Sectorindeling, Cao-regels en Tegelzetters: Een Gedetailleerde Verkenning

De cao VVT geldt voor zo’n 500.000 medewerkers en bevat landelijke afspraken over arbeidsvoorwaarden zoals salaris, pensioen, vergoedingen, toeslagen en verlof.

Daarnaast biedt de cao VVT ruimte voor maatwerk.

In je cao staan afspraken hierover.

Tijdens je ziekte bouw je wel wettelijke vakantiedagen op.

De opbouw van bovenwettelijke vakantiedagen stopt na zes maanden.

Let op: wettelijke vakantiedagen die je meeneemt naar een volgend kalenderjaar vervallen per 1 juli van dat jaar.

Kon je ze vanwege ziekte echt niet opnemen, dan geldt een uitzondering.

Ja, je werkgever mag het bedrijf in de zomer sluiten.

Dat moet hij dan wel doen in overleg met de ondernemingsraad (or) of personeelsvertegenwoordiging (pvt).

Samen met jou vult de vakbondsconsulent de papieren voor het Garantiefonds in.

Bouw je pensioen op bij bpfBOUW?

En werk je in een van de volgende branches: Bouwnijverheid, Afbouw, Timmerindustrie, Bikudak, Natuursteen, Betonmortelindustrie of Baksteenindustrie? Dan kun je als FNV-lid terecht bij een van onze pensioenconsulenten.

Staat daar niet het antwoord op je vraag? Dan kun je ook contact opnemen met een vakbondsconsulent bij jou in de buurt.

Download ook de FNV-weer app, die je vertelt wat je kunt doen als het te warm of te koud is om te werken.

Reiskosten zijn de kosten die je vergoed krijgt voor woon-werkverkeer.

Bijvoorbeeld voor het openbaar vervoer.

Reisuren zijn de uren die je onderweg bent van je huis naar je werk en terug.

Hiervoor is in de cao Bouw en Infra (art. Je mag in ieder geval niet ontslagen worden.

Tegelgroothandel Janssen B.V. levert tegels aan projectontwikkelaars in de bouw.

In het handelsregister heeft zij haar bedrijfsactiviteiten omschreven als "uitoefening van een onderneming in tegelwerken en projecten op dat gebied".

Janssen B.V. begeleidt haar klanten gedurende het project en adviseert bij de keuze van de tegels zelf, maar ook voor de verwerkingsmaterialen.

In de meeste gevallen zijn deze klanten bouwondernemers.

In ongeveer één derde van de gevallen zijn de klanten echter particulieren.

In dat geval adviseert Janssen B.V. niet alleen bij de aankoop van de tegels, maar regelt zij ook het zetten van de gekochte tegels.

Zij huurt daarvoor een tegelzettersbedrijf in of een ZZP-er.

Deze factureren aan Janssen B.V., die dit vervolgens weer in rekening brengt bij haar klanten.

Er zijn géén tegelzetters rechtstreeks in loondienst bij Janssen B.V.

Toch deelt de belastingdienst Tegelgroothandel Janssen B.V. voor de sector-premie van de WW-premie (vroegere wachtgeldfondsen) in sector 3, bouwbedrijven.

Dit omdat Janssen B.V. Hier is Janssen B.V. het niet eens.

Zij stelt dat zij ingedeeld moet worden in sector groothandel of zakelijke dienstverlening.

Het Gerechtshof 's-Hertogenbosch stelt Janssen B.V. in het gelijk.

Gekeken moet worden naar de werkelijke aard van de werkzaamheden en de werkelijke functie die de onderneming van de werkgever in de maatschappelijke verkeer.

De omschrijving van de bedrijfsactiviteiten in het handelsregister is niet relevant en ook de wijze van facturering speelt daarbij géén rol.

In alle gevallen worden tegels geleverd door Janssen B.V.

In een minderheid daarvan wordt tevens het tegelzetwerk verzorgd.

Het Hof is dan ook van mening dat Tegelhandel Janssen B.V. De bouwsector behoort tot één van de vijf sectoren waarvoor sinds 1 januari 2006 een hoge en lage WW-premie geldt.

Het verschil tussen deze premies is groot; veelal is dit een verhouding van 1:5.

De aanzienlijk veel hogere premie geldt voor werknemers met een arbeidscontract dat korter duurt dan 1 jaar.

Op deze manier wil men stimuleren dat werkgevers werknemers niet uitsluitend op projectbasis aannemen, waardoor veel minder beroep op de WW gedaan hoeft te worden.

Overigens blijkt in de praktijk tot op heden, dat Tegelgroothandel Janssen B.V. zich eigenlijk heeft druk gemaakt om niets.

De sectorpremies worden jaarlijks vastgesteld en op dit moment geldt voor zowel de hoge als de lage premie in sector 3 dat deze op 0 zijn gesteld, zelfs nog lager dan de premies uit de sectoren voor zakelijke dienstverlening en/of groothandel!

Ook in de voorafgaande jaren was de premie in de bouw heel laag, ook voor het "zogenaamde" hoge premiefonds.

De reden? In elk geval is bekend dat de verschillende werkgevers- en werknemersorganisaties in de bouw, die de staatsecretaris hierover advies uit moeten brengen, het niet eens konden worden over de percentages van de hoge en de lage premie.

Bleek het achteraf met de WW-premie in de bouwsector wel mee te vallen, als bouwbedrijf heeft men ook te maken met hoge bijdragen voor de bedrijfstakeigenregelingen op grond van de CAO en premies voor het Bedrijfspensioenfonds.

Wellicht dacht Tegelgroothandel Janssen B.V. dat bezwaar tegen indeling in de bouwsector bij de belastingdienst ook van belang was om te voorkomen dat zij voor de CAO-fondsen voor de bouw zou kwalificeren, of onder het bedrijfspensioenfonds voor de bouw zou gaan vallen.

Dat is op zich een veelvoorkomende gedachte bij ondernemers, die onjuist is.

Deze drie zaken moeten namelijk los van elkaar beoordeeld worden, op basis van de eigen daarvoor geldende wet- en regelgeving.

Premies voor de bedrijfstakeigenregelingen dient de werkgever af te dragen als hij kan worden aangemerkt als werkgever in de zin van de CAO.

In een andere hofuitspraak over de sectorindeling (gerechtshof Arnhem 11 februari 2009, www.rechtspraak.nl, ljn: BH3559) maakte de belastingrechter dit nogmaals duidelijk door te oordelen dat voor de beoordeling voor een indeling in sector 3 voor de WW-premie niet relevant is onder welke CAO de werkgever valt, of aan welk bedrijfspensioenfonds hij zijn premies verschuldigd is.

In die uitspraak van het hof Arnhem ging het om een bedrijf dat zich bezig hield met het plaatsen van gipswanden en plafonds, de afwerking daarvan en stuka-doorswerkzaamheden.

De belastinginspecteur wilde het bedrijf ingedeeld hebben in de inmiddels bekende sector 3, bouw.

Het bedrijf zelf vond zich horen bij sector 57, stukadoorsbedrijven.

Het hof kwam tot een indeling in sector 3, na een kwalificatie van alle door de werknemers van het bedrijf uitgevoerde feitelijke werkzaamheden als stukadoorswerkzaamheden of anderszins, waarbij de conclusie moest worden getrokken dat voor de meerderheid werkzaamheden worden uitgevoerd die vallen onder sector 3.

Het bedrijf had nog aangevoerd dat zij onder de CAO en bedrijfspensioenfonds voor stukadoorsbedrijven viel en daarvan oordeelde de rechter dus heel uitdrukkelijk dat dit niet relevant is.

Het komt voor dat bepaalde software-programma's voor de verwerking van de loonadministratie een dergelijke combinatie niet accepteren.

De vraag centraal of indeling moest plaatsvinden in de bouwsector of bij de groothandel stond ook centraal in een recent arrest van de Hoge Raad (19 juni 2009, www.rechtspraak.nl, ljn: BG5387).

In dat geval deelde de Hoge Raad een bedrijf dat zelfgefabriceerde gevels verkoopt en die grotendeels ook onder haar verantwoordelijkheid liet plaatsen, wel in de bouwsector.

Dit op grond van het feit dat de kernactiviteit van een handelsonderneming is de in- en verkoop van gereed product en niet het doen vervaardigen van een product volgens de specificaties van de klant.

Dat sprake was van aanneming van werk stond zonder meer vast.

Hiermee wijkt de Hoge Raad af van de in november 2008 al geschreven conclusie bij dit arrest, waarbij de Advocaat-Generaal van mening was dat juist indeling in de groothandelsector had moeten plaatsvinden.

Het lijkt vreemd dat een bedrijf, waar geen enkele werknemer feitelijk in de bouw werkzaam is, toch in de bouwsector wordt ingedeeld.

Onderstaande Profit CAO's ondersteunen wij.

Sector 00. Sector 01. Sector 02. Sector 03. Sector 04. Sector 05. Sector 06. Sector 07. Sector 08. Sector 09. Sector 10. Sector 12. Sector 13. Bakkersbedrijf (incl. Sector 14. Sector 15. Sector 16. Sector 17. Sector 18. Sector 21. Sector 22. Sector 28. Sector 29. Sector 30. Sector 32. Sector 33. Sector 34. Sector 35. Sector 38. Sector 39. Sector 40. Sector 41. Sector 42. Sector 43. Sector 44. Sector 45. Sector 46. Sector 47. Sector 48. Sector 49. Sector 50. Sector 51. Sector 52. Sector 53. Sector 54. Sector 55. Sector 56. Sector 57. Sector 58. Sector 59. Sector 60. Sector 61. Sector 65. Sector 67. Sector 69.

Op grond van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) is een werkgever van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe zijn werkzaamheden behoren.

De Regeling Wfsv bevat een bijlage waarin per sector de bijbehorende bedrijfstakken zijn opgesomd.

Als een activiteit hier niet bijstaat, dan worden de werkzaamheden ingedeeld bij de sector waarin de werkzaamheden worden verricht die naar de aard het meest overeenkomen. Dit heet assimilatie.

Een werkgever die spanplafonds plaatst, valt onder de cao afbouw.

De Belastingdienst deelt hem toch in bij sector 17: detailhandel en ambachten.

De werkgever protesteert.

Hij is van mening dat hij hoort bij sector 3: bouwbedrijf.

Het hof analyseert de bedrijven in sector 3.

Die hebben gemeen dat zij zich richten op de ruwbouw, het constructieve deel van een bouwwerk.

Denk aan burgerlijke en utiliteitsbouw, wegenbouw, heiersbedrijven en dakdekkers.

Bedrijven die zich richten op afbouw zijn juist ingedeeld bij andere sectoren.

Het woningstoffeerdersbedrijf en behangersbedrijf vallen onder sector 17, het schildersbedrijf onder sector 56 en het stukadoorsbedrijf onder sector 57.

De werkgever plaatst spanplafonds: plafonds van gespannen kunststofdoek onder bestaande plafonds.

Dat is geen ruwbouw.

Het hof ziet juist overeenkomst met het woningstoffeerdersbedrijf.

De werkgever bekleedt immers ruimten, in het bijzonder plafonds, met een stof, in dit geval kunststof.

De werkgever voert aan dat hij onder de cao afbouw valt.

Het hof passeert dit argument.

Bij de sectorindeling is niet van belang onder welke cao de werkgever valt.

Het gaat uitsluitend om de aard van de werkzaamheden.

Dit is een belangrijk punt voor werkgevers die denken dat hun cao-indeling automatisch ook hun sectorindeling bepaalt.

De werkgever beroept zich ook nog op het gelijkheidsbeginsel.

De Belastingdienst hanteert beleid waarin systeemplafonds wél bij de bouw worden ingedeeld.

Waarom spanplafonds dan niet?

Het hof oordeelt dat spanplafonds en systeemplafonds verschillende systemen zijn met verschillende werkzaamheden.

Van gelijke gevallen is geen sprake.

Sinds 1 januari 2020 gaat een tijdelijk contract automatisch over in een vast contract als een werknemer meer dan 3 opvolgende tijdelijke contracten heeft gekregen.

Of als een werknemer langer dan 3 jaar meerdere tijdelijke contracten bij zijn werkgever heeft gehad.

De pauze (tussenpoos) tussen contracten maximaal 6 maanden is.

Voor tijdelijk terugkerend werk (niet beperkt tot seizoensarbeid) dat maximaal 9 maanden per jaar kan worden gedaan mag er maximaal 3 maanden tussen de contracten zitten.

Er staan in de cao geen andere voorwaarden.

Voor een arbeidsovereenkomst die eindigt op of na 1 januari 2020 geldt de (nieuwe) ketenbepaling van drie jaar.

Voorbeeld: het eerste contract van de werknemer duurde 6 maanden, van 1 april 2018 tot 1 oktober 2018.

Het tweede contract was een jaarcontract van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019.

Het derde contract was ook een jaarcontract, van 1 oktober 2019 tot 1 oktober 2020.

Het derde contract overschrijdt weliswaar 1 januari 2020, maar er is in dit geval nog geen sprake van meer dan 3 tijdelijke contracten.

Daarnaast is op de peildatum 1 januari 2020 ook de duur van twee jaar nog niet overschreden.

Als gevolg van het ingaan van de wijziging ontstaat nog geen vast contract.

Hij langer dan 3 jaar lang meerdere tijdelijke contracten heeft gekregen bij dezelfde werkgever.

Of voor hetzelfde soort werk bij opvolgende werkgevers.

(Bijvoorbeeld als de werknemer eerst via uitzendbureau en later rechtstreeks bij de werkgever in dienst komt als uitzendkracht werkt.)

Er maximaal 6 maanden tussen de contracten zit (de tussenpoos).

Voor tijdelijk terugkerend werk (niet beperkt tot seizoensarbeid) dat maximaal 9 maanden per jaar gedaan kan worden mag er maximaal 3 maanden tussen de contracten zitten.

In de cao geen andere voorwaarden hierover staan.

Voor een arbeidsovereenkomst die eindigt op of na 1 januari 2020 geldt de ketenbepaling van 3 jaar.

Voorbeeld: Een werknemer had een jaarcontract van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019.

Daarna kreeg de werknemer een tweede contract van anderhalf jaar, van 1 oktober 2019 tot 1 april 2021.

De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor 1 januari 2020, maar op de peildatum 1 januari 2020 is de duur van 2 jaar nog niet overschreden en ontstaat er nog geen recht op een vast contract.

De ketenbepaling van 3 jaar is van toepassing.

Voorbeeld: Een werknemer had een jaarcontract van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

Daarna kreeg de werknemer een tweede contract voor dezelfde duur, van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019.

Op de peildatum 1 januari 2020 is de duur van twee jaar nog niet overschreden en ontstaat er nog geen recht op een vast contract.

Enige detail: ketenbepaling is van toepassing op opvolgend werkgeverschap.

Is er sprake van opvolgend werkgeverschap? Dan zet de keten van arbeidsovereenkomsten zich voort (en mogen die arbeidsovereenkomsten worden meegeteld).

Van opvolgend werkgeverschap kan sprake zijn bij een bedrijfsovername.

Of als een werknemer eerst via een uitzendbureau en later rechtstreeks bij een werkgever in dienst komt.

De vraag of er sprake is van opvolgend werkgeverschap is sterk afhankelijk van de omstandigheden.

Bij het Juridisch Loket kunt u meer informatie over uw situatie inwinnen.

Contract beroepsbegeleidende leerweg (BBL) telt niet mee voor de ketenbepaling.

Het maakt hierbij niet uit wanneer het contract is aangegaan of geëindigd.

De ketenbepaling is niet van toepassing op contracten met werknemers die jonger dan 18 jaar zijn en gemiddeld maximaal 12 uur per week werken.

In uw cao kunnen afwijkende regels voor tijdelijke contracten staan.

Bijvoorbeeld dat een werknemer maximaal 6 opvolgende tijdelijke contracten mag krijgen.

En dat tijdelijke contracten mogelijk zijn over een periode van maximaal 4 jaar.

Er zijn beperkte mogelijkheden om bij cao af te wijken van de ketenbepaling.

In de cao kan worden geregeld dat het aantal van 3 contracten kan worden verhoogd naar maximaal 6.

Soms is een extra tijdelijk contract of het langer kunnen aangaan van tijdelijke contracten nodig door de aard van de bedrijfsvoering.

In dat geval kan in de cao worden bepaald dat maximaal 6 (in plaats van 3) tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan.

Sommige sectoren, zoals het profvoetbal, werken alleen met tijdelijke contracten.

Voor deze sectoren gelden andere regels voor het kunnen werken met tijdelijke en vaste contracten.

De overheid bepaalt voor welke functies en sectoren dit geldt.

Sinds 1 augustus 2018 geldt voor invalkrachten in het basisonderwijs die met een tijdelijk contract een zieke leraar vervangen dat er geen vast contract ontstaat na meerdere tijdelijke contracten als de cao voor primair onderwijs (basisonderwijs) voor hen geldt.

Vanaf 1 januari 2020 wordt in de wet opgenomen dat tijdelijke invalleerkrachten die een zieke leraar vervangen in het basisonderwijs en het speciaal onderwijs niet automatisch een vast contract krijgen na meerdere tijdelijke contracten.

Gaat het om een bestuursfunctie bij een bedrijf of organisatie?

Is de arbeidsovereenkomst vooral gesloten om een werknemer op te leiden?

Is er sprake van 'terugkerend tijdelijk werk' dat maximaal 9 maanden per jaar kan worden gedaan?

Dan kan bij cao de tussenperiode worden verkort tot 3 maanden.

Infographic: Sectorindeling en cao-regels Samenvatting

Tom Tuip Tegelzetters

tags: #sector #indeling #tegelzetter