Bij historische baksteenconstructies komen verschillende vormen van schade voor. Zo is scheurvorming een veelvoorkomend probleem, maar ook afpoederen, afschilferen en afbrokkelen van baksteen en mortel treden regularly op. Het baksteenmetselwerk is een van de karakteristieken van menig monument. Het metselverband, het formaat en de textuur van de steen bepalen in belangrijke mate het karakter ervan. Daarnaast zijn het voegwerk, het zogenoemde patina en de afwerkingen bepalend voor de historische waarden van het baksteenmetselwerk. Bij het herstel van historisch baksteenmetselwerk is het van het grootste belang de relatie tussen deze aspecten niet uit het oog te verliezen. Het zo veel mogelijk behouden van historisch metselwerk moet bij herstel uitgangspunt zijn. Lees ook onze brochure Voegwerk.
Baksteenconstructies zijn onderhevig aan natuurlijke verwering en veroudering. Wind en water leiden op de lange duur, afhankelijk van de kwaliteit van de toegepaste materialen, tot schade aan baksteenmetselwerk. Veranderingen in de ondergrond en fundering kunnen leiden tot zettingen in de constructie, waardoor er scheuren kunnen ontstaan. Door veranderingen in de directe omgeving van historische gebouwen of door een andere belasting kan er een versnelde aantasting ontstaan, evenals door goed bedoelde maar verkeerd uitgevoerde bouwkundige ingrepen. Onder meer de uitvoering van bouwwerkzaamheden en de daarmee soms gepaard gaande tijdelijke verandering van de grondwaterstand kunnen aanleiding zijn tot schade.
Het bouwmateriaal baksteen wordt vanaf de tweede helft van de twaalfde eeuw in de Lage Landen opnieuw toegepast, nadat de techniek van het bakken na het vertrek van de Romeinen verloren was gegaan. De fabricage van baksteen vond allereerst plaats in het noorden van ons land, waarna het zich over het hele land verspreidde. Aangezien het fabricageproces slechts in beperkte mate kon worden beheerst, was er een grote variëteit in de kwaliteit van bakstenen. Ook de variaties in mineralogische samenstelling en structuur van de gebruikte grondstoffen speelden een rol. In de loop van de zeventiende eeuw wordt het fabricageproces, mede onder invloed van het kleiner worden van het formaat, steeds beter beheerst, waardoor er een vrij egale kleur wordt verkregen. Door het beter bewerken van de klei, het machinaal vormen van de steen, het bakken in een ringoven en later in een tunneloven, kon er een steeds betere baksteen worden geproduceerd. In de begintijd waren bakstenen fors van formaat. Afmetingen variërend van 30 tot 38 centimeter lang, van 16 tot 18 centimeter breed en van 8 tot 12 centimeter hoog waren zeer gebruikelijk. Dit grote formaat baksteen, de zogenoemde kloostermop, werd toegepast tot in de zestiende eeuw.

In de loop van de tweede helft van de veertiende eeuw vond vanuit het westelijke deel van het land reductie van het formaat plaats. In het algemeen kan worden gesteld dat hoe groter het formaat is, hoe ouder de baksteen. Enige voorzichtigheid op dit punt is geboden, mede gezien de levendige handel die in de veertiende eeuw tot ontwikkeling kwam. De mechanisering van het productieproces in de negentiende eeuw heeft uiteindelijk geleid tot de standaardisering van baksteenformaten. De eerste bouwwerken in baksteen werden, analoog aan de Romeinse techniek in natuursteen, in kistwerk opgetrokken. Kistwerk is een muurconstructie, samengesteld uit twee halfsteensmuren, waartussen stortwerk, te weten puin, grind en mortel, is aangebracht. Om deze muren met het stortwerk te verbinden zijn er soms zeer spaarzaam koppen in de laag verwerkt.
Wanneer dit met een zekere regelmaat gebeurt, om de drie à elf strekken, spreekt men bij historisch metselwerk van kettingverband. Van Noors verband is sprake indien er na elke twee strekken een kop is gemetseld. Vroeg baksteenmetselwerk is vaak uitgevoerd in Vlaams verband, met na elke strek een kop. Dit metselverband werd tot in de veertiende eeuw toegepast. Vanaf het tweede kwart van deze eeuw ontwikkelt zich een metselverband waarbij de strekkenlaag wordt afgewisseld met een koppenlaag, het staand verband. Rond het begin van de zestiende eeuw treedt er een verandering in dit verband op. Door de opvolgende strekkenlaag een halve strek te verschuiven ontstaat het kruisverband. Dit verband wordt vanaf de zeventiende eeuw vrij algemeen gebruikt, tot aan het tweede kwart van de twintigste eeuw, toen de spouwmuur in zwang kwam. Het toepassen van kwart bakstenen, ofwel klezoren, in de koppenlaag is altijd gebruikelijk geweest. Rond 1600 worden de kop en klezoor in de koppenlaag samengevoegd en doet de drieklezoor zijn intrede. En ongeveer een eeuw later wordt de drieklezoor in de strekkenlaag toegepast. Het tijdstip van invoeren van deze hoekoplossingen kan per streek nogal uiteenlopen. Naast deze metselverbanden, in steensmuren of dikker, werd van oudsher het halfsteensverband gebruikt. Er zijn talrijke historische voorbeelden van baksteenmetselwerk dat geheel of gedeeltelijk op de een of andere wijze is afgewerkt en bewerkt. Afwerkingen zoals sausen en oliën, maar ook bewerkingen als schuren, scharreren, ofwel ribbelen, en profileren van de baksteen zijn hiervan bekende voorbeelden. Ook het toepassen van een afwijkende kleur baksteen, al dan niet verglaasd, en van natuursteen, is een middel dat karakteristiek kan zijn voor de architectuur van gevelmetselwerk, evenals de toepassing van bijzondere baksteenconstructies en ornamenten in de vorm van metseltekens. Daarnaast is de relatie tussen het baksteenmetselwerk - met zijn eventuele afwerkingen en bewerkingen - en het voegwerk van belang.
Oorzaken van schade en tegengaan van scheurvorming
Scheurvorming heeft vaak een constructieve oorzaak, maar het kan ook het gevolg zijn van bouw- of materiaaltechnische problemen. Hieronder volgt een overzicht van constructieve en bouwtechnische problemen die kunnen voorkomen bij metselwerk. De vorm van de scheur, zoals wijdte, richting en verloop, geeft een deskundige veel informatie over de mogelijke schadeoorzaken. Zettingen zijn verticale verplaatsingen van een gebouw of een deel daarvan als gevolg van veranderingen in de ondergrond of fundering. Door met name ongelijkmatige zakkingen ontstaan zettingsverschillen in het gebouw die tot scheurvorming leiden. Bij oude gebouwen kan er sprake zijn van verschillende bouwfasen, waardoor bijvoorbeeld de fundering een ongelijke aanleg heeft. De kans op zettingsverschillen is daardoor groter, zeker wanneer er geen overbruggingsconstructie is aangebracht. Het inklinken van de ondergrond door de verlaging van de waterstand of door het krimpen van de grondslag, zoals bij veen het geval kan zijn, leidt tot zettingen in baksteenconstructies. Ook wanneer houten funderingsconstructies hun draagkracht verliezen doordat ze boven water komen en gaan rotten of doordat ze worden aangetast door bacteriën kan er zetting optreden. Schade kan ook voortkomen uit bodemdaling als gevolg van het wegspoelen van bestanddelen uit de grond, doordat regenwaterafvoeren of bestratingen met goten en riolen in slechte toestand verkeren. Gaswinning kan ook leiden tot bodemdaling. Bewegingen in de ondergrond kunnen worden veroorzaakt door de uitzetting van de grond als gevolg van de inwerking van vorst, door groei van boomwortels en het bewegen van het wortelbed door winddruk op de kruin van de boom. Graafwerkzaamheden, verkeerstrillingen en heiwerkzaamheden zijn ook veelvoorkomende oorzaken van zettingen.
Door het eigen gewicht of door het gebruik kan een gebouw zwaarder worden belast dan zijn draagvermogen. Er kan ook sprake zijn van een te geconcentreerde, sterk wisselende of langdurig zware belasting. Ook kan de belasting op de ondergrond per bouwdeel te veel verschillen. Door een latere aan- of opbouw kan de maximale draagkracht van fundering of constructie plaatselijk worden overschreden. Zo kan het aanbrengen van woningscheidende vloeren op verzakking van de fundering heeft tot forse scheurvorming geleid op een van de kwetsbare plekken van een gebouw, boven de deur.
Grote delen van het metselwerk van het reduit van fort Vechten zijn in het verleden ingeboet. Door met name thermische werking zijn deze vernieuwde delen weer losgescheurd van het oude werk en op termijn tot schade geleid. Kruip is het in de tijd toenemen van de materiaalvervorming als gevolg van een constant zware belasting. Bij baksteenmetselwerk is kruip zeer beperkt. Alleen bij hoge constructies zoals torens zou het een rol kunnen spelen en wanneer metselwerk is verbonden met materialen die een grotere gevoeligheid hebben voor kruip, zoals hout, staal en beton. Alle ondeskundige wijzigingen aan een monument kunnen direct of op termijn tot schade leiden doordat de constructie plaatselijk wordt overbelast. Als voorbeelden kunnen worden genoemd het verwijderen van schoren in kapconstructies, het uitnemen van ringankers, het verwijderen van ankerbalken in houtconstructies van vooral boerderijen en het doorbreken of wegnemen van een bouwmuur of schoorsteen.
Er zijn baksteenconstructies die later geheel of gedeeltelijk voorzien zijn van een nieuwe buitenschil, vaak van steen en mortel van andere kwaliteit. De toegevoegde buitenschil is meestal niet dikker dan een halve steen, al worden torens en molens wel met steensdikke schillen aangetroffen. Vaak is de materiaal- en mortelkeuze naar de huidige inzichten een onjuiste, met als gevolg dat de nieuwe buitenschil los van de kern is komen te staan. Bouwmaterialen zetten uit of krimpen bij temperatuurveranderingen. De mate van uitzetting en krimp is afhankelijk van de temperatuurverandering en de thermische uitzettingscoëfficiënt van het materiaal. Scheurvorming als gevolg van thermische spanningen kan ontstaan doordat in een constructie de temperatuurschommelingen te groot zijn. Maar ook doordat er verschillende materialen zijn toegepast met sterk van elkaar verschillende thermische uitzettingscoëfficiënten. Er kan sprake zijn van verschillende soorten materiaal, zoals baksteen en beton of baksteen en staal, maar ook van verschillende kwaliteiten van één soort materiaal, zoals een zachtgebakken en een hardgebakken steen. Verwarming door de zon kan de temperatuur van het buitenste deel van het baksteenmetselwerk tot hoge waarden opvoeren. De temperatuur van het binnenwerk kan daarbij achterblijven, waardoor er grote spanningsverschillen in de constructie ontstaan. Wanneer vervormingen worden verhinderd doordat er geen dilatatievoegen aanwezig zijn of de spanningen niet door de mortel kunnen worden opgenomen, kunnen er scheuren ontstaan. Grote temperatuurverschillen kunnen ontstaan door verschillen in oriëntatie. Zo kunnen er grote spanningen ontstaan in rondlopend metselwerk, zoals een schoorsteen, toren of molenromp, waarbij de zuidzijde veel meer opwarmt dan de noordzijde. Maar ook in een lange muur met één oriëntatie kunnen de thermische spanningen zo hoog oplopen dat er verticale scheuren ontstaan en losse schollen. Met name bij forten komt dit regelmatig voor. Ook bij steunberen, met hun naar verhouding tot de massa grote buitenoppervlakken, kunnen problemen ontstaan. Bij sommige baksteenconstructies bestaat een deel van de gevel uit een andere kwaliteit baksteen dan de kern. De kern bestaat in dat geval meestal uit een minder hard gebakken steen. Onder invloed van de verschillen in uitzettingscoëfficiënt kunnen er lateraal scheuren ontstaan - dat zijn scheuren evenwijdig aan het oppervlak -, waardoor de buitenschil loskomt van de kern.
De flexibiliteit van de mortel is soms bepalend voor het al dan niet ontstaan van scheuren. Bij gebouwen die zijn samengesteld uit zowel baksteenmetselwerk als beton of staal kunnen er problemen ontstaan. Zeker als de verschillende materialen aan het buitenoppervlak grenzen en direct door de zon kunnen opwarmen. Het roesten van ijzer kan een zes tot acht maal zo groot volume aan ijzermateriaal tot gevolg hebben. Wanneer ijzer dat is verankerd in metselwerk gaat roesten kan metselwerk uit elkaar worden gedrukt. Roestende verankeringen, doken, duimen en ringankers in baksteenmetselwerk zijn oorzaak van zeer veel schade. Metselwerk kan bouwschadelijke zouten bevatten. Ook kunnen er verbindingen aanwezig zijn of worden gevormd die veel water opnemen en daardoor zwellen. Wanneer dergelijk zoutbelast metselwerk onderhevig is aan een sterke vochtbelasting kan er scheurvorming optreden. Ook door inwerking van vorst kan er, wanneer metselwerk is verzadigd met vocht, zwelling ontstaan die tot scheuren leidt.
Diagnose, herstel en uitvoering
Allereerst dient de oorzaak van de schade te worden vastgesteld. Op basis van een eerste visuele inspectie moet een deskundige vaststellen welke soorten onderzoek daarvoor nodig zijn. Pas wanneer de oorzaak van de schade is vastgesteld en indien mogelijk weggenomen of gestabiliseerd, is het zinvol herstelwerkzaamheden uit te voeren. De herstelmethode wordt meestal niet alleen bepaald door de schadeoorzaak, maar ook door het schadebeeld. Er zijn vier verschillende mogelijkheden. Een scheur kan stabiel statisch zijn. Bijvoorbeeld wanneer er een eenmalige zetting heeft plaatsgevonden, die tot de vorming van een bepaalde scheur heeft geleid. Wanneer door thermische werking een zogenaamde natuurlijke dilatatie is ontstaan, is de scheur meestal stabiel dynamisch. Wanneer een scheur heel geleidelijk toeneemt, bijvoorbeeld door roestend ijzer, kun je spreken van een instabiele statische scheur. Een scheur kan ook instabiel dynamisch zijn, bijvoorbeeld als metselwerk overbelast is en is gefundeerd op een veenbodem met wisselende grondwaterstand. De laatste twee vormen vragen zonder meer om herstelmaatregelen. Bij stabiele scheuren zijn herstelmaatregelen niet altijd noodzakelijk. Bij dynamische scheuren kunnen bepaalde ingrepen ook averechts werken. De activiteit van een scheur kan worden gemeten met een zogenaamde scheurmeter. Deze bestaat uit twee perspex plaatjes met raster en schaalverdeling, die zodanig aan weerszijden van de scheur worden bevestigd dat ze vlak voor elkaar langs bewegen. Ook kan de scheur plaatselijk worden dichtgezet met gips. Door bij te houden binnen hoeveel tijd het gips weer losscheurt, ...

Over baksteen en historisch metselwerk is al zeer veel geschreven. om met schelpkalk fraai metselwerk te kunnen maken. verschillende kleuren en vormen, die voor onze historische steden karakteristiek is. Het voor ons zo vertrouwde metselwerk laat nog veel zien over hoe het gemaakt werd. Wat is er in Amsterdam nog te vinden aan oud metselwerk uit de periode tussen circa 1300 tot 1850?
Dit materiaal werd al toegepast door de Romeinen, die voor hun bouwerken ook platte (tegel) bakstenen toepasten. vertrek van de Romeinen uit ons land verdween ook het gebruik van baksteen en de techniek om deze te maken. Omdat baksteen in die tijd samen met tufsteen werd gebruikt zijn de baksteenformaten uit die periode fors, circa 31 x 16 x 7 cm. jonge zeeklei werd gebruikt. Door temperatuurverschillen bij het bakken kunnen bovendien kleurnuances ontstaan. Kolk/Nieuwendijk (circa 1280) zijn de tot nu toe oudst bekende bakstenen van Amsterdam gevonden (tek. 1). geel/rood van kleur en hebben eveneens een afmeting van circa 31 x 16 x 7 cm.
(Voortzetting van historische formaties en detailleringen uit Amsterdam wordt later beschreven in de tekst.)

Praktische uitvoering en stappenplan
Een bakstenen buitenmuur krijgt veel te verdragen. Regen, wind, temperatuurverschillen en vocht stellen hoge eisen aan het metselwerk. Daarom is het belangrijk dat de buitenmuur vanaf de fundering goed wordt opgebouwd. Ook de voegen, waterkering en spouwankers spelen daarbij een belangrijke rol. Binnenmuur: de dragende muur aan de binnenzijde van de woning. Spouw met isolatie: de ruimte tussen de binnenmuur en buitenmuur. In deze ruimte wordt vaak isolatiemateriaal geplaatst, zoals PIR platen. De spouw helpt om vocht af te voeren en warmteverlies te beperken. Buitenmuur van bakstenen: het zichtbare metselwerk aan de buitenzijde. Deze muur beschermt de woning tegen regen, wind en vuil. De bakstenen buitenmuur wordt met spouwankers aan de binnenmuur bevestigd. Deze spouwankers zorgen ervoor dat het metselwerk daadkrachtig blijft. Meer over het verankeren van de muren lees je in stap 10.

Ga je metselen? Dan moet je altijd rekening houden met de weersomstandigheden. Verschillende weersomstandigheden hebben veel invloed op de hechting, uitharding en uitstraling van het metselwerk. Metsel daarom niet zomaar bij regen, vorst en hoge temperaturen. Metselen bij regen: Metsel niet wanneer het regent. Zo verklein je de kans op kalkuitbloei- en uitslag. Begint het tijdens het metselen toch te regenen? Stop dan direct en dek het verse metselwerk goed af met een afdekzeil. Bovendien mag regen niet rechtstreeks op het metselwerk vallen voordat de metselmortel hard is. Dit heeft als gevolg dat metselmortel uit de voegen kan spoelen. Metselen bij vorst: Metsel niet bij een temperatuur van 0 °C of lager. De metselmortel hardt dan niet of nauwelijks uit. Dit kan leiden tot hechtingsproblemen. Metsel bij voorkeur bij een temperatuur van minimaal 5 °C en maximaal 30 °C. Zo kan de metselmortel goed uitharden. Metsel je bij een temperatuur boven de 0 °C? Bekijk dan altijd de weersvoorspelling voor de nacht. Als de temperatuur ’s nachts onder -3 °C komt, stop dan op tijd met metselen. Houd verder rekening met onderstaande punten: Dek de pallets met bakstenen af, zodat ze niet kunnen bevriezen. Verwerk nooit bevroren bakstenen. Werk niet op een bevroren of ontdooiende ondergrond of bij risico op vorst binnen 24 uur. Dek het verse metselwerk goed af. Metselen bij hoge temperaturen: Houd er bij hoge temperaturen rekening mee dat het metselwerk extra moet worden voorbevochtigd en nabehandeld. Voorkom dat de bakstenen direct in het zonlicht staan en zet ze neer in de schaduw. Gebruik je te droge stenen? Gebruik je te natte stenen? Dan kan de metselmortel niet goed uitdrogen en hecht het minder goed aan de bakstenen. Dilataties zijn voegen die beweging in het metselwerk opvangen. Een bakstenen buitenmuur krijgt te maken met temperatuurverschillen, vocht, krimp en beweging van de achterliggende constructie. Zonder dilataties kunnen spanning en schade ontstaan, met scheurvorming als mogelijk gevolg. Een dilatatie moet vooraf worden meegenomen in het metselplan. Dit is niet meer op te lossen als de buitenmuur al volledig is gemetseld. Laat je hierbij altijd adviseren door een vakman of constructeur.

Welke benodigdheden heb je nodig om een bakstenen buitenmuur te metselen? Controleer de vochtigheid van de bakstenen, omdat te droge of te natte stenen lastig te verwerken zijn en de metselmortel dan minder goed kan hechten. Meng bakstenen uit meerdere pakketten. Pak de stenen diagonaal van de pakketten af. Zo ontstaat een mooie kleurschakering aan de gevel. Controleer regelmatig het metselkoord, zodat de lagen recht en op gelijke hoogte blijven. Maak niet te veel metselmortel tegelijk aan, omdat het snel uitdroogt en uithardt. Stappenplan hoe metsel je een bakstenen buitenmuur? Gebruik het onderstaande stappenplan om een bakstenen buitenmuur te metselen. Een bakstenen buitenmuur metsel je op een fundering. Het is belangrijk om de fundering goed te controleren om latere verzakkingen en structurele schade te voorkomen. Ligt er nog geen betonnen ondergrond? Dilatatievoegen in het metselwerk zijn nodig om scheurvorming te voorkomen. Het is daarbij belangrijk dat je vóóraf bepaalt waar dilataties nodig zijn. Achteraf, als de hele buitenmuur is gemetseld, is dit niet meer mogelijk. Laat je hierover adviseren door een vakman of constructeur, zodat de dilataties op de juiste plek worden gemetseld. Dilatatievoegen = is een verticale voeg en onderbreking in het metselwerk. Hierdoor kan de buitenmuur werken bij temperatuurverschillen, vocht, krimp en beweging van de achterliggende constructie. Bevestig per hoek een multiplex plaat op de fundering met betonschroeven. Deze multiplex plaat vormt het vaste voetpunt voor het metselprofiel. Plaats één metselprofiel per hoek. Zet het metselprofiel op de multiplex plaat en plaats twee schoorlatten haaks op elkaar om het profiel stevig vast te zetten. Zorg ervoor dat je de schoorlatten aan de buitenkant van het metselwerk plaatst, zodat ze niet in de weg zitten tijdens het metselen. Wil je in jouw bakstenen buitenmuur een deurdoorgang maken? Zet dan het kozijn op de juiste plek en stel dit loodrecht op de schoorlatten. Plaats bovendien ook een lat in het deurkozijn voor extra stevigheid. Deze stap kun je overslaan als je geen deurkozijn in de buitenmuur wilt. Voor het bepalen van de lagenmaat leg je 10 rijen bakstenen uit in halfsteensverband. Meet hiervan de gezamenlijke lengte op en deel het getal door 10. Tel daar vervolgens een voegbreedte van ongeveer 10 tot 12 mm bij op. Om de kopmaat te bepalen, leg je de bakstenen horizontaal uit om de breedte van de stootvoegen te meten. Vaak wordt hiervoor 1 cm tussenruimte aangehouden. Neem zowel de laag- als de kopmaat over op de metselprofielen die je vooraf hebt geplaatst. Stootvoeg = is de verticale voeg tussen twee bakstenen naast elkaar. Span tussen de metselprofielen een metselkoord op de hoogte van de eerste laag bakstenen. Dit metselkoord gebruik je als hulpmiddel, zodat de bakstenen in één rechte lijn komen te liggen. Stem de metselmortel altijd af op de bakstenen die je gebruikt. Niet elke baksteen neemt namelijk even snel water op. Dit kan invloed hebben op de hechting, verwerking en stevigheid van het metselwerk. Controleer daarom vóór het metselen de initiële wateropneming van de steen. Deze informatie staat op de verpakking.

Bij Sleiderink bestel je onder andere deze metselmortels: Sakrete metselmortel, Dyckerhoff metselmortel, Portland cement, Spenner Bouwkalk wit CL90. Twijfel je over de juiste metselmortel? Laat je dan adviseren door onze productspecialisten of door een vakman. Maak de metselmortel aan in een speciekuip of betonmolen volgens de verhoudingen van de fabrikant. Gebruik schoon water en meng tot een gelijkmatige, goed verwerkbare specie. De metselmortel moet goed aan de bakstenen hechten, maar mag niet zo nat zijn dat de stenen gaan schuiven of wegzakken. Tip! Zorg er voor dat je nooit meer metselmortel aanmaakt dan je binnen de verwerkingstijd kunt verwerken in verband met de uithardingstijd.

Voor het maken van een strak metselverband moeten bakstenen soms op maat worden geknipt. Leg de eerste rij bakstenen eerst droog uit op de fundering langs het gespannen metselkoord. Zo controleer je of de rij goed uitkomt in de lengte en waar de stootvoegen komen. Haal de bakstenen daarna weg. Breng met de metseltroffel een laag metselmortel aan op de fundering. Leg de eerste laag bakstenen. Strijk ook voldoende metselmortel op de kopse kant van de bakstenen, zodat de stootvoeg goed gevuld wordt. Metsel je de buitenmuur niet in één dag af? Leg dan een afdekzeil klaar om het metselwerk te beschermen tegen regen, vorst en felle zon. Breng een dunne laag metselmortel aan op de eerste twee lagen bakstenen voordat je de waterkering plaatst. Zorg dat je de waterkering schuin laat aflopen en iets buiten de gevel laat uitsteken. Op de waterkering leg je de volgende rij bakstenen. De bakstenen kantel je telkens iets naar achteren, zodat de overtollige metselmortel langs de voorzijde naar buiten komt. Verwijder vervolgens per baksteen de overtollige metselmortel langs de voorzijde. De eerste lagen bakstenen liggen nu met daartussen een waterkering. Span daarom het metselkoord op hoogte. Breng per baksteen een schep metselmortel aan op de onderliggende laag en spreid deze uit met de metseltroffel. Houd daarbij voldoende mortel over voor de kopse kant van de volgende steen, zodat de stootvoeg tussen twee bakstenen goed gevuld wordt. Plaats de baksteen in het mortelbed en schuif deze voorzichtig tegen de gevulde stootvoeg. Buig het spouwanker licht afhellend in de mortelvoeg. Verdeel de metselmortel met de metseltroffel goed rond het spouwanker, zodat het anker rondom in de mortel ligt. Leg de metselwerkwapening op de gemetselde laag bakstenen. Zorg dat de metselwerkwapening in het midden van de voeg ligt en niet tegen de buitenkant van het metselwerk komt. Breng daarna een laag metselmortel aan over de wapening, zodat deze volledig in de mortel wordt opgenomen. Nu de bakstenen buitenmuur is gemetseld, kun je het metselwerk voorbereiden op de afwerking. Krab de mortel met een voegijzer uit de lint- en stootvoegen tot een diepte van ongeveer 15 mm. Doe dit door de metselmortel in de lintvoeg boven en onder schuin los te snijden met het voegijzer. Deze voeg loopt in de lengte van de muur door. Benevel de buitenmuur daarna licht met water, bijvoorbeeld met een tuinslang. Controleer of de voegen diep genoeg zijn ingekrabd. Maak de voegmortel aan met een mixer volgens de verwerkingsvoorschriften. Breng de voegmortel met een kleine voegspijker aan in de verticale voeg en druk deze goed aan. Vul daarna de horizontale voegen met behulp van een voegbord. Verwijder overtollige resten door het metselwerk licht na te borstelen.
Geen stabiele fundering maken, waardoor de bakstenen buitenmuur kan verzakken of gaan scheuren. Zorg daarom voor een stabiele basis voordat je begint met metselen. Twijfel je aan de ondergrond? Laat de fundering dan beoordelen door een vakman. Doormetselen bij ongeschikt weer. Regen, vorst en felle zon beïnvloeden de hechting, uitharding en kwaliteit van het metselwerk. Stop op tijd en dek vers metselwerk af. Metselmortel niet afstemmen op de baksteen, waardoor de hechting en verwerking van het metselwerk verslechteren. Elke baksteen neemt water op in een ander tempo. Controleer daarom vóór het metselen de initiële wateropneming van de baksteen op de verpakking. Geen rekening houden met dilatatievoegen. Zonder dilataties neemt de kans op scheurvorming toe. Bepaal daarom vóór het metselen waar dilatatievoegen nodig zijn. Het is hierbij verstandig om advies in te winnen bij een vakman. Mortelresten te laat verwijderen, waardoor vlekken op het metselwerk kan ontstaan. Wanneer de metselmortel is uitgehard is het lastig te verwijderen. Borstel of verwijder de resten daarom op tijd, voordat de mortel volledig is uitgehard. Heb je nog vragen over het metselen van een bakstenen buitenmuur? Voor advies over de juiste voorbereiding, het metselen, de verankering of afwerking neem je contact op met ons. Onze productspecialisten geven je graag vrijblijvend advies.
Voegwerk

tags: #metselwerk #rond #vensters