Isolatiebeleid MRSA-patiënt: richtlijnen en implementatie op het OK-complex

Voor deze module is geen systematische literatuursearch uitgevoerd. Voor deze module is gebruik gemaakt van de richtlijn Isolatie en de richtlijn tuberculose van de Centers for Disease Control and Prevention (CDC).

De maatregelen volgens de richtlijn Isolatie zijn van toepassing op het OK-complex. Patiënten in druppelisolatie worden op een eenpersoonskamer, in cohortverpleging of in eilandverpleging verpleegd met borging van 1,5 meter afstand tussen patiënten. Onder deze voorwaarde is verblijf op holding en verkoever mogelijk. Op de OK, holding en verkoever moeten materialen die binnen anderhalve meter van de geïsoleerde patiënt aanwezig zijn gereinigd en gedesinfecteerd worden.

Wanneer voor de patiënt een indicatie bestaat voor aerogene isolatie, dan is een isolatiekamer nodig. Voor de definitie van een isolatiekamer wordt verwezen naar de richtlijn Isolatie. Op een OK-complex is eigen sanitair niet van toepassing. Indien op de holding of verkoever geen isolatiekamer is, dan wordt de patiënt rechtstreeks naar de operatiekamer gebracht en ook daar verkoeverd. Op de operatiekamer bestaat een positieve drukhiërarchie in tegenstelling tot een isolatiekamer. Dit is verder uitgewerkt in de module Drukhiërarchie bij aerogene isolatie.

Materialen en apparatuur op de OK moet men beschouwen als gecontamineerd bij aerogene pathogenen. Echter als de micro-organismen niet via contact worden overgebracht brengen gecontamineerde materialen en apparatuur geen risico met zich mee voor anderen. Indien een patiënt in gecombineerde contact- en aerogene isolatie is, moeten alle niet-benodigde materialen en apparatuur verwijderd worden uit de OK. Na het vertrek uit een kamer (isolatiekamer of OK) van een patiënt met een aerogeen overdraagbare infectie moeten de deuren gesloten blijven en een FFP2-mondneusmasker gedragen worden in de kamer.

Isolatie kan een negatieve impact hebben op het welzijn van de patiënt. Aandacht voor proportionaliteit van isolatiemaatregelen is daarom van belang. De WIP-richtlijn Isolatie is gewijzigd in richtlijn Isolatie. In het belang van duurzaamheid en proportionaliteit is het goed om de actuele richtlijnen onder de aandacht van alle gebruikers te brengen. Voor de maatregelen bij een patiënt in contact-, druppel- of aerogene isolatie of een combinatie ervan gelden de aanbevelingen uit de richtlijn Isolatie.

De werkgroep is van mening dat het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen bij contact- en druppelisolatie op het OK-complex niet anders is dan bij een patiënt opgenomen op een verpleegafdeling. In geval van afwezigheid van een eenpersoonskamer zal voor druppelisolatie de afstand van 1,5 meter tot andere patiënten geborgd moeten worden om transmissie van het betreffende micro-organisme te voorkomen. Bij aerogene isolatie zal de patiënt in een isolatiekamer moeten verblijven. Indien die niet aanwezig is op holding of verkoever, dan dient de patiënt bij binnenkomst direct naar de operatiekamer te worden gebracht en na afloop aldaar te worden verkoeverd. Belangrijk om hierbij op te merken is dat voor sommige micro-organismen een indicatie is voor een combinatie van aerogene en contactisolatie. Hierbij gelden beide aanbevelingen.

Bij het verzorgen en behandelen van patiënten met een isolatie-indicatie dienen infectiepreventiemaatregelen genomen te worden, boven op de algemene voorzorgsmaatregelen. Deze maatregelen staan beschreven in de richtlijn Isolatie. Door infectiepreventiemaatregelen wordt het risico op transmissie verminderd, maar niet volledig opgeheven. Daarnaast brengen isolatiemaatregelen kosten, gebruik van materialen en mogelijk verlenging van de proceduretijd (door voorbereiding, verkoeveren op de operatiekamer, extra reiniging/desinfectie nadien) met zich mee. Bij alle patiënten met een isolatie-indicatie moet zorgvuldig worden afgewogen of de procedure op dat moment moet plaatsvinden. Of dat kan worden gewacht tot de isolatie opgeheven kan worden.

Voor algemene voorzorgsmaatregelen wordt verwezen naar de richtlijnen Handhygiëne en persoonlijke hygiëne medewerker, Persoonlijke beschermingsmiddelen en Reiniging en desinfectie van ruimten. Beschermende isolatie voor bijvoorbeeld patiënten na een stamceltransplantatie valt buiten de scope van deze richtlijn.

No systematic literature analysis was performed for this clinical question, because the nature of this question does not lend itself well to be an answer by means of a systematic review of original scientific research.

Dr. D.A.A. Drs. M.C. Dr. F. Prof. Dr. M.H.J. Drs. D. Dr. S. Ir. R. Dr. I.J.B. Drs. Dr. E.S. Dr. P. Drs. S. A. D.A. A. N.H.B.C. J. I. Drs. A.E. Bc. A. De Code ter voorkoming van oneigenlijke beïnvloeding door belangenverstrengeling is gevolgd. Alle werkgroepleden hebben schriftelijk verklaard of zij in de laatste drie jaar directe financiële belangen (betrekking bij een commercieel bedrijf, persoonlijke financiële belangen, onderzoeksfinanciering) of indirecte belangen (persoonlijke relaties, reputatiemanagement) hebben gehad. Gedurende de ontwikkeling of herziening van een module worden wijzigingen in belangen aan de voorzitter doorgegeven.

Een overzicht van de belangen van werkgroepleden en het oordeel over het omgaan met eventuele belangen vindt u in onderstaande tabel. Dr. D.A.A. Drs. M.C. Dr. F. Prof. Dr. M.H.J. Drs. D. Dr. S. Ir. R. Dr. I.J.B. Drs. Dr. E.S. Dr. P. S. A. D.A. A. N.H.B.C. J.

Er werd aandacht besteed aan het patiëntenperspectief door uitnodigen van Patiëntfederatie Nederland (PFNL) voor de knelpunteninventarisatie. De verkregen input is meegenomen bij het opstellen van de uitgangsvragen, de keuze voor de uitkomstmaten en bij het opstellen van de overwegingen. Bij de richtlijn is conform de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz) een kwalitatieve raming uitgevoerd of de aanbevelingen mogelijk leiden tot substantiële financiële gevolgen.

Hoewel uit de toetsing volgt dat de aanbeveling(en) breed toepasbaar zijn (>40.000 patiënten), volgt uit de toetsing dat het overgrote deel (±90%) van de zorgaanbieders en zorgverleners al aan de norm voldoet. Deze richtlijnmodule is opgesteld conform de eisen vermeld in het rapport Medisch Specialistische Richtlijnen 2.0 van de adviescommissie Richtlijnen van de Raad Kwaliteit. Tijdens de voorbereidende fase inventariseerde de werkgroep de knelpunten in de zorg m.b.t. infectiepreventie op het OK-complex. De werkgroep beoordeelde de aanbeveling(en) uit de eerdere richtlijn op noodzaak tot revisie.

Tevens zijn er knelpunten aangedragen door NVZ, NGG (NOG), VCCN, NOV, SVN, NVMM, VHIG, VDSMH, NVKF, BRV, NVT, THI-werkgroep, NVA en NVAB via de knelpunteninventarisatie. Na het opstellen van de zoekvraag behorende bij de uitgangsvraag inventariseerde de werkgroep welke uitkomstmaten voor de patiënt relevant zijn, waarbij zowel naar gewenste als ongewenste effecten werd gekeken. Hierbij werd een maximum van acht uitkomstmaten gehanteerd.

De werkgroep waardeerde deze uitkomstmaten volgens hun relatieve belang bij de besluitvorming rondom aanbevelingen, als cruciaal (kritiek voor de besluitvorming), belangrijk (maar niet cruciaal) en onbelangrijk. Een uitgebreide beschrijving van de strategie voor zoeken en selecteren van literatuur is te vinden onder ‘Zoeken en selecteren’ onder Onderbouwing.

Indien mogelijk werd de data uit verschillende studies gepoold in een random-effects model. Review Manager 5.4 werd gebruikt voor de statistische analyses. GRADE onderscheidt vier gradaties voor de kwaliteit van het wetenschappelijk bewijs: hoog, redelijk, laag en zeer laag. Bij het beoordelen (graderen) van de kracht van het wetenschappelijk bewijs in richtlijnen volgens de GRADE-methodiek spelen grenzen voor klinische besluitvorming een belangrijke rol.

Om de grenzen voor klinische besluitvorming te bepalen moeten alle relevante uitkomstmaten en overwegingen worden meegewogen. De grenzen voor klinische besluitvorming zijn daarmee niet één op één vergelijkbaar met het minimaal klinisch relevant verschil (Minimal Clinically Important Difference, MCID). Om te komen tot een aanbeveling zijn naast (de kwaliteit van) het wetenschappelijke bewijs ook andere aspecten belangrijk en worden meegewogen, zoals aanvullende argumenten uit bijvoorbeeld de biomechanica of fysiologie, waarden en voorkeuren van patiënten, kosten (middelenbeslag), aanvaardbaarheid, haalbaarheid en implementatie.

Deze aspecten zijn systematisch vermeld en beoordeeld onder het kopje ‘Overwegingen’ en kunnen (mede) gebaseerd zijn op expert opinion. Hierbij is gebruik gemaakt van een gestructureerd format gebaseerd op het evidence-to-decision framework van de internationale GRADE Working Group. De aanbevelingen geven antwoord op de uitgangsvraag en zijn gebaseerd op het beschikbare wetenschappelijke bewijs en de belangrijkste overwegingen, en een weging van de gunstige en ongunstige effecten van de relevante interventies.

De kracht van het wetenschappelijk bewijs en het gewicht dat door de werkgroep wordt toegekend aan de overwegingen, bepalen samen de sterkte van de aanbeveling. Conform de GRADE-methodiek sluit een lage bewijskracht van conclusies in de systematische literatuuranalyse een sterke aanbeveling niet a priori uit, en zijn bij een hoge bewijskracht ook zwakke aanbevelingen mogelijk. De sterkte van de aanbeveling wordt altijd bepaald door weging van alle relevante argumenten tezamen. In de GRADE-methodiek wordt onderscheid gemaakt tussen sterke en zwakke (of conditionele) aanbevelingen.

De drie kernpunten zijn: de aanbeveling is afhankelijk van afweging van voor- en nadelen; er kunnen meerdere geschikte interventies zijn; beleidsbepaling vereist brede betrokkenheid en afstemming.

Infographic: Drukhiërarchie en isolatiekamer

In het beleid rondom MRSA worden infectiepreventiemaatregelen toegepast bij MRSA-positieve patiënten, terwijl MRSA-positieve medewerkers vaak worden uitgesloten van directe patiëntenzorg. Infectiepreventiemaatregelen (waaronder isolatie) zijn erg belastend voor patiënten, evenals het weren van zorgverleners van de directe patiëntenzorg. De toegevoegde waarde van het verplegen van MRSA-positieve patiënten in een isolatiekamer met drukhiërarchie en het dragen van een schort en haarbedekking door zorgmedewerkers ter voorkoming van MRSA-transmissie is niet geheel duidelijk.

Voor het (correct) gebruik en de specifieke eigenschappen van persoonlijke beschermingsmiddelen wordt verwezen naar de richtlijn Persoonlijke beschermingsmiddelen. Morgan (2020) evaluated whether contact precautions decreased MRSA acquisition in LTCFs, compared to standard precautions. In algemene zin is er draagvlak voor het versoepelen van infectiepreventiemaatregelen bij medewerkers met LA-MRSA ten opzichte van medewerkers met niet-LA-MRSA, maar dit vereist zorgvuldige afweging en moleculaire typering kan nodig zijn voor bevestiging.

Diagram: MRSA-zoek-en-vernietig beleid

Op dag 1, 2 en 5 van de kuur beddengoed volledig verschonen. Eventueel besmette gezinsleden / huisdieren gelijktijdig behandelen. Systemische behandeling gedurende minstens 7 dagen met een combinatie van 2 middelen, afhankelijk van in vitro gevoeligheid van de betreffende MRSA. De keuze van antibiotica kan overlegd worden met de dienstdoende arts-microbioloog. Lokale toepassing van mupirocine op de wond is niet gewenst, vanwege de kans op resistentievorming.

tags: #isolatie #mrsa #patient