Geschiedenis en kenmerken van zwart-wit geblokt linoleum in jaren vijftig interieur

Forbo Flooring is al 125 jaar pionier op het gebied van linoleum. Wij maken deze natuurlijke en duurzame vloer in Assendelft. In 1899 richtte Willem Kaars Sijpesteijn de eerste Nederlandsche Linoleumfabriek op in Krommenie. Hij deed dit na aanwijzingen van de uitvinder van linoleum, de Engelsman Feederick Walton. Fabriek "Noord" gaat draaien met 23 werknemers, waaronder 7 Schotten, die de Zaankanters het vak leren. In 1903 brandt de nieuwe fabriek tot de grond toe af, ondanks de inzet van de drijvende brandspuit Jan van der Heijden. Op dezelfde plaats wordt de fabriek weer opgebouwd. De eerste 2 decennia van de 20e eeuw vormen een periode van groei en verdere omzetontwikkeling. Linoleum is een product dat snel furore maakt. Zo keken architecten hun ogen uit bij de opening van de Beurs van Berlage (1903) en verbaasden zich over de wonderlijke nieuwe vloerbedekking die daar lag.

Begin jaren 20 werken er al 123 mensen bij de fabriek. De grondstoffen voor linoleum komen uit verschillende werelddelen. India en Bangladesh leveren de benodigde jute. Het houtmeel komt van Europese bomen. Argentinië en Canada leveren de lijnolie, Portugal de kurk en het voor het maken van lichte kleuren belangrijke titaanwit komt uit mijnen in de Verenigde Staten en Australië. Om deze grondstoffen bij de fabriek te krijgen is de ligging van het fabriekscomplex, direct aan het water en goed bereikbaar over de weg, van eminent belang. De wijze van opslag is in de loop der jaren wel sterk veranderd. Linoxyn heette het halfproduct, dat na de eerste bewerking van lijnolie ontstaat. De linoxyn werd tussen warme walsen geplet. Het product linoleum is een mix van grondstoffen. Om de gunstige eigenschappen van de grondstoffen optimaal tot hun recht te laten komen, is een juiste mengverhouding essentieel. Het keurig met de hand afwegen van de juiste hoeveelheden behoort uiteraard tot het verleden. Het sjouwen met balen en zakken evenzeer. Het kalanderen is één van de meest kritische processen van de linoleumfabricage.

Het vakmanschap aan de kalanders is zo oud als het linoleum zelf. In al die jaren is de deskundigheid in toenemende mate ondersteund door moderne procestechniek. Drogen is een essentieel maar langdurig proces bij de productie van linoleum. Nadat het granulaat op een jute onderlaag is gewalst, wordt het product in kilometerslange banen te drogen gehangen. In de droogkamers kan het linoleum uitharden en bereikt het z’n juiste buigzaamheid en veerkracht. Qua beheersing van het proces en de procestechniek is er in de loop der jaren veel veranderd. In de eerste droogkamers van ‘Krommenie’ was nog veel mankracht nodig. Na-verbranders zorgen er nu voor dat lucht met koolwaterstoffen en linoleumgeur wordt verbrand, zodat geuroverlast wordt voorkomen. Ook wat dat betreft een aanzienlijke verbetering ten opzichte van vroeger. Forbo streeft naar kwaliteit op alle fronten. Er is sprake van voortdurende productontwikkeling en kwaliteitscontrole. Een belangrijke rol daarbij is weggelegd voor het laboratorium en de proeffabriek. Dat is nu zo en dat is in het verleden ook zo geweest. Het laboratorium was altijd het geweten en de ruggensteun van de productie.

In het begin werden de rollen nog per handkar en met paard en wagen van de fabriek naar het station vervoerd. Linoleum is een prachtig product, maar de rollen zijn wel zwaar. In het verleden werden het magazijn en de expeditie dan ook bevolkt door sterke kerels. De vooruitgang in de twintigste eeuw wordt duidelijk zichtbaar in de transportmiddelen. Van paard en wagen naar de eerste vrachtwagen in 1919. Linoleum vereist een perfecte wijze van installeren, zodat de gunstige producteigenschappen optimaal tot hun recht komen. De eerste ‘leg’cursussen werden in 1954 gegeven. En wat zouden de eerste trainers opkijken als zij het moderne opleidingscentrum hadden kunnen zien. Leggen heet nu installeren en het handjevol cursisten van het eerste uur zijn er later duizenden per jaar geweest. Forbo Flooring is een bedrijf in beweging. Een moderne procesindustrie waarin veel wordt geïnvesteerd in technologie, duurzaamheid en vooruitgang. Het is een interessant bedrijf om te bezoeken. Bijna dagelijks worden er rondleidingen voor groepen uit allerlei landen verzorgd. Met een zekere regelmaat kondigt zich ook hoog bezoek aan, waaronder leden van het Koninklijk Huis. Onze oprichter had in 1899 niet kunnen weten dat hij goud in handen had met een uniek natuurproduct, dat in deze tijd waardevoller is dan ooit.

Marmoleum is klimaatpositief van cradle to gate en daarom de meest natuurlijke vloer ter wereld. Dankzij de fotosynthese van alle planten en bomen die in Marmoleum gebruikt worden, wordt meer CO2-uit de lucht gehaald dan tijdens transport en productie wordt uitgestoten. Marmoleum, bijna voor 100% gemaakt van natuurlijke grondstoffen, vermindert niet alleen de impact op het milieu, maar verbetert ook binnenruimtes door het bevorderen van een tastbare en visueel aantrekkelijke link naar de natuurlijke wereld. Je loopt een woonwinkel in en je ziet ze overal. Strakke planken. Een rustige betonlook. Hout dat net echt lijkt. Veel mensen noemen het pvc, anderen zeggen pvc vloer. Toch zit er bij veel mensen een vraag in het achterhoofd. Is pvc wel gezond? Was dat vroeger niet anders? En hoe zit het met geur, weekmakers en binnenlucht?

Dat zijn logische vragen. Pvc is een kunststof. Het materiaal zelf lijkt saai, maar de truc zit in de mix. Pvc krijgt pas eigenschappen door toevoegingen. Denk aan stabilisatoren, vulstoffen en weekmakers. Daar draaide het historisch gezien om. In de vroege jaren ging de ontwikkeling vooral om twee doelen. Het moest betaalbaar zijn. En het moest tegen een stootje kunnen. Huizen, scholen en ziekenhuizen zochten iets dat lang mee ging, makkelijk schoon bleef en niet gevoelig was voor vocht. Maar er zat ook een keerzijde aan dat oude tijdperk. Sommige toevoegingen uit die periode paste men later minder graag toe. Niet omdat elke vloer meteen gevaarlijk was, maar omdat men toen minder streng testte op emissies en omdat bepaalde stoffen later onder een vergrootglas kwamen te liggen. Meer weten over de gezondheid van PVC vloeren? De eerste echte golf in vloerenland kwam toen vinylvloeren na de oorlog populair werden. Men wilde snel bouwen. Men wilde praktische materialen. Vinyl en pvc sloten daarop aan. De vloer rolde makkelijk uit, of kwam als tegel. In die tijd zag je vaak verlijmde vloeren. Lijm deed toen veel werk. Dat had een voordeel: strak en vast. Het had ook een nadeel: lijm gaf soms extra geur en uitstoot in de eerste periode na het leggen. Je merkt hier al een belangrijk punt. Als mensen zeggen dat pvc vroeger schadelijk was, dan doelen ze vaak op het totaalplaatje. Vroeger gebruikte men in sommige pvc producten weekmakers die later als minder gewenst zijn ingeschaald. Ook kende de industrie in oudere jaren stabilisatoren op basis van zware metalen. Verder speelde binnenlucht een rol. Nieuwe vloeren geven in de eerste dagen of weken altijd iets af. Dat geldt niet alleen voor pvc. Denk aan verf, kit en nieuwe meubels. Belangrijk detail: dit betekent niet dat elke oude pvc vloer een direct gevaar vormde in dagelijks gebruik. Het betekent wel dat de markt toen minder strak werkte met vaste emissietesten, vaste grenswaarden en vaste labels.

De huidige pvc vloer lijkt op het oude materiaal, maar de keten werkt totaal anders. Producenten formuleren strakker. De markt meet meer. In Europa geldt bijvoorbeeld een stevige beperking voor vier bekende ortho-ftalaten in consumentenartikelen. Dat dwingt fabrikanten tot andere keuzes in weekmakers. Veel moderne pvc vloeren draaien mee in systemen die uitstoot meten. Denk aan testmethodes voor vluchtige stoffen, met metingen na een vaste periode. Dus ja, pvc vloeren konden vroeger schadelijk zijn, vooral door oude additieven en door hogere emissies in combinatie met lijm. Maar dat beeld past niet op moderne pvc vloer die je bij een erkend bedrijf bestelt. Dit is een vraag die veel mensen stellen. Je koopt een vloer, je legt hem, en dan ruik je iets. Dat geeft twijfel. Een nieuwe vloer geeft de eerste tijd een productgeur af. Bij lage emissie vloeren zakt dat snel. Ventilatie helpt direct. Zet ramen open. Laat de temperatuur normaal. Let ook op de rest van de opbouw van de vloer. Een vloer is geen losse plank. Je hebt een ondervloer, soms egaline, soms primer, soms lijm. Die materialen bepalen vaak de meeste geur. Zo houd je grip op binnenlucht. Veel mensen denken dat pvc één laag is. Dat klopt niet. Een moderne pvc vloer bestaat bijna altijd uit meerdere lagen. Bovenop zit een transparante slijtlaag. Die laag vangt krassen en loopsporen op. Daaroverheen zit vaak een fabrieksmatige coating, vaak uv gehard. Daaronder zit de decorlaag. Dit is de print. Hier zie je de houtnerf, steen of betonlook. Onder de decorlaag zit de drager. Bij klassieke flexibele pvc is dat een pvc laag met vulstoffen. Bij modern rigid pvc zie je vaak een harde kern. Onderaan zit vaak een stabiliserende ruglaag. SPC staat voor een rigid core met veel mineraal vulmiddel, vaak calciumcarbonaat. In de praktijk betekent dit een stijvere plank, met goede maatvastheid. WPC heeft vaak een kern met meer “lucht” of schuimstructuur. Dat geeft wat meer comfort onder de voet en soms betere demping. Klassieke verlijmde pvc stroken zijn dunner en volgen de ondergrond sterker. Dat heeft een voordeel: je krijgt een superstrakke vloer als de ondergrond perfect vlak is.

Veel webshops gooien met getallen. Toch zegt niet elk getal iets. De slijtlaag dikte: Een slijtlaag van 0,3 millimeter past vaak bij normaal wonen. De totale dikte: Bij klikvloeren zie je vaak rond 4 tot 6 millimeter of meer. Dikker geeft vaak meer stabiliteit, maar niet automatisch beter. De toplaag en coating: Een goede uv coating maakt verschil bij onderhoud. Gebruiksklasse: Je ziet soms aanduidingen die verwijzen naar huishoudelijk en projectmatig gebruik. Laat je niet alleen leiden door “project”. En dan nog iets dat vaak vergeten raakt: de verbinding bij klik. Een sterke klikverbinding voorkomt kieren bij temperatuurwisselingen en wanneer erop gelopen wordt. Dat merk je pas na maanden. Pvc geleidt warmte beter dan dik tapijt. Dat geeft een snelle reactiesnelheid. Tegelijk houdt pvc niet van extreme temperaturen. Te heet stoken geeft spanning in de vloer. Een erkend bedrijf let daarom op drie punten. De vlakheid van de ondergrond, de juiste ondervloer of lijm en een opstartprotocol voor vloerverwarming. Ook hierbij is de ondergrond belangrijk. Vocht in de dekvloer geeft later geuren en problemen. Als je bij een erkend bedrijf bestelt, krijg je meestal drie zekerheden. Je krijgt productkeuze met documentatie. Je krijgt legadvies dat bij jouw woning past. Een erkend bedrijf stuurt vaak op emissielabels en testresultaten. Dat zie je terug in keuzes voor lage emissie lijm, lage emissie egaline en vloeren die binnen strenge schema’s vallen. Ook bij klachten zie je verschil. Ruik je na weken nog een sterke geur, dan kijkt een vakpartij naar vocht, ondergrond en gebruikte materialen. Ze pakken de oorzaak aan. Ja, mits je kiest voor lage emissie producten. Ventileer ook goed na installatie. Oud onderzoek koppelde oude pvc toepassingen en stofbelasting aan luchtwegklachten, maar dat ging vaak samen met oude weekmakers en factoren in de woning, zoals vocht. Moderne producten staan onder strenge regels. Klik PVC scheelt lijm, dus je mist een mogelijke emissiebron. Toch blijft de ondervloer belangrijk. De derde grote golf in de geschiedenis draait om uitstraling. Vroeger zag je snel dat het kunststof was. Ook het formaat veranderde. Brede planken geven rust. Toch blijft het advies simpel. Kijk niet alleen naar de foto. Bekijk een staaltje in daglicht. Kijk naar herhaling in het patroon. Voel de matte laag. En check hoe de v groef is afgewerkt.

Linoleum werd in de tweede helft van de negentiende eeuw ontwikkeld tot een vloerafwerking op basis van een combinatie van natuurproducten. Het bood een alternatief voor tegels, natuursteen, hout, karpetten en geolied zeildoek. Hoewel linoleum nog altijd wordt gebruikt, zijn de vroegste vormen ervan nauwelijks meer in historische interieurs aanwezig. Door wijzigende modes of visuele gebreken is de oorspronkelijke diversiteit aan typen en dessins vervangen door nieuwere vormen of geheel andere soorten vloerbedekking. Dit artikel gaat over de geschiedenis, productie en toepassingen van linoleum, over het onderhoud, veel voorkomende schades en de mogelijke reparaties ervan.

Historische afbeeldingen en infographics over linoleumproductie en vijftiger jaren interieur

Interieurdecoratie uit de jaren 50 die de stijl van het midden van de 20e eeuw definieerde

Afb. 1. Pagina uit folder Linoleum Krommenie Laat de kleuren zingen uit 1960. Afb. 2. Folder Linoleum Krommenie met kurklinoleum voor gymnastiekzalen uit 1959. Afb. 3. Folder Marmoleum, circa 1985. Afb. 4. Folder Colorite tegelvloeren, circa 1960. Afb. 5. Boekje met Colovinyl monsters, circa 1959. Afb. 6. Colovinyltegels kloosterkapel Maria-Roepaan in Ottersum, circa 1952. Foto: C.S. Afb. 7. Folder Novilon, circa 1979. De Engelse uitvinder Frederick Walton ontdekte in 1860 dat lijnolie afkomstig uit vlas, wanneer geoxideerd, een sterk product oplevert dat hij patenteerde als alternatief voor rubber. Hij ontwikkelde dit product verder tot een vloerbedekking die hij linoleum noemde en vroeg hier in 1863 patent op aan. De naam linoleum is een samentrekking van de Latijnse woorden linum (vlas) en oleum (olie).

In 1898 verkreeg P.H. Kaars Sijpesteijn uit Krommenie van Walton een licentie voor het maken van linoleum. Vanaf 1899 kon daardoor in Nederland linoleum geproduceerd worden door de N.V. Begin twintigste eeuw onderkenden architecten en ontwerpers steeds meer de praktische kwaliteiten van linoleum. Rond 1910 noemde Hendrik Petrus Berlage in een lezing linoleum “de meest praktische en goedkope vloerafwerking”. In de jaren twintig zien we in interieurs het gedessineerde linoleum, vaak bedrukt of als zogenaamd inlaid. De dessins werden daarbij afgestemd op de vaak kleurige en geornamenteerde stoffering van het interieur. De architecten van het Nieuwe Bouwen en De Stijl gaven de voorkeur aan effen linoleum, dat goed aansloot op hun sobere en lichte interieurs. Vanwege de oranje-bruine kleur van de geoxideerde lijnolie waren de kleuren in de beginperiode vooral donker en vaak wat bruinig. Marmoleum werd in 1930 op de markt gebracht en is nog steeds onder dezelfde naam te koop. In publicaties over interieurs in de jaren dertig verkondigden moderne ontwerpers steeds meer de boodschap dat het imiteren van materialen als marmer, steen, hout en tapijt onwenselijk was. Effen varianten en de inlaid linoleums in abstract-geometrische patronen werden gezien als meer moderne seriematig geproduceerde materialen.

Vanwege de grote vraag ernaar bleef de linoleumindustrie echter ook imitaties van andere vloertypen maken. Wel ging de fabriek in Krommenie het ontwerpen van nieuwe producten professionaliseren door zelfstandig gevestigde (binnenhuis-)architecten zoals Paul Bromberg in te huren. Gedurende de oorlog lagen de ontwikkelingen stil, maar mede dankzij een nieuwe afdeling Publiciteit bij Linoleum Krommenie leefde de linoleumproductie in de jaren vijftig op. Contacten met stichtingen die de moderne wooncultuur voor brede lagen van de bevolking bevorderen, zoals 'Goed Wonen' en 'Mens en Huis', zorgden voor meer naamsbekendheid en een beter imago. Om de kosten te drukken zocht men ook naar andere productiemethoden en materialen. Zo werd na de Tweede Wereldoorlog Linofelt op de markt gebracht als goedkoper alternatief. Als ondergrond voor de linoleummassa werd in plaats van jute asfaltpapier gebruikt. Vooruitstrevende ontwerpers roemden behalve de uitstraling ook andere eigenschappen van linoleum: het was waterdicht, isolerend, geluiddempend, duurzaam, hygiënisch en onderhoudsvriendelijk. Daardoor werd het steeds vanzelfsprekender dat, ondanks de hoge kosten ten opzichte van alternatieven als vloer- en viltzeil, linoleum niet alleen in particuliere woonhuizen maar ook in sociale woningbouw werd toegepast. De vloerafwerking werd met name gebruikt voor verkeersruimten, keukens, badkamers en kinder- en slaapkamers. In de jaren zestig kreeg linoleum veel concurrentie van diverse toepassingen van kunststof vloeren, zoals plastic asbesttegels en vinyl in banen. Maar ook tapijt werd een steeds grotere concurrent.

Naast vloerafwerking kent linoleum ook andere toepassingen. Walton ontwikkelde in 1877 een variant voor op de muur, ‘Lincrusta’, dat onder deze naam nog steeds wordt geproduceerd. Vanaf eind jaren vijftig werd ook glad effen linoleum vervaardigd speciaal voor op muren en deuren. Kurklinoleum werd ook gebruikt voor muren, maar dan vooral als prikbord of als hele 'prikwand'. Later, vanaf 1970, kreeg dat de naam Bulletin Board. Dit kon in de vorm van panelen, maar ook compleet wandvullend worden aangebracht. Naast gebruik als wand- en deurbekleding werd linoleum ook gebruikt als tafel- of bureaublad, in de jaren tachtig desktop linoleum genaamd. Door het gebruik als afwerking van kasten en tafelbladen, veelal in combinatie met een bijpassende vloerafwerking om de diverse oppervlakte-afwerkingen met elkaar te verbinden, kon er één geheel worden gecreëerd.

Linoleum bleek ook heel geschikt om te gebruiken in de grafische technieken voor het maken van linosnedes. Linoleum werd ook toegepast als drager voor kunstwerken van verf of collages met diverse materialen. Een bijzonder vroeg voorbeeld hiervan is de Eerste Bossche Wand (1884-1891) in het stadhuis van Den Bosch door A.J. Derkinderen. Schades in historische linoleumvloeren zijn mogelijk al ontstaan voordat de vloer was gelegd. Door onzorgvuldige opslag en transport van de linoleumrollen kunnen in het materiaal kleine haarscheurtjes ontstaan, die in de loop der tijd groter worden waardoor stof en vocht makkelijker kunnen binnendringen. Een vergelijkbaar schadepatroon kan ontstaan door het indringen van vocht vanuit de ondervloer, via naden of slijtageplekken.

Het gevolg kan zijn dat de jute onderlaag losraakt van de linoleummassa en - ernstiger - dat het kurk- en houtmeel in het linoleum opzwelt en vergaat. Linoleum is niet goed bestand tegen basische producten in bepaalde schoonmaakmiddelen. Behalve normale slijtage kan mechanische beschadiging optreden, bijvoorbeeld door schuivende stoelpoten, naaldhakken of het inlopen van scherpe deeltjes. Het nemen van preventieve maatregelen is belangrijk om schade aan historisch linoleum te voorkomen of te beperken. Om het verspreiden van vuil te verminderen kan bij de entree buiten een schoonloopmat en binnen een droogloopmat worden geplaatst. Daarnaast is het regelmatig en op de juiste wijze onderhouden van de vloer belangrijk voor een lange levensduur; vloeren hebben meer te lijden van verkeerd onderhoud met te agressieve middelen dan van het reguliere gebruik. Voor het behandelen van vervuiling onderscheiden we het verwijderen van vuil op de toplaag en het volledig verwijderen van de beschermende waslaag. In de meeste gevallen is het raadzaam het linoleum eerst met een droge katoenen doek schoon te maken. Bij het droogreinigen kan ook, nadat los stof is verwijderd, een Akapad spons worden gebruikt. Bij oud materiaal is de kans groot dat kleine haarscheurtjes aanwezig zijn, waardoor bij reiniging met water vocht diep kan indringen. Indien toch water met reinigingsmiddelen wordt gebruikt, moet het toepassen van sterk basische middelen met een PH-waarde boven de 9 worden vermeden. Dit kan leiden tot verzeping van de bindmiddelen in het linoleum, met een verweking van de toplaag als gevolg. Leng reinigingsmiddelen daarom ruim aan met water. Ervaring heeft geleerd dat met slechts 0,4% van de oppervlakte actieve stof Marlipal 1618/25 vuil voorzichtig met een microspons kan worden verwijderd, waarna de toplaag met gedemineraliseerd water kan worden gereinigd. Alleen indien het reinigen onvoldoende resultaat oplevert kan worden overwogen de waslaag door een restaurator met een daarvoor geschikt of op maat gemaakt reinigingsmiddel te laten verwijderen. Dit kan als neveneffect hebben dat het linoleum een paar tinten lichter wordt. Voor het repareren van modern linoleum bestaan bruikbare praktijkervaringen. In hoofdlijnen komen deze neer op het schoonmaken van gaten en krassen met een zachte katoenen doek en een schoonmaakmiddel met een neutrale pH-waarde. Een restant vloerbedekking kan vervolgens dienen als donormateriaal: schraap de toplaag eraf en verlijm het poeder in laagjes in het gat of de scheuren, waarbij de laagjes telkens goed worden aangeklopt met een hamer. Het restaureren van historische linoleumvloeren is een stuk moeilijker, doordat het materiaal verouderd is en het vaak zijn elasticiteit verloren heeft. Hiervoor bestaan geen eenduidige oplossingen. Doordat vaak wordt gekozen voor het vervangen van het historische materiaal in plaats van behoud in situ, is op dit gebied weinig onderzoek gedaan. Omdat oude linoleumvloeren steeds zeldzamer worden, heeft het de voorkeur altijd te onderzoeken of nog aanwezig historisch materiaal kan worden behouden en de levensduur ervan kan worden verlengd. Kleine schades kunnen worden hersteld volgens een methode overeenkomstig de praktijkervaringen met nieuw linoleum. Een op kleur gebrachte linoleumkit of pasta, die goed hecht en over dezelfde elasticiteit als het originele materiaal moet beschikken, kan in kleine beschadigingen en scheurtjes worden aangebracht. Als bindmiddel kan hiervoor een polyvinylacetaatdispersie worden gebruikt waaraan circa 60% vulstoffen zoals linoleummeel en pigment worden toegevoegd. Deze dient als surrogaat voor natuurlijke hars en lijnolie. Bij het vaststellen van de oorspronkelijke kleur van te repareren linoleum moet niet alleen rekening gehouden met eventuele vervuiling, maar ook met vergeling en verdonkering van de geoxideerde lijnolie. Enkele dagen blootstelling aan UV-straling - daglicht of TL- verlichting - kan de originele kleur al naar boven halen. Indien het linoleum niet ter plaatse kan worden behandeld, dient dit naar een geschikte locatie te worden vervoerd. Het loshalen van historisch linoleum moet voorzichtig gebeuren, omdat het materiaal door veroudering vaak bros is geworden. Soms is het linoleum aan de ondervloer gelijmd. In het verleden gebruikte men hiervoor onder meer lijmen gebaseerd op een mengsel van hars, lijnzaadolie en alcohol. Eventueel aanwezige scheuren en andere schades kunnen met Japans papier tijdelijk worden gefixeerd om verdere aantasting tijdens het transport te voorkomen. Een restaurator kan scheuren en kleine loslatende gedeelten injecteren met een lijmproduct op basis van polyvinylacetaatdispersies, waarna de vloerbedekking voorzichtig kan worden verzwaard met voorverwarmde gewichten tot de lijm is uitgehard. Bij opkrullende randen en blazen moet het linoleum eerst langdurig worden verwarmd om het voldoende soepel te maken. Het is ook mogelijk uitstulpend linoleum op een voorverwarmde vacuümtafel af te dekken met een PE-folie. Het vervangen van grotere stukken linoleum is niet eenvoudig. Men kan de ontbrekende gedeelten ontstoren en opvullen met een bijpassende, effen kleur. Indien er een substituut voorhanden is, wordt in de restauratiepraktijk vaak gekozen voor het inleggen uit een gelijksoortige restpartij. Vaak is toch sprake van kleurverschil of is het linoleum na een aantal jaren opslag bros geworden. Hierdoor is het aanbrengen van de vloerbedekking technisch gezien lastig en kan de kwaliteit van het eindresultaat onvoldoende blijken te zijn. Voor bijzondere oude patronen en dessins is het vervangen van materiaal nog moeilijker. Men kan dan overwegen het originele patroon met acrylverf of sjabloneertechnieken over te nemen op een nieuwe bijpassende effen drager, maar de vraag is of dit op termijn een bevredigend resultaat oplevert. Bentum, P.J. Blitterswijk Jr., J.J. van, Materialen en grondstoffen gebezigd bij inrichting van het interieur, Amsterdam 1934 (4de herziene druk), hoofdstuk VI Linoleum p. Bromberg, Paul, Hoe met weinig kosten een interieur om te tooveren, z.p. z.j. Elffers, Dick en Vriend, J.J., De grond waarop wij staan, Krommenie z.j. Förster, G., Josef E. en Buchholz, U., Linoleum. Hemelrijk, Liesbeth, Van Kandinsky tot Corneille. Jonge, W. de, ‘Een speurtocht naar het historisch linoleum’, in: Monumenten 25 (2004) nr. 9, p. Kaldewei, G. Kingma, V., ‘Licht, lucht, linoleum!’, in: Met stoom nr. 34 (1999),p. Koldeweij, E. e.a., Over de vloer. Koning, E. ‘Honderd jaar linoleumindustrie’, in: Krommenieër Kroniek nr. 13 (1999), p. Kun, J., ‘Filling losses in granite linoleum with Beva 371’, in: Ebenist 2016 p. Niegeman, Johan (red.) Ik kan wonen. Parks, B.W., ‘The history and technology of floorcloths’, in: APT Bulletin 21 (1989) nr. 3-4, p. Simons, Ep, Vloerbedekking. Simpson, Pamela H., ‘Comfortable, durable and decorative: linoleum’s rise and fall from grace’, in: APT Bulletin 30 (1999) nr. 2-3, p. Deze pagina is voor het laatst bewerkt op 1 apr 2025 om 03:02. Na de Tweede Wereldoorlog nam de productie van kunststoffen een hoge vlucht en werden steeds meer toepassingen bedacht. Ook in het interieur werden kunststoffen populair en dan met name op vloeren en wanden. Vooral de praktische voordelen werden aangeprezen, zoals hygiëne en slijtvastheid. Ook waren kunststof vloer- en wandbedekkingen gemakkelijk zelf te plaatsen en niet duur. Er kwam al gauw veel variëteit aan tegels en banen. Vanuit de Verenigde Staten werden na de Tweede Wereldoorlog asfalttegels in Nederland geïmporteerd. In de VS was tijdens de oorlogsjaren geëxperimenteerd met verschillende soorten plastic tegelvloeren. Door de grootschalige winning, en het goedkoper worden, van aardolie werd Amerika de bakermat van de kunststofindustrie. De asfalttegels waren goedkoop en makkelijk zelf te leggen, maar wel wat donker van kleur. Door de Nederlandse linoleumfabriek in Krommenie werden asfalttegels sinds 1950 geproduceerd onder de naam Colorite. Hiervoor werd de vloerzeilfabriek van R. Arends in Wijhe gebruikt, die in 1948 was aangekocht. Al snel werd de asfalt geheel of gedeeltelijk vervangen door een bruine hars, verkregen uit steenkoolteerolie, de zogenaamde cumaronhars. Daarnaast bestonden de tegels uit asbestvezels, minerale vulmiddelen en verfstoffen. Colorite was vooral geschikt voor betonnen vloeren. In navolging van Colorite en vergelijkbare producten werden plastic-asbesttegels geproduceerd. Deze tegels werden gezien als een aanzienlijke verbetering. Naast asbest bestonden de tegels uit polyvinylchloride (pvc), de veelgebruikte plasticsoort eind jaren vijftig die de cumaronhars vervangen. De fabriek in Krommenie verkocht sinds 1952 deze tegels onder de naam Colovinyl (afb. 1). Een derde type tegel was Coloflor, vanaf 1960 geproduceerd, en van homogene samenstelling met een hoog percentage bindmiddel. Deze tegels zijn tot 1977 geproduceerd, eerst in Wijhe, en daarna, toen de fabriek in Wijhe in 1968 sloot, weer in Krommenie. Als laatste werden ook Colodal tegels geproduceerd, een type tegel die erg leek op Coloflor, maar die wat dunner was, en werd verkocht in de maat 33⅓ x 33⅓ cm.

tags: #linoleum #zwart #wit #jaren #50