De wereldwijde voedselproductie moet tegen 2050 verdubbelen om tegemoet te komen aan de bevolkingsgroei en veranderende voedingsgewoonten. Het EU-landbouwbeleid is de afgelopen decennia ingrijpend veranderd om boeren te helpen deze uitdagingen het hoofd te bieden en zich aan te passen aan de veranderende gewoonten en verwachtingen van de consument. Dit beleid omvat een breed scala aan gebieden, waaronder voedselkwaliteit, traceerbaarheid, handel en de reclame voor EU-landbouwproducten. De EU steunt boeren financieel en stimuleert duurzame en milieuvriendelijke werkwijzen. De EU-instellingen werken samen aan beleidsvorming op het gebied van voedsel en landbouw en de uitvoering, monitoring en evaluatie daarvan. Nationale en lokale overheden voeren de op EU-niveau vastgestelde wetgeving uit. Via de EU-begroting wordt hiervoor geld aan de EU-landen beschikbaar gesteld. De EU houdt in het oog hoe de wetgeving wordt toegepast, hoe effectief deze is.
De landbouw en aanverwante bedrijfstakken en diensten zijn goed voor zo'n 44 miljoen banen in de EU, waaronder zo'n 20 miljoen in de landbouwsector zelf. De oogst van tarwe in Duitsland. Landbouw of agricultuur is het geheel van menselijke activiteiten waarbij de bodem wordt gebruikt voor de productie van planten en dieren, ten behoeve van de economie. Elke vorm van landbouw beïnvloedt de plantaardige en dierlijke productie met cultuurmaatregelen, omvat de oogst van deze producten en de verwerking van die oogst. Het kan hierbij gaan om de productie van voedings- en genotsmiddelen, om de productie van veevoeder, van grondstoffen en van siergewassen. Hoewel een scherpe indeling niet altijd gemaakt kan worden, deelt men de landbouw gewoonlijk in in de akkerbouw, tuinbouw, bosbouw, weidebouw en veeteelt.
De tweede categorie wordt weer onderverdeeld in vollegronds tuinbouw en kassenteelt. Afhankelijk van de verbouwde gewassen of de gehouden landbouwdieren, de beschikbare grondsoort en het welvaartsniveau wordt gebruik gemaakt van verschillende landbouwmethoden die gepaard gaan met specifieke landbouwwerktuigen. In armere gebieden wordt nog gewerkt met eenvoudig gereedschap en trekdieren, terwijl elders de landarbeid verregaand gemechaniseerd en geautomatiseerd is, met soms grote en technisch hoogstaande machines en robots. Voor de landbouw zijn abiotische factoren als temperatuur, neerslag, de bodemvruchtbaarheid, bodemstructuur en de waterhuishouding van groot belang. Zo vraagt permanente landbouw ten minste 200 tot 400 mm neerslag per jaar, mede afhankelijk van de verdamping en de grondsoort. Sommige vormen van landbouw, zoals irrigatielandbouw, vergen grote investeringen in arbeid en kapitaal, en een hoog ontwikkeld organisatieniveau.

Door voortschrijdende ontwikkelingen in landbouwkunde, plantenveredeling, en het gebruik van pesticiden en kunstmest zijn de opbrengsten van landbouw vanaf 1800 sterk toegenomen. De moderne landbouw is medeverantwoordelijk voor uiteenlopende milieuproblemen, zoals de uitputting van grondwater, stikstofproblematiek, ontbossing, landdegradatie en de opwarming van de Aarde. De intensieve veeteelt heeft geleid tot zorgen over dierenwelzijn en de resistentie tegen antibiotica. Landbouwactiviteiten kunnen worden onderverdeeld in een aantal deelsectoren. Het houden van gedomesticeerde dieren gebeurt in de veeteelt. Daarnaast is er visteelt. In de bosbouw worden zowel natuurlijk ontstane als aangelegde bossen gebruikt voor de houtproductie. De tuinbouw kan onderscheiden worden in groenteteelt, sierteelt, fruitteelt, boomteelt en paddenstoelenteelt voor respectievelijk de teelt van groenten, siergewassen, vruchten, jonge bomen en paddenstoelen.
De akkerbouw onderscheidt zich van de tuinbouw doordat de gewassen op een grotere schaal geteeld worden; naar verhouding tot het aantal gewassen of de hoeveelheid grond is er minder arbeid nodig. Naast typische akkergewassen zoals granen worden ook akkerbouwmatig (grootschalig) groenten geteeld zoals peen en kool. In het dagelijks spraakgebruik wordt het woord 'landbouw' soms in een beperktere betekenis gebruikt voor slechts een deel van de bovenstaande deelsectoren. De uitbater van een landbouwbedrijf wordt boer genoemd, ook wel landbouwer of agrariër. Een boerderij is een bedrijf met gebouwen en bouwland en/of weidegrond. Landbouw leverde oorspronkelijk voedsel op dat vooral bestemd was voor de boer, zijn gezin, de gemeenschap en eventueel de landeigenaar, zoals in het hofstelsel. In de loop der eeuwen is grootschalige, marktgerichte landbouw in een groot deel van de wereld dominant geworden. Landbouw produceert niet alleen voedsel, maar ook andere goederen als sierplanten.
In de ontwikkelde landen is door de combinatie van kennis van de bodem, waterbeheersing, meststoffen, gewassen, plantenveredeling, genetische manipulatie, onkruidbestrijding en de bestrijding van schimmels, insecten en aaltjes een hoge opbrengst per hectare bereikt. Tegelijkertijd heeft de toegenomen mechanisatie de benodigde arbeidskracht per eenheid product belangrijk verminderd. Landbouw is ontstaan tijdens de zogeheten neolithische revolutie. Het belang van die periode voor de mens is slechts vergelijkbaar met die van de industriële revolutie vele millennia later. Hoewel het effect op de individuele mens over het algemeen beperkt was, veranderden de menselijke samenlevingen op de lange termijn drastisch door de opkomst van de landbouw. Dit is onder meer te zien aan de omvang van de wereldbevolking. Meer dan 99% van haar geschiedenis leidde de mensheid het bestaan van nomadische jager-verzamelaar. Dit ging gepaard met de nodige gevaren, maar ook mogelijkheden die besloten lagen in de lokale omgeving. Met het aflopen van de laatste ijstijd begon de bevolking zo’n 16.000 jaar geleden sterk te groeien.
Om gebruik te maken van zich zo nu en dan voordoende voedseloverschotten begon men zich langer op een plek te vestigen. Zo'n 15.000 jaar geleden begon ook de Natufische cultuur in de Levant wilde granen te oogsten. Toen het tussen 11.000 en 9600 jaar geleden droger en kouder werd in het Jonge Dryas, werden manieren gevonden om gewassen toch te laten groeien. Deze eerste vorm van landbouw moet ontstaan zijn door niet al het graan van de wilde gewassen te consumeren, maar een gedeelte te bewaren om deze later te zaaien. Deze overgang moet enkele eeuwen geduurd hebben. Ongeveer 9500 jaar geleden, toen het klimaat weer gunstig werd, begon de bebouwing van wilde graansoorten volop in de Levant. Waar jager-verzamelaars echter slechts enkele uren per dag besteedden aan een gevarieerde maaltijd, moesten boeren hard werken voor een eentonig maal. De Levant was niet de enige plaats waar een dergelijke revolutie plaatsgreep. Onder min of meer gelijke omstandigheden, vonden op verschillende plekken op aarde vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Zo ontstond de landbouw tussen 12.000 en 5000 jaar geleden, op minstens elf - en mogelijk meer dan twintig - verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar. De oudste vondsten die op landbouw duiden, zijn in Zuidwest-Azië gesitueerd. In Ohalo II in het huidige Israël zijn vroege aanzetten tot landbouw gevonden die gedateerd worden rond 23.000 BP, zo'n 12.000 jaar eerder dan algemeen wordt aangenomen. Er zijn bewijzen dat de mens wilde granen plukte en vermaalde. Er werden aldaar ongeveer 6000 verkoolde zaadjes gevonden van wilde graansoorten als gerst, haver en wilde emmer (Triticum dicoccoides). Andere vindplaatsen bevinden zich in Amerika (mais), Afrika en Oceanië. Het lijkt er op dat de overgang zeer geleidelijk was. Men vestigde zich al voor langere tijd waar voedsel in overvloed aanwezig was, waarna het een kleine stap zal zijn geweest om neolithische tuinen te onderhouden. Een sedentaire levenswijze maakte het mogelijk meerdere kinderen te onderhouden. Met de toegenomen bevolkingsdruk kon met jagen en verzamelen niet meer volledig worden voldaan aan de voedselbehoefte, wat een drijfveer was om over te gaan tot landbouw. Hoewel landbouw niet noodzakelijk efficiënter is, is de opbrengst onder de juiste omstandigheden wel groter. Dat betekende dan ook dat de bevolking verder kon groeien, waarna er vrijwel geen weg terug meer was. De verspreiding van de landbouw in Europa gebeurde traag tussen 7000 en 4000 v.Chr. Er zijn sporen gevonden op de Dardanellen rond 6800 v. Chr. terwijl de vroegste sporen in Schotland dateren van 3500 v.Chr. Dit zijn gedomesticeerde variëteiten, wat erop wijst dat deze gebracht zijn van het Nabije Oosten naar Europa door landbouwers die hun planten en levenswijze meebrachten. Dit had langzamerhand als resultaat dat de autochtone bevolking overging naar de agricultuur. Landbouw en veeteelt betekenden het domesticeren van planten en dieren. De eerste granen bestonden waarschijnlijk uit voorouders van de huidige tarwe, gerst, gierst, rijst, rogge, haver en mais. Duizenden jaren na de hond werden de eerste grazers gedomesticeerd. In eerste instantie ging het hierbij vooral om het vlees, maar men begon daarna ook andere zaken te gebruiken, alsook de arbeid die de dieren konden verrichten.
Modulaire ontwikkeling en technologische transitie
De middeleeuwse landbouw kende innovaties zoals het drieslagstelsel en later het vierslagstelsel, waardoor productiviteit fors kon toenemen. In de zestiende eeuw werd het drieslagstelsel langzaam vervangen door het vierslagstelsel, waardoor braakliggende gronden werden uitgeschakeld. In dezelfde tijd begon de aardappelteelt, waardoor er een einde kwam aan de spanning tussen consumptie en productie. In de negentiende eeuw maakten stoommachines plaats voor dieselgedreven machines; zo ontwikkelde zich een traject van mechanisering naar robotisering en geavanceerde agrarische technologie in de twintigste eeuw. Het type landbouw dat in een bepaald gebied kan plaatsvinden is sterk afhankelijk van klimaat en grondsoort.
In tropische klimaten leveren rijst en cassave belangrijke voedselbronnen, terwijl in gematigde klimaten een breed scala aan gewassen mogelijk is en ook vee goed kan worden gehouden. De dieren die op de boerderij worden gehouden noemt men vee, het houden zelf heet veeteelt. Veel boeren hebben zich toegelegd op veeteelt of een gemengd bedrijf waar ze naast vee ook gewassen verbouwen. Fokken is een onderdeel van de veeteelt en zorgt ervoor dat de boer over voldoende dieren kan blijven beschikken om zo zijn veestapel op peil te houden. Met selectief fokken kan het nageslacht specifieke eigenschappen overnemen van de ouders.
De westerse landbouw heeft zich ontwikkeld tot intensieve veeteelt en grootschalige landbouw, wat gepaard gaat met zorgen over dierenwelzijn, ziektebestrijding en milieu-impact. Om continuïteit te waarborgen moeten veehouders ziekten voorkomen en controleren. Daarnaast is de landbouwsector wereldwijd de grootste ruimtegebruiker op het platteland en bepaalt zij in hoge mate het aanzicht van landschappen, met name in dichtbevolkte regio’s zoals Nederland. De Nederlandse landbouw is in het bijzonder intensief en kennisgedreven, en een belangrijk deel van de landbouwproducten gaat naar de wereldmarkt. Nederland is bijvoorbeeld een van de grootste exporters van groenten en landbouwmachines ter wereld.

Het grond- en waterbeheer, meststoffen, veredeling en het gebruik van pesticiden hebben bijgedragen aan hoge opbrengsten per hectare, maar hebben ook geleid tot milieuproblemen zoals stikstofproblematiek, verdroging en biodiversiteitsverlies. De intensieve veeteelt heeft daarnaast zorgen op het gebied van dierenwelzijn en antibioticaresistentie veroorzaakt. De huidige EU-omgeving werkt aan transities naar duurzamere modellen, waaronder kringlooplandbouw en biologische landbouw, maar dit vereist investeringen, steunmaatregelen en passende regelgeving.
EU-beleid en duurzame landbouw
Landbouw is traditioneel een belangrijk onderdeel van EU-beleid en staat ook nu hoog op de agenda; denk aan meststoffen en stikstofproblematiek, verduurzaming en innovatie. Het GLB (Gemeenschappelijk Landbouwbeleid) ondersteunt inkomens, marktregulering en plattelandsontwikkeling en streeft naar meer duurzame landbouwpraktijken via eco-regelingen. In 2023 heeft de Commissie maatregelen voorgesteld voor duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, waaronder de bodemmonitoringswet die gezonde bodems nastreeft tegen 2050. De Natuurherstelwet en de van-boer-tot-bord-strategie vormen kernonderdelen van Biodiversiteitsstrategie en Green Deal. Plattelandsbeleid is geïntegreerd met landbouwbeleid via het Rural Pact en lange-termijnvisies tot 2040. Verordening 2018/848 regelt biologische landbouw en Verordening 1069/2009, 2020/741 behandelen dierlijke bijproducten en hergebruik van water, met aandacht voor circulariteit en duurzaamheid.
Decentrale overheden spelen een cruciale rol bij uitvoering en vergunningverlening, en subsidies kunnen vanuit Europese fondsen het verschil maken bij de overgang naar duurzamere methoden. Biologische landbouw heeft als streefdoel dat tegen 2030 minstens 25% van de EU-landbouwgrond biologisch wordt; dit gaat gepaard met strengere regels en traceerbaarheidsvereisten, en lokale verwerking en korte ketens worden gestimuleerd. De verschillende landbouwmethoden - gangbare, geïntegreerde, biologische, biodynamische en kringlooplandbouw - bieden elk eigen voor- en nadelen, en er is geen eenduidig “beste” methode. De realiteit is dat de EU probeert de kloof tussen economische haalbaarheid, voedselzekerheid en milieubescherming te overbruggen.

Duurzame landbouw in praktijk: voorbeelden en maatschappelijke vragen
In Nepal gebruiken vrouwen SRI (System of Rice Intensification) om waterverbruik te verminderen en methaanemissies te beperken, wat aantoont dat duurzame methoden wereldwijd toepasbaar zijn. In Kenia verbeteren bodembescherming en gewasrotatie de bodemgezondheid en waterretentie; vrijwilligersondersteuning helpt bij de adoptie van biologische landbouwmethoden. Zimbabwe en Mozambique tonen hoe lokale boerenorganisaties en genenbanken kennisoverdracht stimuleren om voedselsoevereiniteit te versterken. Kringlooplandbouw en natuurinclusieve landbouw richten zich op het behoud van biodiversiteit binnen landbouwsystemen, waarbij reststromen worden hergebruikt en dieren en gewassen elkaar ondersteunen.
In Nederland en België leveren innovatieve serreteelt en efficiënte teeltmethoden sterke prestaties: hoge opbrengsten per hectare en aanzienlijke exportvolumes. Echter, deze intensiteit brengt ecologische en sociale uitdagingen met zich mee. Debatten over de toekomst van landbouw balanceren tussen technologische vooruitgang en behoud van natuur, biodiversiteit en dierenwelzijn. Experts pleiten voor synergie tussen ecologie en technologie, en benadrukken dat kennisontwikkeling en praktijkexperimenten cruciaal zijn om een duurzamer systeem op te bouwen.
Met slimme technologie naar regeneratieve landbouw
Praktische overwegingen en toekomstperspectieven
Mogelijke strategieën om inkomens te garanderen bij duurzame praktijken omvatten intensivering, specialisatie, diversificatie en soms bedrijfsbeëindiging. De vraag blijft hoe boeren enerzijds concurrerend kunnen blijven en anderzijds kunnen investeren in duurzamere methoden zoals kringlooplandbouw en biologische producten. Verduurzaming vereist investeringen in bodembeheer, watervoorziening, en de transitie naar minder pesticiden. Substantieel beleid en publieke steun zijn vaak nodig om deze transitie betaalbaar en schaalbaar te maken.
Technologie, zoals robotica en precisie-irrigatie, kan helpen om input te verlagen en tegelijk opbrengsten te verhogen, terwijl consumenten door bewustere keuzes en korte ketens bij kunnen dragen aan duurzaamheid. Het debat over landbouw en natuur blijft complex: sparing versus sharing, efficiëntie versus biodiversiteit, en economische versus ecologische belangen moeten geïntegreerd worden in toekomstige beleidsvorming.