De Nederlandse taal kent veel spreekwoorden. Sommige lijken misschien vreemd, anderen zijn grappig. Een deel is gemakkelijk te begrijpen, een ander laat ons met één groot vraagteken achter. Zochten mensen vroeger echt spijkers op laag water? Het antwoord is ja. Vroeger moest het personeel van scheepstimmerwerven op zoek gaan naar spijkers die in het water waren gevallen. Spijkers waren destijds namelijk duur, dus het was zonde om het te laten liggen. Het spreekwoord 'zo gek als een deur’ is ontstaan in de middeleeuwen. Het woord ‘dore’ had twee betekenissen namelijk ‘deur’ en ‘dwaas’.
Wanneer God in Frankrijk leven betekent een onbezorgd en gemakkelijk leven leiden. Het gezegde vindt haar oorsprong echter niet in de Franse taal, maar de Duitse. De waard is een ander woord voor herbergier. Wanneer een herbergier klaagde over zijn gasten, lag het probleem vaak aan zichzelf. Het spreekwoord betekent dat iedereen zijn eigen leed te verdragen heeft en is afkomstig van de kruisiging. Deze straf werd uitgevoerd in het oude Perzië en later kwam deze straf ook vaak bij de Romeinen voor. Als je ‘de schaapjes op het droge hebt’ ben je binnen en heb je het goed voor elkaar. Het gezegde is ontstaan uit ‘op het droge hebben’ zonder de toevoeging van koetjes/schapen, wat betekende dat het financieel goed ging.
Een trekdier zoals paarden of ezels achter de wagen spannen is geen goed idee. De boeren waren niet dom, ze wisten dat het dier vóór de wagen gespannen moet worden. Er wordt beweerd dat de gezegde afkomstig is van “een uitje met iemand te schillen hebben”. Waarom? De tranen die vloeien bij het schillen/ snijden van uien, slaan op de tranen die tijdens een ruzie stromen. Maar wist je dat de betekenis van “een appeltje met iemand schillen” uit sarcasme is ontstaan? Wie heeft hier niet van gehoord? Dat komt omdat de uitdrukking de waarheid bevat. Het drukt op een krachtige en beeldende manier uit hoe liefde ons vermogen om objectief te oordelen beïnvloed. Deze uitdrukking wordt toegeschreven aan de Franse dichter en schrijver Geoffrey Chaucer. 400.
Deze zegswijze, die openlijk, alom iets verkondigen beteekent, is ontleend aan den Bijbel, en wel aan Matth. 10, vs. 27: 't Gene ghy hoort in de oore, predickt dat op de daken. Men bedenke hierbij, dat de Oostersche huizen platte daken hadden, vanwaar men gemakkelijk eene menigte kon toespreken. In 't Mnl.: Dat ghi gheruunt hebt int ore, sal men predeken upt dac, dats overluut secghen (Mnl. Wdb. VI, 1703); A. Bijns, 136: Waerdt dat papen en muncken cranckelijck vallen, dat souden sij op de daken preken; De Brune, 385: Zoo haest hy hoort maer yemants lack, hy preeckt terstond dat op het dack; Wolff en Deken, C. Wildsch. VI, 159: Op de daken prediken; fr. crier, dire qqch sur les toits; hd. auf den Dächern predigen; eng.
Van een bonte kraai tot oude koeien - het Nederlands kent honderden spreekwoorden. Wat ze betekenen, weten we meestal wel. De vele tegeltjeswijsheden, clichés en waarheden als koeien die de Nederlandse taal rijk is, gaan vaak al honderden of zelfs duizenden jaren mee. Soms raakt er eentje in de vergetelheid, soms komen er weer nieuwe bij. Maar of ze onze taal nu al lang sieren of niet, achter al deze spreekwoorden schuilt een verhaal. Want waarom mogen we een gegeven paard niet in de bek kijken? En wie zegt dat oog om oog, tand om tand is?
Vier belangrijke bronnen van Europese spreekwoorden
“Net als raadsels, grappen of sprookjes, komen spreekwoorden niet uit de lucht vallen,” stelt Mieder. Volgens hem begint een spreekwoord altijd, bewust of onbewust, bij een zin of uitspraak van één persoon. Als deze zin elementen van waarheid en wijsheid bevat en voldoet aan andere spreekwoordelijke kenmerken (zoals rijm en alliteratie), blijft hij mogelijk hangen, wordt voor het eerst in een kleine familiekring gebruikt, vervolgens in een dorp, in een stad, een regio, een land, een continent - en vindt ten slotte zijn weg naar de rest van de wereld. Naast plaatselijk ontstane spreuken onderscheidt Mieder vier grote bronnen van spreekwoorden die in identieke bewoordingen in de meeste Europese talen zijn opgenomen.
- Latijnse spreuken uit de Klassieke Oudheid, vaak via Latijn en Grieks in Europese talen terechtgekomen. Voorbeelden zijn: “noli equi dentes inspicere donoti” (geef geen morsels van een gegeven paard), “carpe diem” (pluk de dag) en “one swallow does not make a summer” (één zwaluw maakt nog geen zomer).
- Bijbelse wijsheid uit de Bijbel en andere religieuze teksten, waarin citaten als “Wie wind zaait, zal storm oogsten” en “Oog om oog, tand om tand” veelvuldig zijn overgenomen.
- Middeleeuwse Latijnse en volkse gezegden die via vertaling in allerlei talen terechtkwamen, vaak met poëtische vormen zoals parallelismen en rijm.
- De angel van de moderne uitdrukkingen: Engelse leenwoorden en -spreekwoorden die in de 20e eeuw in Europa verspreid werden, zoals “No news is good news” of “Time is money”.
Daarnaast wijst Mieder op de vierde bron: contemporaine, moderne spreekwoorden die voortkomen uit massamedia, popcultuur en persoonlijke motto’s. Geheel eigentijds ontstaan ze via sociale netwerken en worden ze soms snel wijd verbreid, maar het kost tijd voordat ze als volwaardige spreekwoorden worden erkend.

Van Spreuken naar Nieuwe Spreekwoorden
“Iedereen kan een zin maken die een waarheid bevat en klinkt als een spreekwoord, maar dan ben je er nog niet: de spreuk moet in omloop zijn onder het volk, mensen moeten hem accepteren en regelmatig herhalen,” zegt Mieder. “Spreekwoord-achtige leuzen kunnen in de huidige tijd van computers en internet in luttele seconden de wereld over reizen. Maar blijven ze dan hangen?”
Wanneer we spreekwoorden uit allerlei talen en culturen met elkaar vergelijken, blijken ze vaak gemeenschappelijke inzichten uit te drukken. Duitse, Franse en Nederlandse uitdrukkingen delen vaak de kern: robuuste waarheid over menselijk gedrag, vriendschap, vergeving en voorzichtigheid. De zoektocht naar de oorsprong van moderne uitdrukkingen blijft echter vaak onduidelijk, omdat sommige bedenkers onbekend blijven of omdat uitdrukkingen versneld veranderen onder invloed van media en cultuur.
Spreekwoorden, uitdrukkingen en gezegden - Figuurlijk taalgebruik
Voorbeelden uit de Nederlandse traditie
“De uitdrukking is - in een iets andere vorm - voor het eerst aangetroffen in de bekende verhalenbundel Camera Obscura (uit 1839) van Hildebrand (pseudoniem van Nicolaas Beets).” Hildebrand verwees naar mussen die gapen onder hitte, terwijl moschen en musschen vroeger ook als spelling varianten voorkwamen.
“Er valt geen mus van het dak zonder dat het zo bedoeld is” is een uitdrukking die vaak aangehaald wordt in literaire kringen en duidt op het idee dat alles een reden heeft en dat de schrijver of schepper bepaalde gebeurtenissen stuurt. In Matteüs 10:29 staat: “Wat kosten twee mussen? Zo goed als niets. Maar er valt er niet één dood neer als jullie Vader het niet wil.”
Het moderne Nederlandse publiek herkent ook uitdrukkingen die uit de scheepvaart of Bijbelse traditie komen. Bijvoorbeeld: “Overstag gaan” ten opzichte van politieke of sociale wendingen, of “voor pampus liggen” als iemand niet alert genoeg is. Daarnaast bestaan er vele uitdrukkingen die teruggaan op vakmanschap, hindernissen of kennisverwerving - een teken dat Nederlandse spreekwoorden nauw verweven zijn met dagelijkse praktijk en geschiedenis.

Overzichtige samenvatting van de kernpunten
- Spreekwoorden geven uiting aan waarheid of levenswijsheid, maar zijn niet altijd feitelijk correct.
- De oorsprong van veel Nederlandse uitdrukkingen gaat terug tot Latijn, Bijbelteksten, middeleeuwse tradities en latere invloeden uit het Engels.
- Nieuwe spreekwoorden ontstaan voortdurend door creatie van zinnen die als waarheden klinken en wijd worden gedeeld.
- Het herkennen en traceerbaar houden van moderne spreekwoorden vereist contextuele kennis en cultuurgeschiedenis.
Belangrijke uitleg bij de hedendaagse perceptie
“Spreekwoorden vormen een vademecum voor jongeren en volwassenen, en dienen als geheugensteuntjes voor maatschappelijke normen en waarden.” De uitspraak van Mieder benadrukt dat wijsheid in spreekwoorden niet noodzakelijkerwijs diep genoteerd is als een wiskundige wet, maar als cultureel erfgoed dat zijn waarde heeft door herhaling en toepassing in dagelijkse situaties.