Vernedering is een emotie die de meeste mensen kennen, maar waar ze niet graag aan denken of over praten. Dit lijkt in de wetenschap niet anders te zijn. Onder emotie-onderzoekers is verrassend weinig aandacht voor vernedering. Dat is opvallend want vernedering wordt in de media steeds vaker genoemd in de context van ontgroeningsrituelen bij studentenverenigingen en in het leger. Voorstanders van dergelijke rituelen stellen dat vernedering van de nieuwe leden de onderlinge groepsband versterkt. Het woord vernedering verwijst zowel naar een handeling-het (vaak publiekelijk) naar beneden halen, kleineren, of denigrerend behandelen van (een) ander(en)-als naar een emotie.
In dit artikel wordt vooral gericht op vernedering als emotie, gedefinieerd als: “het intens nare gevoel dat is geassocieerd met de (waarneming van) het onterecht worden gedegradeerd, bespot of gekleineerd-in het bijzonder, iemands identiteit is omlaag gehaald of gedevalueerd” (Hartling & Luchetta, 1999, p. zelf-bewuste emoties, waar ook schaamte, gêne, schuld, en trots onderdeel van zijn. Zelf-bewuste emoties horen bij het zelf-bewustzijn, dat de basis vormt voor hoe men zichzelf beschouwt (Tracy & Robins, 2007).
Vernedering valt binnen de ‘familie’ van zelf-bewuste emoties, maar geldt anderzijds ook als een verband met boosheid. Daarmee samenhangend is vernedering gerelateerd aan verschillende, soms tegenstrijdige actiegeneigdheden. Ten tweede is vernedering een zeer intense emotie die veel denkcapaciteit vergt. Dit blijkt bijvoorbeeld uit onderzoek (Otten & Jonas, 2014) waarin deelnemers scenario’s lazen die vernederende gebeurtenissen beschreven (bijvoorbeeld: “Je ziet je internet-date op de afgesproken locatie. Je date bekijkt je één keer, draait zich dan om en loopt gauw weg”). De deelnemers lazen ook scenario’s die boosheid, blijdschap, of schaamte opriepen en ze werden geïnstrueerd om aan hun eigen emotionele reacties in deze situaties te denken.
Mensen kunnen zich vernederd voelen als ze worden gepest, getreiterd, belachelijk worden gemaakt, of worden buitengesloten (Elison & Harter, 2007; Elshout, Nelissen, & Van Beest, 2016; Harter, 2012; Veldhuis, Gordijn, Veenstra, & Lindenberg, 2014). Zulke gevoelens worden vaak sterker als er anderen aanwezig zijn bij het vernederende incident (bv. Combs et al., 2010). Aanwezige anderen kunnen zich echter op verschillende manieren gedragen. Ze kunnen meedoen met de dader, maar ze kunnen ook proberen het slachtoffer te helpen. In ons onderzoek (Mann, Feddes, Leiser, Doosje, & Fischer, 2017) vroegen we deelnemers zich in te leven in scenario’s waarin de hoofdpersoon wordt beledigd in het bijzijn van anderen (een publiek) waarna deze anderen lachen of niet reageren. Tevens biedt een persoon uit het publiek het slachtoffer steun door de dader op diens gedrag aan te spreken, of er wordt geen steun geboden. Deelnemers rapporteerden meer vernedering als het publiek lachte dan als dat niet het geval was. Er was echter geen effect op gerapporteerde vernedering van steun uit het publiek.
Het is mogelijk dat in dergelijke publieke situaties het bieden van steun inderdaad niet veel uitmaakt. Er moet echter meer onderzoek worden gedaan naar andere typen positieve reacties. In het huidige onderzoek is maar naar één soort reactie gekeken die mogelijk het publieke karakter van de vernedering versterkt. We weten nu wat vernedering is en dat gevoelens van vernedering worden versterkt als er een lachend publiek aanwezig is in de situatie. Een situatie waarin vernedering vaak voorkomt in het bijzijn van een, al dan niet lachend, publiek is tijdens ontgroeningen van sportclubs en studentenverenigingen of in trainingen van het leger. Vernedering is dan onderdeel van het inwijdingsritueel met als argument dat dergelijke rituelen de band tussen nieuwelingen in de groep bevorderen. Het blijkt echter dat wanneer een ontgroeningsritueel elementen bevat die de slachtoffers ervaren als vernederend, dit het vormen van een hechte groep juist in de weg staat.
Eerder onderzoek (Lodewijkx & Syroit, 1997; 2001) toonde al aan dat een zware ontgroening er niet voor zorgde dat nieuwelingen de groep leuker gingen vinden, maar juist dat zij de groep minder leuk vonden. In ons eigen onderzoek (Mann, Feddes, Doosje, & Fischer, 2015) richtten we ons specifiek op vernederende ervaringen tijdens ontgroeningen. We ondervroegen mensen die ooit een ontgroening bij een studentenvereniging hadden ondergaan. Daarnaast simuleerden we in het lab een ontgroening waarin deelnemers tijdens een dansoefening in groepen (licht) werden vernederd. Ook vroegen we respondenten zich in te leven in scenario’s waarin de hoofdpersoon werd ontgroend. Deze ontgroening was alleen zwaar of hij was zwaar en ook vernederend. In alle studies vonden we een negatief effect van ervaren vernedering op de groepsband. Hoe sterker mensen zich vernederd voelden, des te meer ze zich uit de groep wilden terugtrekken. Dit was in het bijzonder het geval als iemand in zijn of haar eentje voor de rest van de groep belachelijk werd gemaakt. Ook rapporteerden deelnemers die zich meer vernederd voelden een sterkere wens om wraak te nemen op de daders. We concluderen hieruit dat een ontgroening op zichzelf niet per definitie slecht is, maar dat het vernederende element binnen een ontgroening beter weggelaten kan worden, althans, als het doel van de ontgroening is een hechte band tussen de feuten te bewerkstelligen.
Als kanttekening moet hierbij worden vermeld dat we in het huidige onderzoek steeds naar de effecten van vernedering tijdens ontgroeningen op de korte termijn hebben gekeken. Vernedering is een zeer intense en complexe emotie, gerelateerd aan zowel schaamte als boosheid en de daarmee geassocieerde actiegeneigdheden. Gevoelens van vernedering worden versterkt door negatieve reacties van aanwezige anderen, zoals lachen na een belediging. In een groep leidt ervaren vernedering niet tot meer saamhorigheid, maar juist tot de neiging zich terug te trekken of de wens wraak te nemen. Het is belangrijk dat er in de toekomst meer cross-cultureel onderzoek wordt gedaan naar vernedering.
Hoewel we weten dat er in veel talen een woord bestaat voor vernedering (bv. Ginges & Atran, 2008), wat betekent dat men bekend is met de emotie, weten we niet óf en hoe gevoelens van vernedering van elkaar verschillen en of vernedering verschillende actiegeneigden tot gevolg heeft. Zo kan het dat mensen in zogenoemde ‘eer-culturen’ zich sneller vernederd voelen en daar, om hun eer te herstellen, agressiever op reageren dan mensen in andere culturen.
Het is ook relevant om vernedering in bredere contexten te plaatsen zoals ostracisme (uitsluiting) en straatintimidatie, die elk op zichzelf psychologische en sociale effecten hebben. Ostracisme wordt gedefinieerd als het afwijzen, buitensluiten of volledig negeren van een persoon en kan voorkomen op school, het werk, of in vriendengroepen. De gevolgen zijn onder andere gevoelens van eenzaamheid, depressie en een verminderd gevoel van eigenwaarde. Straatintimidatie bestaat uit naroepen, nafluiten en vergelijkbare gedragingen in de openbare ruimte en heeft consequente effecten op vrijheidsgevoel en veiligheid.

In de context van psychische mishandeling en huiselijk geweld spelen vernedering en isolatie ook een grote rol. CBS-onderzoek laat zien dat ruim 870.000 volwassenen in de huiselijke kring psychische mishandeling hebben meegemaakt. Voor kinderen heeft psychische mishandeling een grote impact, en de gevolgen kunnen doorwerken in de volwassenheid. Hulporganisaties zoals Fonds Slachtofferhulp werken aan onderzoek en aan passende hulp en pleiten voor bredere maatschappelijke steun en strengere wetgeving tegen psychische mishandeling.
Cancel-culture en ostracisme laten zien hoe publieke veroordeling en uitsluiting maatschappelijke processen kunnen sturen. Sociale normen en groepsconformiteit spelen een cruciale rol bij het al dan niet toegeven aan de druk van de groep. Daarnaast kan publiek vernederen automatiseren tot wraak of depressie bij de slachtoffers. Het balanceren van verantwoordelijkheid en menselijke waardigheid blijft een kernvraag bij het omgaan met vernedering in groepen en de doorwerking naar agressie of uitsluiting.
Oostracisme, vernedering en initiatie: hoe context en publiek gedrag de groepsvorming beïnvloeden
Bij ontgroeningen blijkt dat vernedering de groepsband negatief kan beïnvloeden als deze vernedering intens en publiek wordt ervaren. In labstudies en veldonderzoek werd vastgesteld dat hoe sterker iemand zich vernederd voelt, hoe geringer de kans op affiliatie is. Publiek lachend of afwijzend gedrag versterkt deze effectketen, terwijl steun van omstanders kan variëren in invloed. Dit ondersteunt de conclusie dat een ontgroening die vernederende elementen bevat, geenszins noodzakelijk is voor een hechte groep; regulering van deze elementen kan de groepsvorming juist bevorderen.
Oostracisme: definities, fases en impact. Kipling Williams beschrijft drie fasen: de gebeurtenis zelf, hoe men ermee omgaat, en uiteindelijk het erbij neerleggen. Slachtoffers die leren omgaan met buitensluiting spiegelen zich aan de daders of reageren agressief als verzoening niet mogelijk blijkt. De psychische gevolgen kunnen depressie en hopeloosheid omvatten, en ook fysieke effecten zijn mogelijk. Voor daders is de motivering vaak straf, maar niet altijd bewust, en voor omstanders is het soms een impliciet fenomeen waarover weinig bekend is. Een toekomstig onderzoek kan de verschillende perspectieven van daders, omstanders en slachtoffers verder verkennen met vignettes en naturalistische scenarios.

Straatintimidatie en verwerping in publieke ruimten zijn gerelateerd aan gendernormen en percepties van mannelijkheid. Slachtoffers rapporteren angst, depressie en verlies van veiligheid in openbare ruimtes. Gemeentelijke initiatieven in Den Haag, Amsterdam en Utrecht richten zich op bewustwording, meldingsbereidheid en handhaving. Zo proberen ze de normen te verschuiven en de ruimte voor slachtoffers te vergroten, onder meer via training van handhaving en het geven van duidelijke nazorgpaden.
Tot slot zijn er aanbevelingen voor hulpverleners en organisaties: creëer bewustzijn over de unieke impact van grof en extreem geweld, voer doelgroepanalyses uit voor nazorg na incidenten, en normaliseer nazorg zodat hulp toegankelijk en laagdrempelig blijft. Het doel is om slachtoffers van vernedering en uitsluiting te ondersteunen zonder dat publieke vernedering als instrument voor groepsbinding wordt herhaald.
Het Stanford-gevangenisexperiment en de psychologie van het kwaad
In de toekomst is cross-cultureel onderzoek essentieel om te begrijpen hoe vernedering verschillende actiegeneigdheden oproept in diverse culturen, en hoe groepsnormen kunnen worden aangepast om inclusie te bevorderen in plaats van uitsluiting.
| Onderwerp | Belangrijkste bevindingen | Toepassing |
|---|---|---|
| Vernedering in ontgroeningen | Negatief effect op groepsbinding; sterker vernedering = sterkere drang om te vertrekken | Vermijden van vernederende elementen |
| Oostracisme | Depressie, hopeloosheid, fysiologische pijn; coping door imitatie of agressie | Omstanders betrekken, duidelijke signalen en hulp |
| Straatintimidatie | Angst, depressie, verlies van vrijheid; gender- en LHBTQIA+-rechten als kwetsbare groepen | Gemeentelijk beleid en voorlichting |
Een meta-analyse en verdere cross-culturele studies kunnen helpen om te begrijpen hoe vernedering met andere emoties verweven raakt en hoe dit varieert over contexten zoals sportclubs, studentenverenigingen en militaire trainingen. Het is cruciaal dat beleid en praktijken gericht op groepsvorming rekening houden met deze complexe emoties en streven naar inclusie zonder vernedering.