Schilderwerk beschermt een gebouw of ander oppervlak tegen weersinvloeden. De kleurstelling van het schilderwerk heeft daarnaast ook een decoratieve waarde, bijvoorbeeld bij een wandschildering.
Waarden en inventariseren van het schilderwerk
Door te weten waar en waarop het schilderwerk zich bevindt en wanneer het is geverfd, is de waarde van het schilderwerk beter in te schatten. Soms schuilt er een heel verhaal achter de kleuren die gebruikt zijn. Ook zijn de schadeoorzaken beter te bepalen en is duidelijk wat nodig is om het te herstellen.
Bij buitenschilderwerk gaat het meestal om onderdelen van de gevel of het dak, zoals kozijnen en boeidelen. Voorbeelden van binnenschilderwerk zijn betimmeringen zoals een lambrisering, en plafondschilderingen of een schouwstuk boven de haard. Het periodiek schilderen van het binnenwerk is minder urgent. Het kan zelfs zo zijn dat historische verflagen - al dan niet voorzien van decoraties - hier decennia of zelfs eeuwen in het zicht blijven.
Historische verflagen en ondergronden
Schilderwerk uit de 17de eeuw heeft andere eigenschappen dan die uit de 20ste eeuw door stijlverschillen. Vooral het gebruik van kleur is daar een goed voorbeeld van: kleurgebruik varieert per stijlperiode. Er kan op heel veel ondergronden geschilderd worden. Denk aan verf op hout, textiel, metaal, steen, pleister, glas of keramiek. Deze ondergronden vragen vaak om een eigen specifiek gebruik van materialen en technieken. De schilder zal ze bij het opnieuw schilderen anders behandelen. Ook de restaurator kijkt naar de ondergrond.
Het bindmiddel van de verf bepaalt het soort verf. Voorbeelden hiervan zijn kalk, caseïne, lijnolie, alkyd en acryl. De techniek met caseïneverf is geschikt voor decoraties. Acrylverf geeft minder kans op gele verkleuringen dan traditionele lijnolieverf. Tegenwoordig is lijnolieverf ook in wateroplosbare variant verkrijgbaar.
Restauratie en reconstructie
Het vakgebied van de restauratieschilder is een unieke discipline die zich richt op het behoud en herstel van monumenten en cultureel erfgoed. Restauratieschilders reconstrueren met technieken en materialen zoals ze ooit zijn aangebracht. Daarmee wordt het object onderhouden, maar behoudt het haar culturele waarde en authentieke aangezicht. Restauratieschilders aangesloten bij OnderhoudNL beschikken over een ERM-certificering. Basis voor de certificering van bedrijven in de restauratiebranche zijn de richtlijnen van Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM).
Nederland telt duizenden monumenten die onderhouden worden. Werken in dit vakgebied is heel gevarieerd. Je kan aan de slag als projectleider, calculator of ga aan de slag als specialist decoratie- en restauratieschilder. Een opleiding tot restauratieschilder kan je volgen via Nimeto, Cibap of Sint-Lucas. BIj enkele Schildersvakopleidingen leer je ook de basis van het vakgebied. Met onderhoud aan jouw woning, kantoor of monument zorgen we dat Nederland langer meegaat. We staan voor kwaliteit, vakmanschap en verduurzaming. Wij zorgen dat jouw eigendom er weer mooi bij staat. Complete opleidingen, vaktrainingen en e-learnings.
Reconstructie in erfgoedkringen
Een gebouw met nieuwe materialen herbouwen staat haaks op één van de belangrijkste principes van de moderne westerse monumentenzorg, namelijk het behoud van het fysieke object in zijn oorspronkelijke materialen als historische bron. Reconstructie is daarom in erfgoedkringen en daar buiten flink omstreden. Onder de titel Reco.mo.mo. Hoe echt is namaak, hoe dierbaar is het origineel? De aftrap kwam van prof. dr. Marieke Kuipers. De discussie over reconstructie is al de decennialang actueel en wordt eigenlijk nauwelijks openbaar gevoerd. Er is volgens Kuipers nauwelijks debat over de functie, vorm en toekomstwaarde van herbouw en de materiele authenticiteit.
“Je mag modern erfgoed gewoon herbouwen, ’want het gebeurd’, meent zij. Die discussie is volgens haar niet relevant.” Toch werd deze gevoerd, onder meer aan de hand van het Rietveld-paviljoen in het park van het Kröller-Müller Museum, dat inmiddels twee maal op dezelfde plek is herbouwd. Volgens de meeste sprekers moet je nooit bestaande gebouwen slopen om door een replica te vervangen. Bertus Mulder is er in principe ook geen voorstander van, ’maar’, licht hij toe, ’het Rietveldpaviljoen is in 1965 al herbouwd door een jonge medewerker van Rietveld en had door diens onervarenheid veel constructiefouten’.
Herbouw kan in de optiek van Kuipers wel, maar moet dan niet meer als erfgoed worden geclassificeerd. Het woord erfgoed impliceert immers een historische component. Aan historische gebouwen, de naam zegt het volgens Kuipers eigenlijk al, is de geschiedenis fysiek afleesbaar. Dat verlies je bij herbouw. Een aanvullende reconstructie is prima, als maar duidelijk wordt gemaakt waar wat vervangen is. Dat hoeft niet per se voor een breed publiek en ter plekke inzichtelijk te zijn, maar het is wel van belang dat het verhaal achter de reconstructie verteld wordt.
Praktijkvoorbeelden en debat
New and improved! De Jonge bracht naar eigen zeggen zijn praktijkvoorbeeld Sanatorium Zonnestraal tijdens het seminar 'naar de slachtbank', omdat daar best nog eens stevig over gediscussieerd mag worden. Het merendeel van het oorspronkelijke gebouw was immers verdwenen, op het betonskelet na, en toch was destijds sprake van een restauratie. Zijn bureau kreeg de opdracht de verloren grandeur van Zonnestraal weer terug te brengen. Ontwikkelaars zeggen regelmatig dat ze een gebouw in oude glorie willen herstellen, maar dat kan volgens De Jonge alleen als er nog iets van over is gebleven. Als een klein deel ontbreekt vind hij het restauratie en als het merendeel ontbreekt dan betreft het een reconstructie.
Het Rietveld-Schröderhuis is bijvoorbeeld een partiële reconstructie, het helderde drie dimensionale ruimtebeeld is gelijk gebleven, maar de kleuren verschillen en de technische materialen ook. Een ander voorbeeld is de aula van Rietveld bij Schiphol, dat gebouw moest wijken voor de vijfde baan en is elders herbouwd. Volgens architect Bertus Mulder is de ruimte oorspronkelijk, maar heeft hij de constructie, het materiaal en zelfs de fundering verbeterd. Toch heeft het paviljoen opnieuw een monumentenstatus gekregen. De vraag is of dat nog gerechtvaardigd is.
Authenticiteit van materiaal: De stelling is dat een reconstructie een kopie is, want het materiaal waaruit het bestaat is niet oorspronkelijk. Toch is dit niet voor iedereen een probleem. Er heeft volgens De Jonge een verschuiving plaats gevonden naar conceptueel denken. Mulder liet aan de hand van een citaat zien dat Rietveld zich richtte op het begrenzen van ruimte, en dat de materialisatie daarvan voor hem niet van belang was. Vervolgens kwam architect Victor Veldhuijzen van Zanten aan het woord. Hij wil de in 1923 tentoongestelde maquette Maison d’Artiste van Van Doesburg en van Eesteren eindelijk echt bouwen. De discussie of het überhaupt wenselijk is om een ontwerp dat als icoon geldt van het Nieuwe Bouwen, maar dat nooit bedoeld is om daadwerkelijk gerealiseerd te worden, toch te realiseren, werd wegens tijdgebrek niet gevoerd. Dat is jammer, want het zou zo maar de unieke en iconische waarden van het Rietveld-Schröderhuis, als enig gebouwd voorbeeld van De Stijl, kunnen beïnvloeden. De vraag is of het oorspronkelijke ontwerp belangrijker is dan de materialisatie. De moderne bouwmaterialen van de Moderne Beweging dienden de doelmatigheid en werden in massa geproduceerd, ’misschien zijn ze daarom minder authentiek en is vervanging verleidelijker?’, vraagt De Jonge zich af.
Bouwhistoricus Ronald Stenvert benadrukte dat in elke tijd iedereen de beschikking heeft over dezelfde bouwmaterialen. Het maakt niet uit of een gebouw wel of niet tot de Moderne Beweging behoort. Het gaat om de historische continuïteit en de gelaagdheid. Onderzoek ontrafelt het verhaal van een gebouw om te kunnen achterhalen waarom het gebouw eruit ziet zoals het eruit ziet. Kleuronderzoekster Annefloor Schlotter betoogde dat natuurwetenschappelijke methoden daarbij nuttig zijn. De kennis die dit kan opleveren, is volgens haar noodzakelijk om daarna keuzes te kunnen maken. Soms kan de oorspronkelijke opzet onbetaalbaar of onherstelbaar zijn, maar geprobeerd moet worden om de bron te behouden of op de oorspronkelijke locatie te laten. Met verf, een tijdelijke materiaal dat in principe elke vijf jaar overgeschilderd moet worden, is het belangrijker om het beeld te reconstrueren dan het conserveren van de fysieke laag. Blijkbaar moeten we accepteren dat elementen en materialen slijten.
De schaal van de stad
De door Wytze Patijn gereconstrueerde Kiefhoek van J.J.P. Oud was er indertijd technisch slecht aan toe en de woningen waren klein. Een restauratie zou complex en zeer kostbaar zijn, zonder dat het woonplezier ermee terug zouden keren. Ingrijpender vond Patijn de manier waarop is omgegaan met de woningtypologie. De modernistische opvatting van Oud over de normaalwoning, waarvan dit een van de weinige gerealiseerde voorbeelden was, is praktisch uitgewist. Rolf van der Weide van woningcorporatie Bo-Ex uit Utrecht toonde twee zorgvuldig gerestaureerde stempels met sociale woningbouwflats van Rietveld in Hoograven, even ten zuiden van het centrum. Ook hier zijn de woningplattegronden aangepast, maar het complex heeft zijn functie als sociale woningenbouw behouden. De buitenruimte van het Rietveldcomplex in Utrecht functioneert door enkele kleine aanpassingen opnieuw bijzonder goed.
Ook in een wijk als Kanaleneiland, met een grotere schaal, een slechte naam en minder waardering voor het beeld van de architectuur, moet volgens Van der Weide ’restauratief’ worden aangepakt. Meurs is het daar niet vanzelfsprekend mee eens. Bij de naoorlogse woningbouw gaat het in aantal en omvang om grote wijken met enorme hoeveelheden woningen, die niet integraal aangepakt kunnen worden. De buitenruimte is vaak onbruikbaar geworden.
Debet vooraf, conclusies achteraf
De afbraak van het origineel, om deze vervolgens op dezelfde plek te herbouwen gaat er bij velen niet in. Een replica kan de historische waarden nooit vervangen is de consensus onder de sprekers, en zou daarom niet meer als erfgoed geclassificeerd moeten worden. Dat er flink gereconstrueerd mag worden, daar waren de meeste sprekers het ook wel over eens, tenminste als het de beleving van het concept ten goede komt en het verhaal van het gebouw niet om esthetische redenen wordt uitgewist. En als er vooraf een grondig debat gevoerd wordt over de ingrepen en deze achteraf gedocumenteerd worden. Het debat over reconstructie is volgens Paul Meurs dan ook academisch en volslagen absurd. “Elke casus moet opnieuw worden bekeken.” Het seminar vond op 20 mei plaats in Utrecht.

tags: #reconstrueren #schilderwerk #betekenis