Regels en richtlijnen voor bestrating op vervuilde grond: een overzicht van het wettelijke kader, saneringsopties en praktijktoepassingen

Deze tekst bespreekt de methode van bodemsanering, waarbij bodemverontreiniging wordt geïsoleerd, beheerst en gecontroleerd.

In relatie tot bouwen is de omgevingsvergunning afhankelijk van het wettelijk kader en de toestand van de bodem op de bouwlocatie.

Volgens de Wbb moet tenminste de verontreinigingsbron worden verwijderd.

Van een verontreinigde bodem is sprake indien in de grond of het grondwater de concentratie van een stof de achtergrondwaarde (AW) overschrijdt.

Voor de algemene bodemkwaliteit is wettelijk vastgelegd, dat ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging, waarvan sanering spoedeisend is’ binnen vier jaar worden aangepakt.

Verder is bepaald, dat niet zonder meer op verontreinigde bodems mag worden gebouwd.

In veel te ontwikkelen gebieden zal in het algemeen sprake zijn van een schone bodem, of van een bodem met enige ‘gebiedseigen’ diffuse achtergrondbelasting.

Verder kunnen één of meer ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ aanwezig zijn, waarvan sanering al dan niet ‘spoedeisend’ is.

Voor wat betreft de aanpak van ‘gevallen van ernstige bodemverontreiniging’ wordt wel ruimte gezien om ontwikkelaars op duurzame wijze bovenwettelijk te presteren.

Wettelijk bezien bestaat er bij gebiedsontwikkeling ruimte om zodanig met functies te schuiven, dat ernstig verontreinigde terreinen niet worden bebouwd.

Voor zover het ‘niet spoedeisende’ locaties betreft worden dan saneringskosten vermeden, maar worden bodemproblemen op de toekomst afgewenteld.

In relatie tot bouwen. van bodemonderzoek bij bouwen. samen te brengen in één nota.

De nota vervangt de nota “Bodemkwaliteit bij bouwen” van april 2003.

Hoofdstuk 2 gaat in op het wettelijk kader en vigerend beleid.

Onderhavig nota vervangt de nota “Bodemkwaliteit bij bouwen” van april 2003.

Literatuurverwijzingen worden aangegeven middels [ ].

1. Woningwet. moet bevatten omtrent het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond1.

2. Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (Wabo). (MOR) staat dat een bodemonderzoek moet worden aangeleverd.

De regels over bodemonderzoek en bouwen zijn hiermee erg versnipperd.

naar andere regelgeving. het Bouwbesluit worden opgenomen en zal de bouwverordening verdwijnen.

parameters. risico’s aanwezig zijn.

moment”.

van een geval van ernstige bodemverontreiniging.

gezag Wbb te worden voorgelegd2.

een rol (kunnen) spelen, waaronder een bodemonderzoek.

van een plan bevatten.

2.1 lid 1 onder c Wabo).

bestuursrecht (Awb).

het motiverings- als het zorgvuldigheidsbeginsel.

mensen kunnen beschikken over deze informatie.

gebouwd wordt op een geval van ernstige bodemverontreiniging.

verkennend bodemonderzoek.

bij verkennend en nader bodemonderzoek”.

om te bouwen. Midden-Holland.

voor bouwen.

Hieronder worden de situaties toegelicht.

voor de waterzuivering.

Wabo geen juridische mogelijkheid een onderzoek te eisen omdat er voor de gebruikers geen risico voor de gezondheid zal zijn.

noodzakelijk zijn.

Bij interne verbouwingen zonder functiewijzing is geen onderzoek nodig.

niet groter is dan in de oude situatie.

er wel een situatie op kunnen treden die mogelijk leidt tot een groter risico.

gegeven is ook onderbouwd in de Woningwet (artikel 8.3.c sub 2).

bestemming’. moet dus wel een onderzoek te worden gedaan.

op een gebouw.

Bij dit soort gebouwen is het gezondheidsrisico voor mensen verwaarloosbaar.

bijvoorbeeld om te werken of onderwijs te geven of te genieten.

gedacht worden aan een verblijfsduur van twee of meer uren per (werk)dag.

in het gebouw.

van mensen.

wel als verblijfplaats worden aangemerkt.

Zijn.

Als bijlage 5 is wel een handreiking opgenomen.

om wel een onderzoek te eisen.

niet vergunningplichtig is.

de achterzijde van een bouwwerk niet vergunningplichtig is.

aan de achterkant van een bouwwerk, hoeft geen onderzoek te worden uitgevoerd.

omvatten dan eenzelfde bouwwerk aan de achterzijde van een bouwwerk.

en is daarbij aangegeven of er sprake is van “naar aard en omvang gelijk” .

Er kan twijfel ontstaan over het begrip “naar aard en omvang”.

geen sprake.

geen onderzoek te verlangen.

duur van één jaar.

is gedefinieerd als vijf jaar7.

Voor bodem wordt vijf jaar een te lange periode geacht.

hoofdregel 7.Er zijn reeds recente onderzoeksresultaten aanwezig.

ernstige bodemverontreiniging zijn.

volstaan met een actualisatie van het onderzoek.

tot op heden.

Een locatie-inspectie is doorgaans voldoende.

° Het onderzoek is voldoende recent.

worden volstaan met een actualisatie van het historisch onderzoek.

oudere onderzoek tot op heden.

uit te voeren, waarbij ook de gegevens van het oude onderzoek worden meegenomen.

bodemonderzoek verlangd worden.

of de bodemkwaliteit geschikt is.

zeggen niet ouder dan 5 jaar.

bouwen.

aanwezigheid van bodemverontreinigingen9.

Systeem.

1. 2. 3. 4. 5. 6. ad. de NEN 5725.

Het volgende hoofdstuk gaat dieper in op het historisch onderzoek.

een historisch onderzoek kan echter niet worden afgedwongen.

ad. te vinden met de Omgevingsdienst.

betreft.

ad. voor bouwen een historisch onderzoek moet worden uitgevoerd.

standaard vooronderzoek conform de NEN 5725 [1].

en om het effect van bodemdaling te vereffenen.

aandacht te worden besteed aan ophogingen.

bodemverontreiniging.

toekomstig gebruik (kantoor, wonen met tuin, wonen met moestuin e.d.).

gaat hier dieper op in.

■ in het verleden gedempte watergangen.

en zullen eigenaren/gebruikers moeten worden geraadpleegd.

de NEN 5725. het bijbehorende terrein dat een relatie heeft met het gebruik van het gebouw10.

over de gehele bouwkavel inclusief tuin.

activiteiten.

verkennend bodemonderzoek NEN5740.

bodemonderzoek worden dus ook de gehele bouwkavel betrokken.

dient deze bron eveneens te worden onderzocht.

Het onderzoek wordt bij voorkeur na eventuele sloop van opstallen en bouwwerken uitgevoerd12.

een locatie-inspectie in het historisch onderzoek aan het licht komen.

de sloop.

Het historisch onderzoek wordt beoordeeld door de Omgevingsdienst.

zijn om een verkennend bodemonderzoek uit te voeren.

(UBI=Uniforme Bron Indeling).

scores gekregen.

is dan lage scores.

In de regio Midden-Holland zijn in het verleden veel sloten gedempt.

het zgn. Systeem .

Dit zijn echter vooral dempingen in het landelijk gebied.

stedelijk gebied zijn minder goed in beeld.

zijn gelegen moet blijken uit gedegen historisch onderzoek (standaard NEN 5725).

(SBK).

De SBK heeft een bestand met dempingen die bij haar in beheer zijn.

ook na 1995 aan het licht gekomen dempingen in opgenomen.

Verhardingslagen zijn lagen met meer dan 50% puin of ander verhardingsmateriaal.

niet zinvol en wordt achterwege gelaten.

en dat maakt een beoordeling aan de Wbb onmogelijk.

op asbest.

van de NEN 5725 in combinatie met bijlage E van de NEN 5725).

uit te voeren.

Bijlage: asbestonderzoek en NEN 5707.

Oude binnensteden zijn niet per definitie verdacht op asbest.

(zie ook paragraaf 4.4.4).

en of een vervolgactie nodig is.

[5].

Daarbij is ook de omvang van eventuele bodemverontreiniging van belang.

een risico niet uit te sluiten.

verontreiniging met lood.

Veel voorkomende conclusie in bodemonderzoeksrapporten is “in het opgeboorde bodemmateriaal is geen asbestverdacht materiaal waargenomen”.

asbest hoeft te worden uitgevoerd.

nodig is.

dient een asbestonderzoek conform de NEN 5707 te worden uitgevoerd.

te worden uitgevoerd.

verontreiniging mogelijk deel uitmaakt van het achtergrondgehalte.

een verontreiniging is dan ook niet aan de orde.

betreft, uitsplitsing hoeft niet plaats te vinden).

bodemkwaliteitszone.

van nader onderzoek verleend.

te melden bij het bevoegd gezag Wbb.

Zie hiervoor het volgende hoofdstuk.

alleen voor interventiewaarde-overschrijdingen.

Voor het grondwater is geen bodemkwaliteitskaart opgesteld.

bodem ter plaatse van het grondwater de streefwaarden worden overschreden.

menselijke ingrepen in de waterhuishouding van een gebied.

aanwezig is.

gerealiseerd mag worden (in geval van een verontreiniging met lood).

meldt de verontreiniging aan het bevoegd gezag Wbb.

nader bodemonderzoek noodzakelijk zijn.

vermoeden van een geval van ernstige bodemverontreiniging?

geval van bodemverontreiniging.

niet worden gebruikt!

Dit moet de aanvrager uiteraard gemeld worden.

geval. gevallen kan dit ook door de ODMH.

in Wbb-procedures terecht komen.

1. geval van ernstige bodemverontreiniging, maar geen spoed → beschikking ernst en geen spoed moet zijn afgegeven en daarna treedt de omgevingsvergunning in werking.

blijft er ook hier sprake van een ernstige bodemverontreiniging.

treedt in werking, maar het Wbb-traject wordt ook gestart.

3. geen geval van ernstige bodemverontreiniging → de omgevingsvergunning treedt in werking.

naar de aanvrager zeer goed moet zijn over de voorwaarde voor inwerkingtreding.

om de inwerkingtreding te kunnen opschorten.

nemen.

1. 2. 3. Buiten behandeling laten.

laten. vullen. bevoegd gezag.

er geen weigeringsgronden zijn).

4. Vergunning verlenen onder voorwaarden.

ten aanzien van bodem, dan kan de vergunning worden verleend onder voorwaarden.

2.4.2 van de bouwverordening biedt deze mogelijkheid.

om een bodemonderzoek nog uiterlijk 3 weken voor de aanvang van de bouw in te dienen15.

op te nemen in de vergunning ten aanzien van de bodemkwaliteit.

gesaneerd moet worden en - in relatie tot de bouw - op welk tijdstip.

van de aanvrager om vergunning is.

1. en nader onderzoek.

2. NEN 5740 Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek.

3. 4. 5. Circulaire Bodemsanering. Staatscourant nr. 6.

NTA 5755 Strategie voor het uitvoeren van nader onderzoek.

7. NEN 5707 Inspectie, monsterneming en analyse van asbest in bodem.

8. 9. Nota Bodembeheer Midden-Holland en Zoetermeer.

De in deze bijlage opgenomen wet- en regelgeving is van september 2013.

1. a. b. c. 2. Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

3. reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4. 2009, niet rechtvaardigen.

5. a. b. c. 1. 2. d. wordt gebouwd op verontreinigde grond.

De hierna vermelde toelichting per artikellid is beknopt.

van het hele proces staat vermeld in de toelichting bij artikel 2.4.1.

onderverdeling van het terrein. onderzoek.

van de onderzoeksopzet van het bodemonderzoek kan vragen.

als een interne organisatorische kwestie van de gemeente.

tot het afwijken opgenomen.

beschikking.

is er immers op gericht alles in één brede omgevingsvergunning te regelen.

tot groot en voor een zeer divers gebruik.

een onderzoeksrapport.

bij de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen.

tot de bescheiden die ook later kunnen worden ingediend.

van bouwen op verontreinigde bodem.

op hoeveel bouwwerken deze voorschriften betrekking dienen te hebben.

betreffende de bodemgesteldheid worden overgelegd, aldus artikel 2.4 onder d.

de Regeling omgevingsrecht.

gezag al beschikt, niet opnieuw behoeven te worden verstrekt.

in artikel 3 van de Archiefwet 1995.

van de Awb in de gelegenheid gesteld de ontbrekende gegevens aan te vullen.

bescheiden worden verlangd, aldus de Regeling omgevingsrecht.

criterium.

in 1901 belangrijke grondslagen van de wet.

met betrekking tot het tegengaan van bouwen op verontreinigde grond.

de bodem voor mens, plant en dier centraal staat.

is dit onderscheid minder van belang.

milieueisen, bouw- en sloopeisen.

in het Bouwbesluit worden opgenomen.

24 809, nr. 3) nader omschreven.

of te genieten.

of meer uren per (werk)dag.

of nagenoeg voortdurend mensen verblijven.

niet tot gebouwen die feitelijk zijn bestemd voor het verblijven van mensen.

Nota naar aanleiding van het verslag (TK, 1997-1996, 24809, nr. 5, p. op een gebouw.

als voorbeeld.

gevallen van bodemverontreiniging mag worden gebouwd.

indien sprake is van een ernstig geval van verontreinigde grond zijn.

wet worden gelijk gesteld met een provincie (art. de bouwaanvraag.

gevaar is te verwachten voor de gezondheid van de gebruikers van het bouwwerk.

voorwaarden dat bepaalde voorzieningen worden getroffen.

heeft goedgekeurd.

worden genomen op de bouwaanvraag.

overzichtelijke gevallen.

welk tijdstip.

gehouden.

van de aanvrager om omgevingsvergunning voor het bouwen is.

1. a. b. c. 2. a. b. c. 3. Artikel 2.4. 1.

bedoelt in het tweede tot en met zesde lid, bevat.

2. 3. a. b. c. 1°. 2°. 4. a. b. c. d. 2. Besluit omgevingsrecht, artikelen 2 en 3 van bijlage II.

3. reeds bruikbare recente onderzoeksresultaten beschikbaar zijn.

4. 2009, niet rechtvaardigen.

5. 6. bodemkwaliteit. voor 1 juli 2007.

Dit in afwijking van/ter aanvulling op het VNG-model.

is sinds 2003 vastgelegd in de Nota “Bodemkwaliteit bij bouwen”. Dit is een lastenverlichting voor burgers en bedrijven.

vooronderzoek conform de NEN 5725.

de omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.

is geëffectueerd.

bodemonderzoeksgegevens.

aanleveren in een bepaald bestandsformaat, vastgelegd in SIKB-protocol 0101.

Systematiek en data-uitwisseling worden hierdoor verbeterd.

Systeem, zodat gegevens niet langer handmatig hoeven te worden ingevoerd.

tijd en verkleint de kans op fouten bij het overtypen.

veel ophogingen plaats.

bebouwd perceel wel één of meerder malen is opgehoogd.

van het ophoogmateriaal niet bekend.

bodemkwaliteit.

onzeker.

bodemonderzoek uit te voeren.

gehanteerd.

worden aangetroffen.

kunnen leiden tot risico’s.

6.1.1 van de NEN 5725).

kan dit een aanleiding zijn om een bodemonderzoek uit te voeren.

op de bekende plaats.

uit de NEN 5740.

mengmonsters aangegeven.

dienen te worden geanalyseerd.

indien de ophooglaag niet dikker is dan 2 meter.

gebracht op het aantal analyses van de ophooglaag.

Voorbeeld: de ophooglaag heeft een omvang van minder dan 0,1 ha.

laag (met een maximum van 2 meter) èn een boring met peilbuis.

perken worden doorgezet tot in de bodemlaag onder de ophooglaag.

te worden genomen van deze onverdachte bodemlaag.

de ophooglaag.

waarmee is opgehoogd.

alle ophoogactiviteiten in het verleden.

dat er op bebouwde percelen is opgehoogd.

of er een risico is te verwachten.

4.4.4. tabel is bij het gebruik “wonen met tuin” een kans dat risico’s kunnen optreden.

De strategie voor het onderzoek is “onverdacht” uit de NEN 5740.

Voorbeeld 1: De locatie is gelegen in een zone uit tabel in paragraaf 4.4.4. h...

1. De richtlijn CROW-400 bevalt een methode die de werkzaamheden indeelt in een veiligheidsklasse op basis van aanwezige verontreinigingen.

2. Aannemers die sterk verontreinigde grond saneren, moeten zijn gecertificeerd volgens BRL 7000.

De concentratie van een verontreinigde stof bepaalt in eerste instantie of er sprake is van een veiligheidsklasse.

3. Voor het werken in een verontreinigde grond of grondwater en bagger moet o.a. een V&G saneringsplan zijn opgesteld.

De maatregelen, specifiek per project, moeten worden vastgelegd in een V&G-plan.

Een veiligheidsdeskundige of arbeidshygiënist moet het V&G-plan toetsen.

Het V&G-plan bevat in elk geval informatie over de verontreiniging en de risico’s daarvan.

Houd rekening met overige risico's, zoals het werken langs de weg of water, etc.

Saneringswerkzaamheden vallen onder werkzaamheden die voor de veiligheid en gezondheid bijzondere gevaren met zich meebrengen en hierdoor is het opstellen van een VG-plan een wettelijke verplichting.

Stel tijdens de ontwerpfase een V&G-saneringsplan op.

4. Machines van na 1995 moeten zijn voorzien van een CE-markering (typeplaat).

Bij de veiligheidsklasse Zwart CM-stoffen is een 3traps schoon-vuilunit verplicht.

5. De soort keuring is afhankelijk van de werkzaamheden.

Voor aanvang van het project moet een startwerkbespreking georganiseerd worden.

Hierbij moeten de aanwezige stoffen met de daarbij behorende risico’s worden besproken en de te nemen maatregelen.

Zorg dat de operationele medewerkers over voldoende basiskennis (opleiding OPM) of relevante werkervaring beschikken.

Laat een veiligheidskundige een startwerkinstructie verzorgen waar de aanwezige gevaarlijke stoffen, de risico’s en de te nemen maatregelen aan bod komen.

Zorg voor een veiligheidsinformatieblad van elke gevaarlijke stof die aanwezig is in de bodem of in het water.

Zo’n veiligheidsinformatieblad wordt ook SDS genoemd.

Besteed speciale aandacht aan CMR-stoffen.

CMR stoffen zijn stoffen die carcinogeen, mutageen en reprotoxisch kunnen zijn.

6. Om te voorkomen dat verontreinigingen via de banden buiten de verontreinigde zone terecht komen moeten, indien mogelijk, de transporteurs met hun vrachtwagens buiten de verontreinigde zone blijven.

Infographic: Veiligheidslagen sanering en afdeklaag

Draag bij filterwisselingen handschoenen en een saneringsoverall.

Zorg dat de monteur ook weet waar de filters aan zijn blootgesteld.

Als er kans is op stofvorming, vrijkomen van gassen en vluchtige dampen moeten metingen uitgevoerd worden om te bepalen of er geen risicovolle situaties ontstaat of aanwezig is.

Op basis van de meetresultaten moeten beslissingen genomen worden over veiligheids- en gezondheidsmaatregelen.

Om stofvorming te voorkomen zal de bodemvochtigheid gemeten moeten worden.

Doe een melding bij het bevoegde gezag. Dit in het kader van de Wet Bodembescherming (WBB).

Als zich in het depot carcinogene en/of mutagene niet vluchtige stoffen bevinden boven de concentratie SRC-arbo of bij vluchtige stoffen boven de interventiewaarde moeten passen maatregelen genomen worden om te voorkomen dat de omgeving risico's loopt.

Werk bij aanwezigheid van asbest boven de Interventiewaarde volgens veiligheidsklasse Zwart niet-vluchtig.

Bij een asbesthoudende weg of erfverharding, (asbestgehalte > 100 mg/kg ds) moet de eigenaar van de weg of erfverharding dit melden bij ILT.

Vrouwen die zwanger zijn of in de lactatieperiode zijn mogen geen werkzaamheden in een verontreinigde zone uitvoeren.

Iconisch diagram: Risicozones en blootstellingroutes

De GGD-richtlijnen medische milieukunde zijn bedoeld om het handelen van GGD’en te harmoniseren en te optimaliseren.

Richtlijnen zijn in het merendeel van de gevallen toepasbaar.

Natuurlijk bestaat de mogelijkheid om, mits gemotiveerd, van een richtlijn af te wijken.

Dit is afhankelijk van de lokale situatie.

Procedure richtlijnen: De professionals van de GGD’en stellen zelf de richtlijnen MMK op.

In dit proces worden waar nodig externe deskundigen geraadpleegd.

De coördinatie van de MMK richtlijnontwikkeling ligt bij het RIVM/ (centrum Gezondheid en Milieu).

Op periodieke basis worden de richtlijnen herzien.

Het is mogelijk dat in de tussentijd kleine wijzigingen worden doorgevoerd.

DoelDeze richtlijn is bedoeld voor GGD-medewerkers.

GGD-medewerkers worden gevraagd te adviseren bij een bodemverontreiniging.

Ook kunnen gebruikers en/of omwonenden vragen hebben over de gevolgen voor hun gezondheid.

Het is van belang dat GGD-medewerkers in staat zijn deze vragen goed te beantwoorden en een risicobeoordeling kunnen maken.

De vijf stappen zijn 1. Informatie verzamelen, 2. Bodemonderzoek beoordelen, 3. Aanvullende onderzoek beoordelen, 4. Risicobeoordeling uitvoeren en 5. Adviseren gezondheidsrisico’s en maatregelen.

De vijf stappen staan centraal in de praktijk en worden in de MMK-richtlijn verder toegelicht.

Risikocommunicatie speelt hierbij een belangrijke rol.

Meer informatie over risicocommunicatie is te vinden in de GGD-richtlijn ‘Risicocommunicatie’.

Deze richtlijn verschaft verder informatie over de Omgevingswet en de gezondheidsbevorderende werking van een gezonde bodem.

Ook wordt in deze richtlijn de beoordeling van asbest in de bodem beschreven, omdat de richtlijn ‘Asbest in de bodem en gezondheid’ uit 2007 is komen te vervallen.

Figuur: Stappenplan voor beoordeling van bestaande bodemverontreiniging.

Stap 1: Informatie verzamelen

Om een risicobeoordeling voor een bestaande bodemverontreiniging uit te kunnen voeren is informatie nodig over de locatie, bestemming en situatie.

Meerdere bronnen, zoals plattegronden in het bodemonderzoek of kaarten op Google Maps, Bodemloket en Atlas Leefomgeving kunnen gebruikt worden om een indruk te krijgen van de locatie en eventuele andere verontreinigingsbronnen in de omgeving.

Controleer vervolgens in eigen GGD/RIVM-registratiesystemen of voor deze locatie eerder een advies is uitgebracht of een burger zorgen of gezondheidsklachten heeft geuit rondom deze bodemverontreiniging.

Stap 1. Informatie verzamelen

Locatie: waar is het en hoe ziet de omgeving eruit?

Gebruik de plattegronden en foto’s in het bodemonderzoek.

Kijk op de bodemkwaliteitskaart of op het bodemloket.nl.

De bodemkwaliteitskaart is vaak via de Omgevingsdienst vindbaar.

Gebruik verschillende kaarten van Google Maps.

Kijk op de Atlas Leefomgeving.

Kijk in de (Geografical Information System)-systemen van decentrale overheden.

Ga eventueel op locatiebezoek.

Bestemming: waar wordt of werd de locatie voor gebruikt?

Kijk op Ruimtelijke plannen.nl.

Lees het bijgevoegd (historisch) bodemonderzoek.

Doe navraag bij bodemdeskundigen van de gemeente of omgevingsdienst.

Let op of gevoelige bestemmingen, bedrijven, andere verontreinigingsbronnen, calamiteiten of bijzondere gebieden zoals grondwaterbescherming nabij de locatie aanwezig zijn.

Situatie: hebben bewoners zorgen of klachten?

Controleer eigen documentatie (Osiris of een ander registratieprogramma) voor de locatie.

Vraag na bij de aanvrager of gemeente of bewoners zorgen of gezondheidsklachten hebben.

tags: #vervuilde #grond #bestrating