde korfboogdeuren en schildhouders van West-Vlaanderen en Brugge.

Nieuwe uitbreidingen en latere functies
De zogenaamde "Nieuwe Schepenkamer" (1523, na brand 1946 herbouwd) werd ontworpen door J. de Maech en later door J. Viérin herbouwd. Een derde uitbreiding uit 1544-1545 bevat kapel, keuken en wezenkamer; heden opgedeeld in bureaus. De gevel in Blinde Ezelstraat is gerestaureerd in 1981 en vertoont baksteenbouw met zandsteen voor plint en kruiskozijnen. Interieurkenmerken omvatten gotisch netgewelf en rococo-invloeden in de straatzijde met salons en Pulinx-faience schouw. Het huidige bureau van de stadssecretaris bevat een laatgotische schouw gedateerd 1544 met wapenschilden van Brugge en Vlaanderen.

De "Nieuwe Vierschaar" (1603-1604) weerspiegelt baksteenconstructie met zandsteen voor plint en kruiskozijnen. De westelijke puntgevel bevat twee 17e-eeuwse kruiskozijnen dichtgemetseld в 19e eeuw. In de interieurs zijn de 18e-eeuwse enfilade-ruimtes zichtbaar met de "Oude Raadzaal" en de kamers van het College; marmeren schoorsteenmantels en fraaie lampen domineren. Een traptoren (1903-1904) door L. Delacenserie biedt de verbinding tussen administratieve vleugels en is via een neobarok poortje bereikbaar, bekroond met een vrouwenbuste. Het kabinet van de Burgemeester uit 1972 is neorococo-getint en weerspiegelt moderne functies naast erfgoedbehoud.
Toegankelijkheid en museale rol
Het StadhuisHK Brugge maakt deel uit van Musea Brugge en biedt zowel de Gotische Zaal als de Historische Zaal als ruimte voor tentoonstellingen en de gemeenteraadszitting, die elke laatste maandag van de maand plaatsvindt (behalve in juli). De gotische zaal met muurschilderingen en het gewelf trekt bezoekers die willen kennismaken met Brugge's geschiedenis en haar band met de zee, terwijl in de historische zaal de geschiedenis van Brugge en de zee centraal staat in de presentatie “Brugge en de zee”.

Openingstijden en tarieven worden vermeld door Musea Brugge; de Musea Brugge Card biedt 72 uur lang toegang tot deze en andere locaties. Een augmented reality-maquette brengt de geschiedenis tot leven, inclusief verdwenen Zwinhavens en objecten uit archeologie en kunst. Bezoekers kunnen de toren beklimmen voor uitzicht en ervaren de grandeur van Brugge’s stadsbestuur, dat nog altijd maandelijks bijeenkomt in de gotische zaal.
Tijdlijn en hoofdpunten
- 1376: eerste steen door graaf Lodewijk van Male; 1421: voltooiing na uitstel.
- Vroegtijdig middeleeuwse structuur met Brugse traveeën en beeldhouwwerk van J. van Valenciennes; 1792: vernieling van beelden.
- 1852-1863: buitenrestauratie en neogotische toevoegingen, gevolgd door latere herstellingen.
- 1890-1905: inrichting Gotische Zaal en vernieuwde binnenruimte onder Delacenserie en Bethune.
- 1995-heden: verdere restauraties en consolidaties, met focus op het behoud van de historische ruimten en het tentoonstellingsprogramma.

Brugge blijft zo een van de oudste en belangrijkste stadhuiscomplexen aan de Burg, waar architectuur en geschiedenis elkaar ontmoeten in een continu proces van behoud en interpretatie. Het stadhuis fungeert vandaag als administratieve kern en als museumlocatie, die de Brugse geschiedenis, haar relatie met de zee en de stedelijke identiteit zichtbaar maakt voor bezoekers van over de hele wereld.