Monumentale vloeronderhoud en restauratie: onderhoud, herstel en waardebehartiging van historisch parket en beton

Sommige vloeren liggen letterlijk al eeuwen. Ze hebben de tand des tijds doorstaan, maar soms wel met gaten en scheuren tot gevolg. Uw monumentale parketvloer koesteren we. Zelfs als hij door de meeste mensen al is afgeschreven. Schade aan historisch parket kan op veel manieren ontstaan. Bijvoorbeeld door verandering in binnenklimaat, gebruik van verkeerde materialen of gewoon door het gebruik. We kijken altijd eerst naar de oorzaak en bepalen daarna samen met u hoe we de vloer het beste kunnen helpen. Is uw monumentale parketvloer nog kwiek? We zetten bijvoorbeeld losse delen vast en herstellen kleine aantastingen. Al heel wat vloeren hebben we kunnen redden van de sloop. We vinden het zonde om parket van soms eeuwen oud zomaar weg te gooien. We vervangen beschadigde delen met oud hout. Daarvoor hebben we een speciale opslag met historisch hout. Dat tast het beeld niet of nauwelijks aan. De rest van de vloer blijft gewoon liggen, met de piep en kraak geluiden die daarbij horen. Soms is de monumentale vloer al te ver heen en moeten we drastischer ingrijpen. Bijvoorbeeld als de bitumen waar parket vroeger in werd ‘gelijmd’ is verdroogd. We verwijderen de delen dan stuk voor stuk en nummeren deze. Weten wat de mogelijkheden voor uw vloer zijn? Uw vloer wil ik zien, voelen en beleven. Op deze manier kan ik het beste advies geven en daar zal uw vloer u straks dankbaar voor zijn!

Behoud en herstel van monumentaal beton

Behoud van de karakteristieke kenmerken en uitstraling van monumentaal beton staat of valt bij een zorgvuldige uitvoering. In de praktijk blijkt dat niet al het herstelwerk even duurzaam is of bijdraagt aan het behoud van de cultuurhistorische waarden van de historische betonconstructie. Het item gaat dieper in op de uitvoering van herstelwerk, herstelmaterialen en het waarborgen van de kwaliteit. Console onder een laadperron van het voormalige pakhuis Sint-Jobsveem in Rotterdam uit 1912. Een deel van het beton is afgewerkt met een stuclaag, die een gekamd en bruut oppervlak heeft. Ribbe van een van de gewelven van de betonnen omgang van de Bedevaartskerk in Brielle. Saneren van beton met water onder zeer hoge druk, tussen de 1000 en 2000 bar. Bij herstel van de bunker Diogenes in Schaarsbergen uit 1943 heeft men gebruikgemaakt van bekisting van ruw houten delen. Hermrest van hangend werk met behulp van een open bekisting. Voorbeeld van minder fraai en weinig duurzaam herstel met een kunstharsgebonden materiaal. Door verwering van beton verdwijnt de egale cementhuid en komt het toeslagmateriaal grind bloot te liggen. De reparatie steekt duidelijk af bij het verweerde oppervlak. Aan de rechterkant is een hersteld deel zichtbaar van een van de laadperrons van het voormalige pakhuis Sint-Jobsveem in Rotterdam.

Scheurvorming zoals zich dat tien jaar na de restauratie voordoet over alle gevels van een voormalige pakhuis. Na het stralen van de betonnen koepel uit 1981 van de watertoren in Zutphen is plaatselijk craquelé zichtbaar. Decoratief detail van de watertoren in Zutphen. Een dunne scheur verraadt dat de extra laag spuitbeton loskomt die tien jaar geleden is aangebracht tegen de onderzijde van deze trap. Een goede hechting van hangend herstelwerk is een kritisch punt. De meest voorkomende vorm van herstel is het aanhelen van beton. Daarbij brengt men op plaatsen waar beton door schade is verdwenen nieuw materiaal aan. Daarvoor bestaan diverse typen reparatiemateriaal, met elk hun specifieke eigenschappen en toepassingsmogelijkheden. Reparatiemateriaal kun je handmatig, met een spuit of door middel van aangieten aanbrengen. De afwerking van het herstelde oppervlak vraagt in sommige situaties veel aandacht. Om inwatering te voorkomen of om constructieve redenen moet je scheuren soms dichtzetten. Wanneer men hogere eisen aan een betonconstructie stelt, bijvoorbeeld door ander gebruik of hogere veiligheidseisen, kan het nodig zijn de constructie verder te versterken. Dat kan door het aanbrengen van een extra laag gewapend beton of een uitwendig gelijmde wapening. Bij constructieve reparaties is het raadzaam een constructeur te betrekken. De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE) heeft als algemeen uitgangspunt dat men beton zo veel mogelijk moet aanhelen met cementgebonden materiaal dat qua samenstelling, eigenschappen en uitstraling zo goed mogelijk aansluit bij het oorspronkelijke materiaal. De exacte samenstelling van het reparatiemateriaal bepaal je echter door de verwerkingstechniek en de omstandigheden. De keuze voor de verwerkingstechniek is daardoor mede bepalend voor de uiteindelijke materiaaleigenschappen van het herstelwerk, zoals sterkte en elasticiteit. Voor herstelwerkzaamheden gebruikt men in de praktijk steeds meer fabrieksmatig samengestelde materialen, meestal gemodificeerde betonmengsels. De exacte samenstelling daarvan is aangepast aan een bepaalde verwerkingsmethode en de specifieke toepassing met de daaruit voorvloeiende prestatie-eisen. Mortels kunnen naast cement en zand ook fijn grind en fijne vulstoffen bevatten, en hulpstoffen zoals plastificeerders, zwelmiddelen, versnellers en vezelversterking. Cementgebonden polymeergemodificeerde mortel, ofwel PCC-mortel (polymeer cement concrete): een cementgebonden mortel met meestal tussen de vijf procent en twintig procent kunststof ten opzichte van de cementmassa. Er bestaan ook ECC-mortels (epoxy cement concrete). Kunstharsgebonden mortel, ofwel PC-mortel (polymeer concrete). Polymeergemodificeerde mortels kunnen ten opzichte van volledig cementgebonden mortels als voordeel hebben: een hogere treksterkte, hogere elasticiteit, ofwel een lagere elasticiteitsmodulus, betere hechting, lagere krimp, minder gevoeligheid voor verbranden en snelle sterkteontwikkeling (namelijk binnen één tot zeven dagen). Daar tegenover staan mogelijke nadelen, zoals hogere thermische uitzetting, hogere materiaalprijs en kortere verwerkbaarheid en daardoor niet gebruiksklare leverbaarheid via de betoncentrale. De geringere permeabiliteit, ofwel doordringbaarheid, kan afhankelijk van de situatie zowel een voordeel als een nadeel zijn. De RCE ontraadt in het algemeen het gebruik van volledig kunstharsgebonden mortels. De materiaaleigenschappen verschillen sterk met die van traditioneel beton. Voordat je nieuw beton kunt aanbrengen, moet je meestal eerst beschadigd beton verwijderen en geroeste wapening schoonmaken. Ook moet het oppervlak een voorbehandeling krijgen. Het verwijderen van slecht materiaal noemt men doorgaans saneren. Saneren door pneumatisch hakken heeft als belangrijk nadeel dat er door trillingen microscheuren in het beton kunnen ontstaan, vaak ook rondom de wapening, waardoor er in een later stadium nieuwe schade kan ontstaan. Saneren met behulp van water onder hoge druk heeft als voordeel dat dergelijke scheuren niet ontstaan en dat er een ruwe ondergrond ontstaat die een optimale hechting geeft van het reparatiemateriaal. De randen van de reparatieplekken moeten zo veel mogelijk haaks op het oppervlak uitkomen. Dit om te voorkomen dat de herstelmortel naar de rand toe dun uitloopt en daardoor verbrandt of loskrimpt. Ook is het belangrijk dat je achter de geroeste wapening voldoende beton verwijdert. Geroest wapeningsstaal moet men ontroesten. Wanneer er sprake is van een chlorideaantasting of wanneer men wapening verft, is reinheidsgraag Sa 2,5 vereist. Om een goede aanhechting en verharding van de reparatiemortel te krijgen moet de ondergrond een passende voorbehandeling krijgen. Het type reparatiemortel en de situatie bepalen welke voorbehandeling of combinatie van voorbehandelingen is vereist. De voorbehandeling kan bestaan uit bevochtigen, het aanbrengen van een hechtprimer of een voorstrijkmiddel. Ook kan het nodig zijn de wapening te herstellen wanneer deze door roest te sterk is aangetast. Volledig cementgebonden reparatiemortels hebben vaak een lage water-cementfactor waardoor ze gevoelig zijn voor verbranden, zeker bij kleine laagdikten. De hechting verbetert men meestal door op het hechtvlak een extra laagje bindmiddel aan te brengen, ook wel ‘aanbrandlaag’ genoemd. Van oudsher gebruikt men hiervoor een mengsel van cement en water. Een reparatiemortel moet je ‘nat in nat’ over de hechtlaag zetten. Bij herstel met cementgebonden mortel is het goed om ook de wapening in te smeren met het hechtmiddel. Bij PCC-mortels past men een primer toe op basis van pure polymeer. In bijzondere situaties kan het nodig zijn de betonnen ondergrond met een voorstrijkmiddel te behandelen. Beton kan men handmatig aanbrengen, door middel van aangieten of - wanneer het grote reparatievlakken betreft - door spuiten. Bij handmatig repareren brengt men de mortelspecie in principe met een troffel aan. Voor de duurzaamheid is het belangrijk dat men de specie goed verdicht, met name rondom de wapening. Dat beperkt de indringing van vocht en de carbonatatie. Carbonatatie leidt tot verzuring van de cementsteen. Bij pH-waarden lager dan 10 wordt staal gevoelig voor roestvorming, doordat het beschermende oxidelaagje wordt afgebroken. Bij deze methode giet men vloeibare specie in een bekisting. Omdat het maken van een bekisting extra kosten met zich meebrengt, is deze methode met name geschikt voor grotere reparaties van staand en hangend werk. De specie heeft een relatief hoge plasticiteit. Van oudsher bereikte men dit door een hogere water-cementfactor, tegenwoordig door toevoeging van een plastificeerder, een stof die de vervormbaarheid en verwerkbaarheid van de specie verbetert. Een hoge water-cementfactor geeft een grotere drogingskrimp, wat in principe kan leiden tot krimpscheuren en onthechting. Het gebruik van een plastificeerder voorkomt dergelijke problemen. Bij gebruik van spuitbeton spuit men de specie met perslucht tegen een ondergrond. Spuitbeton is in het algemeen duurzaam en heeft een hoge sterkte door de lage water-cementfactor en doordat de specie goed wordt verdicht door de hoge snelheid waarmee men het aanbrengt. De laag spuitbeton kan men handmatig afwerken of door het opspuiten van een extra toplaag. Er bestaan twee methoden, een droge en een natte. Bij de droge methode vindt de vermenging van het droge mengsel met water plaats aan de spuitmond en bij de natte methode mengt men er vooraf water door. De droge methode is meestal het goedkoopst. Bij onvoldoende bevochtiging ontstaan er plekken te droge specie die onvoldoende kunnen verharden, zogenaamde zandinsluitingen. Afhankelijk van de samenstelling en korrelstructuur van het spuitbeton kan men lagen tot zes centimeter opbrengen. Het grootste probleem bij spuitbeton is het optreden van krimpscheuren, met name bij CC-mortels. Om een goede uitvoeringskwaliteit te borgen kan een opdrachtgever voor beton en historisch beton naar diverse kennisdocumenten en richtlijnen verwijzen. Voor technische eisen aan (modern) beton zijn de normen en richtlijnen NEN-EN 1504, de BRL 3201 en CUR-Aanbevelingen beschikbaar. In deze documenten bepalen vooral de uitvoeringsklasse, de milieuklasse en de gevolgklasse de werkwijze bij betonreparatie. De technische eisen zijn echter niet altijd verenigbaar met de uitgangspunten voor onderhoud en herstel van historisch beton. Voor een goede omgang met en herstel van historisch beton zijn door Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) uitvoeringsrichtlijnen ontwikkeld waarin behoud van cultuurhistorische waarden voorop staat. De beschikbare ERM-richtlijnen zijn: Uitvoeringsrichtlijn Betonrestauratie-advies-URL 2003 en Uitvoeringsrichtlijn Betonrestauratie-realisatie-URL 4005. In de praktijk kiest men de herstelmethode en het reparatiemateriaal vaak vooral op basis van praktische aspecten tijdens de uitvoering en kosten. Echter, voor de duurzaamheid is het belangrijk dat het herstelde onderdeel de juiste eigenschappen krijgt. Daarbij zijn onder andere de trek-, druk-, en hechtsterkte en elasticiteit, ofwel E-modulus, belangrijk. Ook de thermische uitzettingscoëfficiënt van het herstelmateriaal kan van belang zijn, met name bij constructies die onvoldoende zijn gedilateerd. Dus niet alleen de verwerkbaarheid van de specie tijdens de uitvoering is belangrijk, maar juist ook de eigenschappen van het uitgeharde herstelmateriaal. De vereiste eigenschappen van het herstelmateriaal zijn daarom bepalend bij de keuze van een hersteltechniek. Bij omvangrijk herstelwerk ligt spuitbeton voor de hand. De kosten per vierkante meter liggen veel lager dan bij handmatig repareren, dat arbeidsintensief is en waarbij men vaak duurdere PCC-mortels gebruikt. In gevallen waar men met behulp van een geometrisch eenvoudige bekisting of een hoge herhalingsgraad kan werken, is het aangieten van mortel aantrekkelijk. Bij volledig cementgebonden mortels moet in vochtige omstandigheden de dekking minimaal 20 millimeter zijn. In combinatie met een oppervlaktebeschermingssysteem, zoals een verflaag, kun je soms een kleinere dekking accepteren. Wanneer men onvoldoende dekking kan bereiken en een verflaag niet mogelijk is, kan een dichtere PCC-mortel de wapening mogelijk voldoende beschermen. Een geverfd betonoppervlak zonder bijzondere textuur kun je meestal probleemloos herstellen. Met een verflaag kun je kleurverschillen tussen oud en nieuw materiaal eenvoudig wegwerken. Het type verfsysteem bepaalt in belangrijke mate de uitstraling. Bij veel historische betonconstructies heeft het al dan niet geverfde betonoppervlak een specifieke structuur die bepalend is voor de monumentale waarde. Veel voorkomend is de structuur die bewust of onbewust is ontstaan door tijdens de bouw gebruikte houten bekistingsdelen. Kenmerken daarbij zijn zowel de ‘banenstructuur’, die de bekistingsdelen hebben achtergelaten, als de houtnerfstructuur, die is ontstaan door het bekistingmateriaal. Los van de historische waarde van die structuur kan het ontbreken daarvan ter plaatse van de herstellingen het beeld van de betonconstructie verstoren. Terugbrengen van de structuur is daarom vaak gewenst. Ook herstel van gewassen grindbeton stelt hoge eisen aan de uitvoering. Het soort grind en de korrelgradering bepalen in sterke mate de esthetische uitstraling daarvan. Beoordelen van het herstel van gewassen grindbeton is zonder proefvlakken niet mogelijk. De RCE adviseert om, afhankelijk van de karakteristieke kenmerken en cultuurhistorische waarden van het object, in gezamenlijk overleg te bepalen welke eisen men aan het herstel van het oppervlak moet stellen. Je kunt de oppervlaktestructuur herstellen door over het reparatiemateriaal een dunne extra toplaag aan te brengen. Deze enkele millimeters dikke lagen kunnen echter minder duurzaam zijn en kunnen de vochthuishouding negatief beïnvloeden. Bij kleine laagdikten hebben volledig mineraalgebonden mortels een groter risico om te verbranden of los te krimpen dan polymeergemodificeerde of -gebonden mortels. Reparatiematerialen met een hoog percentage polymeer hebben vaak een negatief effect op de droging van de constructie. Dergelijke lagen kunnen na verloop van tijd loskomen van de ondergrond, zeker als er vocht achter de laag kan komen of wanneer thermische spanningen kunnen ontstaan in toplaag en ondergrond. Als een gecertificeerd betonreparatiebedrijf het werk uitvoert worden er specifieke eisen aan de reparatiematerialen gesteld. Daardoor is het niet altijd mogelijk om (alleen) een op maat samengestelde mortel te gebruiken. Bij herstel van ‘schoon beton’ is het belangrijk dat het reparatiemateriaal na het drogen de goede kleur heeft. Opbrengen van een niet-dekkend laagje minerale verf, bijvoorbeeld door het vernevelen van een spuitbare silicaatverf. Schilderen met een polymeergemodificeerde mineraalverf. Daardoor beperk je zowel de indringing van vocht als van kooldioxide. Het oppervlak wordt bijgekleurd. Schilderen met een transparante, dampopen dispersieverf. De indringing van vocht en kooldioxide wordt sterk verminderd. Behandeling hiermee is een optie als de toestand kritiek is en je indringing van vocht en kooldioxide moet verminderen. Impregneren met een (bijen)wasemulsie. Een behandeling vermindert alleen de vochtindringing en is dus alleen zinvol als carbonatatie geen risico vormt of als het beton al volledig is gecarbonateerd. De levensduur van een (bijen)waslaag is echter beperkt. Regelmatig onderhoud is dan ook nodig (namelijk het aanbrengen van een nieuwe waslaag).

Infographic: herstelmaterialen en technieken voor monumentaal beton

Wanneer er in een betonconstructie statische scheuren aanwezig zijn... Bij het restaureren en verbouwen van historische panden zijn honderden aandachtspunten, valkuilen en tips te bedenken. Doen: gevels voegen en metselen met kalkmortels. Door foutief (en soms onnodig) voegwerkherstel wordt veel schade aan historische gebouwen toegebracht. In het algemeen geldt: zoek de voeg- en metselmortel die qua fysieke en esthetische eigenschappen het beste aansluit bij de directe omgeving, de baksteen. De meeste historische gebouwen, zeker woonhuizen van vóór 1900, zijn gemetseld, gevoegd en gepleisterd met kalkmortels. Dat zijn mortels waarin kalk het bindmiddel is (en zand het toeslagmiddel). Door deze eigenschappen is een kalkvoeg altijd zachter dan of even zacht als de omringende baksteen. Dat is een waardevolle eigenschap bij buitenmuren. Die moeten immers veel vocht kunnen transporteren. Vochttransport vindt plaats via de weg van de minste weerstand: in geval van kalkmortel is dat de voeg. Gevolg: de baksteen neemt het vocht op. Als het vriest kan de steen gemakkelijker kapot vriezen. Kalkvoegen nemen eenvoudig vocht op en kunnen het ook weer snel afstaan. Cementmortels worden door metselaars graag toegepast omdat je er sneller mee kunt bouwen en omdat ze beter waterdicht zijn (maar dat is dus juist een probleem bij ‘zachte bakstenen'). Cementmortels kun je alleen toepassen bij harde baksteen. Pas op met voorzetwanden voor buitenmuren die geen spouw hebben. Dat is vragen om ellende voor houten balkkoppen én camouflage van die ellende. Door het plaatsen van voorzetwanden wordt de buitenmuur relatief kouder en de binnenwand warmer. Het dauwpunt verplaatst daardoor meer naar binnen toe. Het vochttransport van binnen naar buiten verandert: het vocht condenseert niet meer in het buitenste gedeelte van de buitenmuur (waarna het naar buiten uitdampt), maar zal meer naar binnen condenseren. De houten balkkoppen zijn materiaaltechnisch gezien in combinatie met vocht het zwakste onderdeel. Als het hout het vocht niet snel kan afstaan, krijgen houtaantastende schimmels een kans om te groeien (bv bruinrot) en rotten de balken in, te beginnen bij de balkkoppen. Let ook op ventilatieroostertjes in de gevel: deze zitten er niet voor niks. Na het verwijderen van voorzetwanden en verlaagde plafonds komt de ellende vaak in het zicht: balkkoppen blijken verrot en gevelroosters dichtgezet. Een groot aantal bewoners van een monument wil een visgraatparket op de vloer. Toch is dat niet altijd ‘passend'. Zo zal men in utiliteitsgebouwen, zoals scholen en fabrieken, maar ook in raadhuizen en winkels, vaak steenachtige vloeren tegenkomen, van plavuizen en tegels tot betonvloeren. In stalgebouwen stenen en klinkertjes. Daarnaast is de functie van de ruimte vaak bepalend voor de vloerafwerking: in keukens en gangen werden plavuizen, tegels of granito toegepast, in woonvertrekken vaak hout (planken, grenen delen, vuren ondervloer met parket of plankenvloer met karpet) en in kelders plavuizen. Bij de keuze van een vloer is als laatste ook de ouderdom van het pand van belang: als in een deftig 18de eeuws huis de gangvloer teniet is gegaan, zal men in het algemeen géén granito moeten toepassen maar eerder een marmeren vloer. Controleer minstens twee keer per jaar de dakgoten. En controleer bij een flinke regenbui ook eens alle hoeken en gaten van de zolder. Maak dakgoten twee keer per jaar schoon, in het voor- en najaar. Dat klinkt wat zwaarwichtig, maar het is eenvoudig. De dakgoot ligt op afschot naar één of meer regenpijpen. Als de regenpijp verstopt is zal het water door het spuwertje naar buiten gutsen en wordt de bewoner gewaarschuwd. Durf kleur toe te passen maar doe dat weloverwogen. Vaak zal dit om (een bescheiden) kleuronderzoek vragen. De wit- en grijskleurige afwerkingslagen van gevels, hele villa's en interieurs zijn vaak een door de mode ingegeven keuze uit de 20ste eeuw. Eenvoudig kleuronderzoek bestaat uit het maken van een kleurtrapje, ook wel ‘stratigrafisch onderzoek' genoemd. Binnen een kleine strook worden met een scherp mesje vakjes verf van circa één á drie cm² weggekrabt, van jong naar oud, waarbij er steeds één extra laagje wordt weg gehaald. Daarmee worden de opeenvolgende afwerklagen blootgelegd. Let op! Als ramen en gevelhout helemaal kaal geschuurd lijken te zijn, zijn de historische kleuren vaak nog terug te vinden op onderdelen die niet snel slijten en op moeilijk bereikbare plekken, dus bijvoorbeeld op de kroonlijst hoog in de gevel of in de bovenhoeken van kozijnen of (in het interieur): achter de belegstukken van schuiframen. Tip II: pas op met Latex-verf (bevat plastic-achtige stoffen). Een goede schilder kan zo zien of er Latexverf of olieverf is toegepast of niet. Doen: kleine ingrepen pleeg je in het historisch minst kwetsbare materiaal. Dit wil zeggen het materiaal dat het gemakkelijkste is te vervangen en het minst waardevol is. Bij tegelwerk interieur geldt: bij een brede voeg boor je de gaatjes in de voeg. Bij een smalle voeg en weliswaar historische, maar niet zeldzame, tegels: midden in de tegel (dan beschadig je maar één i.p.v. twee tegels). Niet doen: ingrepen plegen die alleen voor de huidige gebruiker van belang zijn. Probeer te bedenken of de ingreep die u wilt doen van belang is voor het gebouw op de lange termijn of alleen voor het huidige gebruik. Doen: zorg dat de monumentale waarde zichzelf als het ware ‘beschermt'. De monumentale kwaliteiten van een gebouw zouden zó duidelijk moeten zijn dat niemand het in zijn hoofd zal halen om die kwaliteiten aan te tasten. Bijvoorbeeld in een Overijsselse boerderij, waar in kast restanten van een bedstede werden gevonden. Na demontage van de inbouwkast kwam het hele decoratieve tegelwerk tevoorschijn en de bouwsporen (o.a. Neem de tijd. Architectonisch en historische waardevolle huizen zijn gebouwen met een bijzondere bouw-, gebruiks- en/of bewonersgeschiedenis. Ze kenmerken zich door een opmerkelijk ontwerp, goed doordacht materiaalgebruik of speciale interieurs en details. Uw monument zit niet te wachten op de snelste restauratie of verbouwing, maar op de meest duurzame. Er zijn monumenteigenaren die elkaar aanraden om eerst een tijd in het pand te gaan wonen. Huur een goede adviseur in, zoals een restauratiearchitect, een bouwhistoricus of een kleuronderzoeker. Gebruik geen kruiskopschroeven maar platkopschroeven. Het klinkt misschien overdreven, maar in de bouw kun je je een leven zonder kruiskopschroef nauwelijks meer voorstellen. Iedereen die wel eens een gipsplaat heeft bevestigd weet hoe handig ze zijn. De kruiskopschroef is begin jaren dertig bedacht door de Amerikaan Joh n P. Thompson. De Amerikaan Henry F. Vanaf 1937 werd de schroef al toegepast in de auto-industrie (General Motors). Ondanks het feit dat beton vaak gezien wordt als een modern bouwmateriaal, werd beton al meer dan honderd jaar geleden gebruikt bij de bouw van panden. Veel monumentale panden bestaan dan ook voor een groot deel uit betonnen constructies. Door de leeftijd van de panden bevatten ze vaak veel beschadigingen, goed onderhoud is dan ook erg belangrijk. Sinds het einde van de 19e eeuw word beton constructief gebruikt in de bouw van panden, het is dan ook niet gek dat het beton door de jaren heen beschadigingen heeft opgelopen. Vaak ontstaat deze schade doordat het wapeningsstaal in het beton verroest, bijvoorbeeld door een te hoog vochtgehalte. Het beton van het monumentale pand is jarenlang blootgesteld aan invloeden van buitenaf, zoals weersomstandigheden. Vandaag de dag wordt ernstige aantasting van het beton van monumenten steeds vaker duidelijk. Gelukkig zijn wij bij MW Bouwgroep gespecialiseerd in het restaureren, renoveren en onderhouden van betonnen constructies. Onze specialisten beschikken over de juiste kennis en ervaring om monumentale panden te repareren. Één van onze referenties is de met trots gerestaureerde Thuredrith Aula op begraafplaats Essenhof te Dordrecht dit schitterende pand dateert uit 1938 en ademt een barokke sfeer uit. Sinds 1988 is de aula gesloten geweest. Toen het crematorium weer geopend werd, bleek dat het monumentale pand restauratie nodig had. Bij MW Bouwgroep brengen we uw woonwensen tot leven met hoogwaardige renovaties en bouwprojecten op maat. Of het nu gaat om een luxe badkamer, een balkon renovatie of een complete woningverbouwing, ons team van ervaren vakmensen staat garant voor kwaliteit en oog voor detail. Bent u klaar om uw renovatieplannen werkelijkheid te maken?

tags: #het #monument #vloer