Hoe diep moet een sifon liggen en hoe ontwerp je een rioolinstallatie die stank en verstopping voorkomt

Stank uit douche- of schrobputjes. De putlucht is onaangenaam maar ook risicovol. Om zijn boodschap beeldend te maken, spreekt trainingsmanager Andy van Oijen van Geberit over bacteriën en virussen die het riool bevolken als ‘kleine beestjes’ die we buiten moeten houden. De putlucht is onaangenaam maar ook risicovol. Een juist ontworpen en aangelegd afvoersysteem voorkomt dat allerlei ziekteverwekkers onze verblijfruimtes in kunnen komen. Goed werkende sifons, goed gedimensioneerde leidingen en een juiste montage zijn van wezenlijk belang voor de volksgezondheid.

Belangrijke principes voor de binnenriolering

  1. Een heftige regenbui kan door het straatriool lang niet altijd direct worden afgevoerd. De straat fungeert dan tijdelijk als buffer. Gevolg is dat het waterniveau in de binnenriolering in het gebouw even hoog is als op straat. Om nu te voorkomen dat dit afvalwater het gebouw instroomt via bijvoorbeeld een schrobputje, moet het laagste aansluitpunt van de binnenriolering minimaal 15 cm boven de kruin van de straat zitten.

  2. Daar waar de hemelwaterafvoer en de verzamelleiding voor vuilwater samenkomen, kan door de forse kracht waarmee het hemelwater door de staande hwa-leiding naar beneden komt, een grote tegenstroming ontstaan. Omdat het hemelwater niet naar het straatriool kan, ontstaat een opstopping waardoor de inhoud van de verzamelleiding en het toilet in de closetpot naar boven komen. Oorzaak van dit probleem is het ontbreken van een ontlastvoorziening aan de buitenkant van de gevel, op het punt waar hemelwaterafvoer en vuilwaterleiding samenkomen.

  3. Met de bepaling van de vullingsgraad moet er rekening mee worden gehouden dat tegengesteld aan de stroomrichting van het afvalwater een luchtstroom moet kunnen plaatsvinden náár het sanitairtoestel voor een optimale afvoer. De maximale vullingsgraad in een verzamelleiding mag dan ook maar 70 procent zijn. Wanneer de leidingen een te kleine diameter hebben, is er geen luchtverplaatsing mogelijk en zuigt het leidingsysteem het sifon leeg. Maar als de diameter te groot is, bestaat het risico dat de vaste stoffen na anderhalve meter blijven liggen omdat de stroming niet krachtig genoeg is. Het is dus zeker niet zo: hoe groter mijn leidingen, hoe beter. Om de meest optimale leidingdiameters te berekenen conform de NTR 3216, kijk je eerst naar het aantal toestellen dat op die leiding uitkomt. Daarna zoek je in de tabel het aantal liters per seconde van die toestellen op.

  4. Alle sanitaire toestellen moeten worden aangesloten mét sifon. In Nederland moet het sifon een waterslot van minimaal 5 cm hebben. 1,5 cm is nodig om het drukverschil op te vangen en 3 cm voor verdamping wanneer het toestel langere tijd buiten gebruik is. Komt het sifon droog te staan, dan geeft dat stankoverlast. En stankoverlast betekent dat beestjes, ziekteverwekkers de kans hebben gekregen zich te nestelen. Een doucheafvoer die stankoverlast geeft, is vaak toe te schrijven aan een waterslot dat niet aan de minimale eisen voldoet.

  5. Bij overgangen naar een andere diameter bij een liggende leiding moeten excentrisch verloopstukken worden toegepast om de overgang mogelijk te maken van bijvoorbeeld 50 naar 90 mm. Het gebeurt nogal eens dat de loodgieter zo’n verloopstuk niet of onjuist aanbrengt. De monteur zal geneigd zijn het verloopstuk met de gelijke onderkant op de vloer te leggen omdat de leiding dan stabieler ligt, maar juist de bovenkant moet gelijk zijn. Want aan de bovenkant in de leiding moet de lucht vrij kunnen stromen en niet door de ongelijkheid van het verloopstuk worden geremd.

  6. Het toilet is het meest bepalende toestel voor volumestromingen. Dat is met name van belang in badkamers waar meerdere sanitaire toestellen staan opgesteld. Een toiletspoeling is een korte, maar hele heftige spoeling. Daarom gelden er regels voor een minimale afstand tussen de liggende aansluitingen.

  7. Vanwege de heftigheid van de closetspoeling mogen stroomopwaarts geen andere sanitairtoestellen worden aangesloten. Oftewel zoals het in de praktijk vaak wordt verwoord: het laatste aansluitpunt in de badkamer moet het toilet zijn. Deze regel wordt nogal eens ‘vergeten’, vooral als bewoners een verbouwing van hun badkamer op zich hebben genomen, of een ongekwalificeerde klusser hebben ingeschakeld.

  8. Voorkomen moet worden dat direct na de toiletaansluiting complexe richtingsveranderingen optreden. Elk bochtje haalt de snelheid uit de stroming van het water. Bochten van 45 graden verdienen de voorkeur boven haakse bochten.

  9. Afschot wordt volgens de NEN 3215 gemaakt op de verzamelleiding en moet minimaal 0,5 cm/m tot maximaal 2 cm/m bedragen. Bij groter afschot bestaat het risico dat het water te snel stroomt en de fecaliën niet meeneemt. Voor veel monteurs is het nog steeds alledaagse praktijk om het juiste afschot te bepalen door het luchtbelletje van de waterpas tegen de markering te zetten. Daar is niets mis mee als bekend is hoeveel afschot dat bedraagt.

  10. Het aansluitpunt op de standleiding in rioolsystemen is het enige punt waarbij 90 graden bochten zijn toegestaan. Eén liter vallend water in de standleiding kan meer dan 30 liter lucht met zich mee zuigen. Die lucht moet uit een ontspanningsleiding worden gehaald. De ontspanningsleiding gaat door het dak naar buiten en moet eenzelfde diameter hebben als de standleiding. Het is dus in feite één en dezelfde leiding die doorgetrokken kan worden.

  11. Onderaan de standleiding in het gebouw wordt de aansluiting met de verzamelleiding gemaakt met 2 x 45 graden met 25 cm ertussen zodat het water daar vloeiend doorheen kan en er voldoende ruimte blijft voor lucht. Als in een standleiding een sprongstuk moet worden gebruikt gelden er aansluitvrije zones tussen een halve meter vóór de sprong, tijdens de sprong en een meter na de sprong. Om problemen te voorkomen met het functioneren van rioleringssystemen moeten loodgieters en installateurs voldoen aan het Bouwbesluit. Nen 3215 is onderdeel van het Bouwbesluit en geeft bepalingsmethoden met de daaraan verbonden voorwaarden voor de riolering in bouwwerken voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater. In Nen 3215 wordt verwezen naar de NTR 3216, een lijvig document dat handvatten geeft voor ontwerp, uitvoering en beheer van riolering van bouwwerken.

Aansluitingen en praktische aspecten rondom vaatwasser en wastafel

Een vaatwasser aansluiten op de riolering doe je door de afvoerslang correct te bevestigen aan de sifon onder je gootsteen. De slang moet op de juiste hoogte worden geplaatst met een lus of beugel, zodat vuil water niet terugstroomt in je machine. Je hebt een afvoerslang, passende slangklemmen, eventueel adapters en een sifon met extra aansluiting nodig. Let op dat de verbindingen goed vast zitten en waterdicht zijn.

De afvoerslang is het belangrijkste onderdeel. Deze transporteert het vuile water van je vaatwasser naar de riolering. Zorg dat de slang stevig en flexibel genoeg is om goed te kunnen plaatsen zonder knikken. De sifon onder je gootsteen heeft idealiter een extra aansluiting voor de vaatwasser. Heb je die niet, dan kun je een nieuwe sifon met twee aansluitingen kopen of een Y-stuk gebruiken. Slangklemmen zijn nodig om de verbindingen waterdicht te maken. Adapters zijn soms nodig als de diameter van je afvoerslang niet past op de sifon. Veel sifons hebben standaardmaten, maar check dit altijd vooraf.

Je begint met het verwijderen van de dopjes of afsluitingen op de extra aansluiting van de sifon. Schuif vervolgens de afvoerslang over de aansluiting en zet deze vast met een slangklem. Na het bevestigen op de sifon is het belangrijk om de slang omhoog te leiden voordat deze naar beneden gaat. Dit heet een luchtlus of waterslot. Je kunt hiervoor een speciale beugel aan de onderkant van je werkblad bevestigen. Deze lus voorkomt dat vuil water uit de gootsteen terugstroomt in je vaatwasser. Controleer na installatie of alle verbindingen goed vast zitten. Laat de vaatwasser een korte cyclus draaien en check ondertussen of er geen water lekt bij de aansluitingen.

De ideale hoogte voor de afvoerslang ligt tussen de 60 en 90 centimeter vanaf de vloer. De meeste fabrikanten raden aan om de slang op werkbladhoogte te bevestigen voordat deze naar beneden loopt naar de sifon. Te laag betekent risico op terugstroom. Als de slang direct vanaf de vaatwasser naar de sifon loopt zonder omhoog te gaan, kan water uit de gootsteen je machine instromen. Dit gebeurt vooral als je gootsteen vol staat of als er veel water tegelijk wordt afgevoerd. Te hoog kan ook problemen geven. Als de slang hoger dan 100 centimeter moet worden gepompt, krijgt de afvoerpomp van je vaatwasser het zwaar. Dit leidt tot langere spoeltijden, meer energieverbruik en snellere slijtage van de pomp. De luchtlus die je creëert door de slang omhoog te leiden werkt als een bescherming tegen drukverschillen in het riool.

Sifontypes en veelvoorkomende problemen

Een bekersifon ziet eruit als een dikke pot onder de wastafel met een schroefdop onderaan. Het is de meest moderne en meest voorkomende sifon in nieuwbouw. Een S-sifon is een buis in de vorm van de letter S. Een U-sifon is een buis in de vorm van een U. Een badsifon zit verzonken onder het bad of de douchebak en is meestal alleen toegankelijk via een revisieluikje. De constructie is een aangepaste S-sifon of bekersifon, gemaakt om plat tegen de vloer te liggen onder een bad. In de keuken zit meestal een dubbele sifon onder een spoelbak met twee bakken, of een combi-sifon waar de vaatwasser ook op aansluit. Maat is meestal 50 mm. Het principe is identiek aan een wastafel-sifon, alleen is de doorlaat groter.

Een lekkende sifon is een van de meest voorkomende kleine problemen in een badkamer of keuken. Versleten rubber-pakking, te strak aandraaien van plastic moeren, of schoongemaakt en niet correct teruggezet zijn vaak de oorzaken. Een bekersifon kan makkelijker schoon worden gemaakt, maar ook daar lurkt onderhoud mee. Controleer periodiek de sifon en pakking. Intervalten: wastafel elke 6 maanden bij normaal gebruik, keuken-sifon elke 3 maanden vanwege vetopbouw. Een sifon verliest zijn waterslot als verdamping optreedt tijdens afwezigheid of onderdruk in de leiding. Spoel met water door om het waterslot te herstellen.

Overige overwegingen en praktijkverhalen

In vroeger tijden hadden afvoeren in huizen geen waterslot. Pas in 1880, na een typhus-uitbraak in Londen waarin open afvoeren als besmettingsbron werden aangewezen, werd de sifon standaardbouw. Lucht uit het riool kan niet door het water heen omhoog naar de afvoer komen. Bij langdurige afwezigheid verdampt het water en verdwijnt de barrière. Bij onderdruk in de leiding gebeurt hetzelfde.

Infographic: “Sifon en waterslot - hoe werkt het?”

De sifon

Nen- en Bouwbesluitkaders

Om problemen te voorkomen moeten loodgieters en installateurs voldoen aan het Bouwbesluit. Nen 3215 is onderdeel van het Bouwbesluit en geeft bepalingsmethoden met de daaraan verbonden voorwaarden voor de riolering in bouwwerken voor de afvoer van huishoudelijk afvalwater en hemelwater. In Nen 3215 wordt verwezen naar de NTR 3216, een uitgebreide gids voor ontwerp, uitvoering en beheer van riolering van bouwwerken.

Aansluitingen rondom de vaatwasser en wastafel in de praktijk

Bij een vaatwasser is het cruciaal dat de afvoerslang correct wordt geplaatst met een voldoende hoog luchtslot. Een te lage slang of ontbrekende luchtlus kan leiden tot terugstroom en een vieze geur. De ideale hoogte van 60-90 cm biedt een balans tussen efficiënt afvoeren en voorkomen van terugslag. Voor situaties waarin de sifon geen extra aansluiting heeft, kun je kiezen voor een nieuwe sifon met meerdere aansluitingen of een Y-stuk. Verlengingen van de afvoerslang zijn mogelijk, maar let op maximale lengtes en de belasting van de pomp. Controleer periodiek op slijtage, verstopping en lekkage, vooral bij intensief professioneel gebruik.

Diagram: juiste hoogte van afvoerslang en luchtlus

Controle en onderhoud

Regelmatige controle is essentieel: twee keer per jaar op slijtage, verstopping en lekkage; in professionele omgevingen wellicht elke drie maanden. Vervang de slang preventief elke 3-5 jaar. Wanneer meerdere apparaten op één sifon worden aangesloten, behandel dan met een meervoudige sifon of verdeel de afvoerpunten om overbelasting en terugstroom te voorkomen.

Chips, tips en ervaringen uit de praktijk: sommige muren zijn dragend, waardoor wisselende diameters en lay-outs vereist zijn. Het kiezen van de juiste diameters is essentieel: te kleine diameters leiden tot verstoppingen, te grote kunnen de stroming verminderen en fecaliën laten hangen. Een combinatie van 40 mm- en 32 mm-maten voor lavabo’s met afvoer naar een ruimere valbuis wordt vaak aanbevolen; voor bad en douche kan 50-75 mm configuratie verstandig zijn, afhankelijk van de situatie en het volume.

tags: #sifon #hwa #diepte