Architectuur en geschiedenis van gevel Visstraat 5 Dordrecht

Havenstad aan de Merwede, ontstaan in de 11de eeuw aan de oevers van de (verdwenen) veenkreken de Dubbel en de Thure(drech).

Door overstromingen rond 1150 ontstond een doorvaarroute (Voorstraathaven, Wijnhaven).

De dijken aan weerszijden hiervan werden bebouwd, eerst aan de noordzijde (Wijnstraat-Groenmarkt-Grotekerksbuurt) en iets later aan de zuidzijde (Voorstraat).

Met de stichting van een tol (1179) en het verkrijgen van grafelijke keuren (oudst bewaarde 1220) ontwikkelde Dordrecht zich tot een belangrijk handelscentrum.

De eerste vermelding van stadsrechten dateert uit 1200, toen de Hollandse graaf Dirk VII zijn bezit moest afstaan aan de hertog van Brabant en het vervolgens in leen terugkreeg.

Vleeshal met schepenkamer en gevangenis (1284-'85) en werd er een stadsgracht gegraven (Spuihaven, Kromhout en Riedijkshaven).

In het gebied tussen deze gracht en de Voorstraat - de ‘landzijde’ genoemd - ontstonden dwarsstraten en stegen.

Ook diverse kloosters vielen binnen de ruime 13de-eeuwse omgrachting.

In het buitendijkse gebied ten noordwesten van de Wijnstraat-Groenmarkt-Grotekerksbuurt - de ‘poortzijde’ - lagen de tufstenen parochiekerk (gesticht 12de eeuw) en de toltoren.

De bebouwing stond hier aanvankelijk op terpen.

Dordrecht werd in 1283 weer eigendom van de Hollandse graaf.

Na de moord op Floris V in 1296 volgden enige onrustige jaren, onder andere ook door een Vlaamse bezetting in 1303-'04.

De economische positie werd versterkt door het stapelrecht uit 1299 voor onder andere wijn, graan en hout.

Daarnaast bezat de stad het regionale stapelrecht voor het Hollandse territorium ten zuiden van de Maas en de Hollandse IJssel, waardoor Dordrecht het marktcentrum van Zuid-Holland werd.

In de 14de eeuw was ook de export van zout en Dordts laken van belang.

De oorspronkelijk tot de heerlijkheid Merwede behorende bewoningskern rond de Nieuwkerk (noordoost) werd in 1307 binnen de stadsgrenzen getrokken.

Noordwestwaarts naar de rivierzijde vonden aanplempingen plaats en kreeg de stad nieuwe bebouwing en havens, zoals de Nieuwe Haven (1408-'10).

Dordrecht verloor in de loop van de 16de eeuw zijn positie als belangrijkste Hollandse handelsstad aan Amsterdam en Rotterdam, maar bleef welvarend.

Als oudste Hollandse stad behield het in de Staten van Holland zijn plaats als eerst stemmende stad.

In 1572 koos Dordrecht de zijde van Willem van Oranje.

In 1618-'19 vond in Dordrecht de belangrijke Nationale Synode plaats, waar onder meer tot een bijbelvertaling (Statenbijbel) besloten werd.

Na de opheffing van de kloosters werden aan de landzijde de Korte Breestraat en de Hofstraat aangelegd.

In 1574 kwam in het zuidwesten de oude invalsweg buiten de Vuylpoort, de Prinsenstraat, binnen de stadswal en ontstond aan het eind van de Voorstraathaven de Bomhaven.

Ten noordwesten van de Nieuwe Haven verwezenlijkte men na 1585 een nieuwe uitbreiding met de Binnen en de Buiten Walevest en de Hoge Nieuwstraat.

Grote of O.L.-Vrouwekerk (zie p. 2) en Nieuwe of St.-Nicolaaskerk (p. 3) en Augustijnenkerk (p. 4) maken deel uit van de verdere context van de stedelijke vrijgaven.

R.K. St.-Bonifaciuskerk (p. 7) en de Oud-Kath. kerk St. Maria Maior (p. 8) illustreren de religieuze verworvenheden langs de bebouwing.

Het Grotekerksplein is pas ontstaan na het in onbruik raken van het kerkhof bij de Grote Kerk (1704) en het Beursplein (nu Ary Schefferplein) kwam in 1659 tot stand, toen een gedeelte van de Wijnhaven werd overkluisd.

Met het opheffen van het stapelrecht in 1795 viel een belangrijke economische pijler weg.

Begin 19de eeuw veranderde Dordrecht geleidelijk van een haven- en handelsstad in een streekcentrum.

De zeehandel verplaatste zich naar Rotterdam, maar de binnenscheepvaart bleef nog lang voor Dordrecht van belang.

Vooral aan de landzijde had de economische neergang grote gevolgen.

Binnengrachten werden gedempt en in 1833 begon men met de sloop van de stadsmuur, waarbij de stadsgracht werd veranderd in een haven.

Pas na 1850 ontstond er enige bebouwing tussen de Spuihaven en de in 1872 aangelegde spoorlijn Rotterdam-Antwerpen.

Hier ontwikkelde zich een 19de-eeuwse uitbreidingsschil, die ook aan de oostzijde van de stad doorloopt.

Vanaf 1900 vestigde zich in Dordrecht veel hout- en metaalnijverheid (Lips, E.M.F., Tomado).

Tussen 1900 en circa 1930 verwezenlijkte men een tweede bebouwingsring met vooral arbeiders- en middenstandswijken (Transvaalbuurt, Oranjebuurt, Indische buurt en het Noorderkwartier op de Staart).

Aan de zuidzijde van het station verrezen volgens een uitbreidingsplan van J.E. van der Pek (1917) de wijken Krispijn, Bloemenbuurt (ontwerp B. van Bilderbeek) en Land van Valk (voltooid 1940).

Naar planwijzigingen van de directeur van Bouw- en Woningtoezicht Chr.G. van Buuren kwam de volkswoningbouw aan de Krommedijk e.o. tot stand (1925-'30).

Dordrecht kreeg een economische impuls door de aanleg van een zeehaven bij het Malle Gat, later Wilhelminahaven genoemd (1912-'16; 1927-'30).

Na de Tweede Wereldoorlog volgde nog een derde uitbreidingsschil (Vogelbuurt, Wielwijk, Crabbehof, Sterrenburg, Stadspolders) en werd het industriegebied langs de Dordtse Kil versterkt.

De (Herv.) Grote of O.L.-Vrouwekerk (Grotekerksplein 8) is een forse driebeukige basilicale kruiskerk met kapellen langs schip en koor (zuidzijde), een kooromgang met vijf straalkapellen, een Mariakoor (noordzijde) en een westtoren.

Van de koorsluiting van een tufstenen voorganger zijn restanten 12de-eeuws muurwerk aangetroffen in het huidige koor.

Bij deze eerste parochiekerk werd een Mariakoor (gewijd 1285) opgetrokken, mogelijk kleiner van omvang dan het huidige.

Vanaf de 14de eeuw werd de kerk in fasen herbouwd en uitgebreid.

Na de verheffing tot kapittelkerk in 1366 begon men met de bouw van een groter koor en de vernieuwing van het Mariakoor, dat siermotieven in gesinterde baksteen kreeg.

De kerk liep grote schade op bij de stadsbrand van 1457.

Zoals ook blijkt uit de fasering van de kapconstructies heeft men eerst het hoofdkoor en het Mariakoor hersteld en geruime tijd later het transept, waarna de rest van het schip volgde.

Het Mariakoor werd versmald ten gunste van het driebeukige koor en opnieuw gewijd (1462).

Van het schip konden slechts de kapellen - met het beeldhouwwerk van zwikken en sluitstenen - en de bundelpijlers in de zijbeuken (circa 1400) worden gehandhaafd en van het transept het muurwerk en de zwaar aangetaste pijlers.

Bouwmeester Evert Spoorwater, die vanaf 1439 bij de kerk was betrokken, leidde de herbouw in Brabants-gotische stijl, waarbij de hoofdzuilen van het schip en het hele systeem in het koor werden vernieuwd door kolommen en colonnetten met koolbladkapitelen.

Boven de scheibogen werd een vensterbanktriforium aangebracht.

Omstreeks 1500 moet het herstel van de meeste ruimten zijn voltooid met het aanbrengen van kruisribgewelven (in kooromgang jaartal ‘1502’).

De stergewelven in het Mariakoor zijn 16de-eeuws.

De hoge middenbeuk werd gestut met luchtbogen; die bij het met Gobertangesteen beklede koor kregen een versiering met hogels en pinakels.

Uit de 15de eeuw dateren verder de voorm. sacristie (later kerkenraadskamer) aan de noordzijde van het schip en het voorm. H. Geesthuisje (later kerkmeesterskantoor) aan de oostzijde van het zuidtransept.

Koorzijde gereconstrueerd in rijke gotische stijl en herbouwde men de daken van de straal- en de schipkapellen in hun oorspronkelijke vorm.

De kerk is in 1984-'87 nog conserverend hersteld.

Het interieur wordt - als enige in Holland - in zijn geheel overdekt door stenen gewelven.

Schip, transept en koor hebben kruisribgewelven, het Mariakoor heeft stergewelven.

Er zijn nog enkele 15de- en vroeg-16de-eeuwse muurschilderingen behouden in de kooromgang (‘Sunte Gheleijen’ en Christus als Man van Smarten) en de Andrieskapel (visserfiguur).

In het noordtransept bevindt zich een maniëristische cartouche (1579), aangebracht in opdracht van het muntersgilde.

De houten rozetten onder de sluitstenen in de gewelven van het koor en Mariakoor zijn laat-gotisch, de 15de-eeuwse gewelfschilderingen met bloemen rankenmotieven zijn sterk gerestaureerd.

Het schip heeft een gewelfschildering met een patroon in art déco-stijl van J.

De kerk bevat bijzondere vroeg-renaissancistische houten koorbanken, gesneden in 1538-'41 door Jan Terwen en voorzien van misericordes met de verbeelding van onder meer spreekwoorden.

De doorlopende reliëfs op de achterwanden tonen aan de noordzijde twee wereldlijke triomftochten; een Romeinse van Gaius Mucius Scaevola en de ‘Blijde Incomste’ van Karel V, aan de zuidzijde twee religieuze triomftochten; de triomf van Christus en een Sacramentsprocessie.

De banken zijn later verlengd in veel soberder vormen.

Het koperen koorhek met marmeren pijlers in vroege Lodewijk XV-stijl (1743) is naar ontwerp van Michiel van Kalraet vervaardigd door Adriaen Crans (geelgieter) en Jan Oosterhout (beeldhouwer).

Veel kapellen zijn afgesloten met monumentale hekken (16de-18de eeuw).

De preekstoel in rococo-stijl met witmarmeren kuip werd in 1753-'56 naar ontwerp van Jan van der Linden vervaardigd door Asmus Frauen; de koperen leuning is van Pieter Rokkers, het mahoniehouten klankbord van Gerrit van de Waal (snijwerk).

Van der Linden en Van de Waal leverden ook het doophek en de regeringsbank.

De overige herenbanken zijn van elders afkomstig.

Van het orgel is de kast gemaakt door Nicolaas van Hagen (1671-'75), de gesneden wapens zijn van Abraham en Johannes van Kalraet.

Natuurstenen grafzerken (16de-19de eeuw).

Het Mariakoor, het hoofdkoor en drie koorkapellen hebben gebrandschilderde ramen uit 1903-'15, naar ontwerpen van onder meer H. Veldhuis (Jeruzalemskapel, Meerdervoortkapel) en P.J.H. Cuypers (St.-Pancraskapel) en in het zuidtransept bevindt zich een raam van J.D.

De forse bakstenen toren heeft drie geledingen met haakse steunberen en siermotieven met gesinterde bakstenen.

De bouw begon vermoedelijk in 1339.

De verhoging van de toren met een klokkenverdieping was nog niet gereed toen in 1457 de stadsbrand uitbrak; een aanzet van de geplande natuurstenen lantaarn bleef behouden.

Vermoedelijk vanwege de ernstige verzakking bleef de toren onvoltooid.

De toevoeging van vier wijzerplaten in 1624-'26 verschaften de toren het huidige markante uiterlijk.

Bij de torenrestauratie in 1953-'71 zijn de vrijstaande traceringen in de gevelnissen weer aangebracht.

In de toren hangen een 15de-eeuwse klok, een door Joannes Ouderogge gegoten klok (1681) en een carillon (1966).

Verder is in de toren nog een fragment van een vroeg-16de-eeuwse muurschildering (St.

De voorm. Nieuwe of St.-Nicolaaskerk (Nieuwkerksplein 1) is een tweebeukige hallenkerk met twee vijfzijdig gesloten koren.

Deze op de eerste burchtheuvel van de heren van Merwede ontstane kerk (eerste vermelding 1285) werd rond 1500 vergroot.

Na een brand in 1568 kon de oostpartij worden gehandhaafd en werd de rest herbouwd in laat-gotische stijl en voorzien van spekbanden.

Aan de westzijde zijn de twee beuken driezijdig gesloten, met daartussen een 16de-eeuws portaal en de bakstenen onderbouw van de in 1834 naar plannen van G.N. Itz toegevoegde neoclassicistische toren met houten lantaarn.

Hierin hangt een door Jan Tolhuis gegoten klok (1555).

De Herv. Augustijnenkerk (Voorstraat 216) is een laat-gotische tweebeukige kloosterkerk met driezijdig gesloten koor, gebouwd in 1440-'50 bij het augustijnenklooster ter vervanging van een voorganger uit 1293.

Na een brand in 1510 zijn de kappen vernieuwd.

In de dakruiter hangt een klok van Pieter Hemony (1673).

De voorgevel werd in 1773-'76 vernieuwd in Lodewijk XVI-stijl.

Aan de zuidzijde bevinden zich enkele kapellen en een sacristie en aan de noordzijde de kerkenraadskamer (vernieuwd 1834).

Het interieur van deze in 1994-'96 gerestaureerde kerk wordt gedekt door houten tongewelven en is voorzien van middenzuilen met koolbladkapitelen.

Tot de inventaris behoren een 17de-eeuwse preekstoel, een 17de-eeuwse koperen lezenaar, een grafmonument voor Willem van Beveren en een 18de-eeuws epitaaf ter ere van Meyndert van Segwaard.

Op een orgelgale...

Visstraat 5 Dordrecht gevel: historisch overzicht en context
  1. VEILINGGEBOUW uit 1901 naar ontwerp van de Dordtse architect H.A. Reus; bijzondere detaillering en sculpturale details.
  2. Het pand aan de Visstraat 50: transformatie naar 15 maisonnettes rondom een gezamenlijke binnenplaats; geïnspireerd op een bioscoopscherm.
  3. De geschiedenis van De Gruyter: van kruidenier tot nationaal begrip met verregaande winkelarchitectuur en tegeldecors.

De Visstraat liep vanuit de Voorstaat in oostelijke richting naar de stadsmuur aan de Vest; dit pand ligt op de hoek met de Lange Breestraat.

Uit de 12e eeuwse vestigingszone ontstonden in de 14e eeuw loodrecht daarop de straatachtige organisatie zoals Vriesestraat en Nieuwstraat, met dwarsgangen als Bree(d)straat en Hofstraat.

Na 1887 verscheen een hoekpand in vier bouwlagen; in 1919 volgde nieuwbouw op drie percelen met winkelhuis, kantoren, magazijnen en bovenwoning.

In 1929 werd de winkelruimte uitgebreid door de magazijn- en kantoorruimten samen te voegen waarna structurele aanpassingen volgden.

De gevels zijn opgetrokken in roodbruine baksteen in kruisverband met platvol voegwerk en eindigen met houten boeiboord; de onderkant heeft natuursteen rondboogomlijstingen en glas-in-loodvensters.

Het object is architectonisch waardevol vanwege de traditionele rijke vormgeving van de voorgevel en kap, de intern bewaard gebleven tegeltableaus en de plaats in het oeuvre van de architect W.G.

Het pand heeft hoge cultuurhistorische, architectonische en bouwhistorische zeldzaamheidswaarde, met weinig sporen van de oorspronkelijke indeling die nog te herkennen zijn na meerdere verbouwingen.

Het object is deels gewijzigd, waardoor de cultuurhistorische en architectonische waarden redelijk goed bewaard zijn gebleven.

Het object heeft in architectonisch opzicht een hoge zeldzaamheidswaarde.

Bespiegeling 2021 | Uitlegvideo - H5 Kunsthistorische context

tags: #gevel #visstraat #5 #dordrecht