De Hervormde kerk in Diever is een driebeukige, grotendeels gotische kerk met ingebouwde westtoren. De kerk stond op de plek van houten zaalkerken en een eenbeukige tufstenen kerk met smaller koor, waarvan de toren later in baksteen werd verhoogd en aan de noordzijde werd voorzien van een traptoren. In de 12e eeuw werd de vrijstaande tufstenen toren afgebroken en vervangen door de tegen de westgevel geplaatste bakstenen toren, ondergekleed met tufsteen. De koorsluiting, oorspronkelijk romaan, werd in de 14e eeuw vervangen door een driezijdige absis; het schip werd in de 15e eeuw verbouwd tot gotische stijl met zijbeuken, waarbij de toren werd ingebouwd.

Tijdens de blikseminslag van 27 augustus 1759 stortten de stenen gewelven van het middenschip en de zuidbeuk in; bij het herstel werden houten gewelven geplaatst en later in 1955-1959 gereconstrueerd naar de situatie van 1759. Een gevelsteen uit 1760 herinnert aan brand en herstel. De muren van de zuidbeuk werden verhoogd, gotische vensters werden opnieuw geopend en het koepelgewelf boven de toren werd gereconstrueerd. De consistorie aan de noordzijde van de kerk werd herbouwd.

In de kerkinventaris bevindt zich een 12e-eeuwse zandstenen sarcofaagdeksel die als altaartafel dienst deed, een preekstoel en herenbank uit 1760, en een in 1882 door de Gebroeders Van Oeckelen met ouder materiaal gebouwd orgel. Een schilderachtig drieluik uit 1956-1958 van D. Aalbers-Kollewijn verbeeldt de Heilige Drie-eenheid; een gebrandschilderd raam uit 1940 herinnert aan organist M.H. Mulder. De bestrating rondom het kerkhof is keien en bevat christelijke symbolen.

Uit het gebied komen tevens architectonische voorbeelden buiten de kerk, zoals de voorm. armenwerkplaats met T-vormige plattegrond en een dwars voorhuis, opgericht in 1861 door de gereformeerde gemeente (Groningerweg 6). Het voorm. Schultehuis (Brink 7) toont een dwars eenlaagspand met schilddak en maniëristische elementen; jaartalankers tonen 1604. Het raadhuis (Brink 4) is een blokvormig pand met eenlaags zijvleugel, gebouwd in 1957 volgens een traditionalistisch ontwerp van J. Boerderijen.

Diever heeft verschillende hallenhuisboerderijen met 18e-eeuwse kern, zoals Kastanjelaan 18 met twee dwarsdelen en halfronde vensters met gietijzeren tracering, Kruisstraat 2 met dwarsdeel, topgevel en jonger bedrijfsgedeelte, en Hoofdstraat 56 (rond 1830) met omlijste ingang en een langsdeel naast het woongedeelte. Langsdeelen met doorrit naast woongedeelten bij Brink 2 en Hoofdstraat 33 dateren uit 1862. Latere hallenhuisboerderijen met dwarsdeel zijn Fledderus Hoeve (Kasteel 12; circa 1860), Achterstraat 14-26 (circa 1880) en Brink 11 (circa 1885), met kenmerken zoals een fors, dwars geplaatst voorhuis en omlijste ingang.

In Diever staan ook jonge woonhuizen zoals Kruisstraat 4 (1904) en Hoofdstraat 11 (1908) met serre. De dokterswoning De Beukenhof (Hoofdstraat 15) uit 1918 bestaat uit twee haakse bouwdelen en een vakwerktopgevel. Rond 1930 zijn het L-vormige huis Hoofdstraat 34 (circa 1890) met dakkapel en Hoofdstraat 78 (circa 1900) met ingezwenkte lijstgevel. Moleneinde 26 (circa 1900) is een eenlaagspand met tentdak en middengedeelte.

De Dieverderdingspel, als esdorp met brink, kent tevens een rijk hedendaags erfgoed: het Hunebed D52 bij Groningerweg, de Sint-Pancratiuskerk en de stellingmolen De Vlijt (1882) aan Dwingspil 17. De Vlijt is een achtkantige stellingmolen; deze molen kwam uit Friesland en is nog steeds in bedrijf op zaterdag. Daarnaast herinnert de Wigwam aan onderduikers en verzetsactiviteiten uit de Tweede Wereldoorlog. Het hol werd in 1943-1944 gebruikt als schuilplaats voor onderduikers en piloten, en werd na de bevrijding hersteld.

In de nabijheid ligt het oude Dieverderdingspel, bestaande uit Westerveld, Meppel en De Wolden; Diever was tot 1998 zelfstandige gemeente in Drenthe en ging op in Westerveld. Het Dieverderdingspel omvat halvezaten zoals Huis te Ansen, Oldenhave, Rheebruggen en Huis te Echten; elf van de achttien Drentse havezaten lagen in Dieverderdingspel, waarvan drie bewaard gebleven zijn. De kolonie-ontwikkeling van Weldadigheid in Frederiksoord, Willemsoord, Wilhelminaoord en Boschoord gaf een impuls aan landbouwkolonies met 3 hectare per woning. Rond 1900 zag Diever een opleving van landbouw en coöperatieve zuivelfabrieken; Meppel-Meppel Meppelsche Vaart en spoorlijnen ondersteunden exploitatie en handel.

Geologie en vroegste bewoning vormden een essentieel kader: tijdens de Saalien-ijstijd werden keileem en rotsblokken aangedragen; in Drenthe ontstonden dekzandvlaktes en veengebieden. De Trechterbekercultuur bouwde hunebedden, waarvan 54 bewaard gebleven zijn in Drenthe; drie daarvan liggen in Dieverderdingspel. Diever werd de moederparochie van Zuidwest-Drenthe; kerken in Diever, Wapserveen en mogelijk Noordwolde en Boyl vielen onder het Dieverderdingspel. In de 12e eeuw volgde een Benedictijner klooster in Ruinen.
tags: #moleneinde #diever #renovatie