Wanneer iemand het niet eens is met de uitspraak van (bijvoorbeeld de kantonrechter in een) rechtbank, kan men in veel gevallen bij een ‘hogere rechter’ terecht. Vaak is dat in de vorm van een hoger beroep bij een gerechtshof. Doorgaans kan men nadat in hoger beroep is beslist nog naar de Hoge Raad. Soms moet men na een uitspraak van de kantonrechter of rechtbank direct naar de Hoge Raad. Deze pagina gaat over de cassatieprocedure in civiele zaken.
Algemene schets van de procedures: hoger beroep versus cassatie
In hoger beroep is het mogelijk om de zaak volledig opnieuw aan het gerechtshof voor te leggen. Daarbij kunnen in beginsel ook nieuwe argumenten en stellingen naar voren worden gebracht. Zelfs kunnen eigen fouten van een partij worden hersteld. In cassatie gaat het in beginsel alleen nog maar over de rechtsregels. De Hoge Raad toetst of die regels goed zijn toegepast. Discussie over de feiten is in cassatie zo goed als uitgesloten. Alleen in gevallen waarin een feitelijk oordeel van de lagere rechter als onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd moet worden aangemerkt, is er de mogelijkheid om daarover bij de Hoge Raad te klagen. De drempel om daarover in cassatie met succes te klagen, ligt echter hoog.
Cassatieadvocaat en cassatieadvies
Voor het uitbrengen van cassatieadvies en het instellen van cassatieberoep is de inschakeling van een advocaat bij de Hoge Raad, ook wel cassatieadvocaat genoemd, vereist. Een cassatieadvocaat is krachtens zijn beroepsregels verplicht eerst een cassatieadvies te geven alvorens hij beroep instelt. Het instellen van een ‘strategisch’ cassatieberoep (een beroep dat geen kans van slagen heeft maar uitsluitend wordt ingesteld om tijd te winnen) is sinds de invoering van artikel 80a RO per 1 juli 2012 zinloos geworden. Met ingang van die datum wordt elke zaak na indiening eerst gescreend op de vraag of dat beroep niet bij voorbaat kansloos is. Is dat laatste het geval, dan blijft een inhoudelijke behandeling achterwege en volgt niet-ontvankelijkverklaring.
Tijdlijnen en termijnen
Wat de termijn voor het instellen van cassatieberoep in civiele zaken is, kunt u het beste vragen aan uw advocaat die het hoger beroep heeft behandeld. Die termijn is in bodemzaken doorgaans 3 maanden te rekenen vanaf de uitspraak, maar deze kan ook korter zijn. Voor een kort geding bijvoorbeeld is de cassatietermijn 8 weken, voor een geschil over een handelsnaam één maand en voor een faillissements- of schuldsaneringszaak 8 dagen. Overschrijding van dit soort termijnen leidt vrijwel altijd tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep. De zaak wordt dan onmiddellijk, zonder inhoudelijke behandeling, afgedaan. Het is dus zaak dat uw advocaat in hoger beroep dan wel uzelf tijdig, dat wil zeggen ruim voordat de termijn verstrijkt, een cassatieadvocaat benadert. Die laatste heeft immers tijd nodig om het dossier te bestuderen en te adviseren over de vraag of cassatieberoep zinvol is. Is dat het geval, dan heeft de cassatieadvocaat ook nog tijd nodig voor het beargumenteren van uw cassatieberoep.
Procedureschema vanaf het instellen van cassatie
Het instellen van cassatieberoep op nader aan te voeren gronden is niet mogelijk. Elke cassatieprocedure begint met het instellen van cassatieberoep door middel van een procesinleiding of een verzoekschrift. Daarna krijgt de wederpartij de gelegenheid om daarop te reageren. In een dagvaardingsprocedure loopt dit anders dan in een verzoekschriftprocedure. De hele procedure verloopt in beginsel schriftelijk. Slechts in uitzonderlijke gevallen bestaat er aanleiding om de zaak mondeling bij de Hoge Raad te bepleiten. Na afronding van de discussie tussen partijen, komt er een conclusie van een van de Advocaten-Generaal bij de Hoge Raad. In die conclusie adviseert de Advocaat-Generaal de Hoge Raad over hoe om te gaan met het cassatieberoep. Dit advies wordt in veel gevallen door de Hoge Raad gevolgd. Partijen hebben de mogelijkheid om kort schriftelijk te reageren op dit advies. Na verloop van tijd volgt dan de uitspraak van de Hoge Raad. Die kan het beroep verwerpen. Als de Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep gegrond is, dan volgt vernietiging van de in cassatie bestreden uitspraak. In het merendeel van die gevallen verwijst de Hoge Raad de zaak dan naar een hof voor verdere afdoening. Dat hof moet dan de zaak opnieuw beslissen met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad.
Prejudiciële vragen en de rol van de verwijzingsprocedure
Wat gebeurt er als een lagere rechter een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad stelt? Zeker in een rechtsgebied waarin onduidelijkheid bestaat - bijvoorbeeld omdat er net een nieuwe wet is ingevoerd waarover vragen van uitleg rijzen - kan het voorkomen dat een lagere rechter prejudiciële vragen stelt aan de Hoge Raad. De lagere rechter houdt de zaak dan aan en formuleert vragen van uitleg aan de Hoge Raad. Partijen mogen zich - door tussenkomst van een cassatieadvocaat - daar ook over uitlaten. In de praktijk maken partijen van die mogelijkheid veelvuldig gebruik. Wanneer de Hoge Raad vervolgens die vragen heeft beantwoord, zet de lagere rechter de zaak weer voort.
De procedure bij de Hoge Raad en de rol van de feitenrechter
Afd. 4, Titel 11, Boek I Rv. behandelt de procedurele regels over uitspraak in cassatie in “vorderingsprocedures”. De afdeling omvat 8 artikelen (art. 419 Rv. tot en met art. 427 Rv.). Zoals vermeld op de hoofdpagina Cassatie verloopt de procedure in cassatie - anders dan de andere dagvaardingsprocedures - sinds 1 maart 2017 langs digitale weg. In art. 419 Rv. heeft de wetgever vastgelegd, waarop de Hoge Raad zijn beslissing dient te baseren. Allereerst wordt het oordeel van de Hoge Raad bepaald door de cassatiemiddelen, dat wil zeggen de klachten van de eiser over de bestreden uitspraak van de lagere rechter (lid 1). Dit is hetzelfde principe als in hoger beroep, waar de regel geldt: “quantum appellatum, tantum devolutum“.
De Hoge Raad kan een uitspraak van de lagere rechter (in beginsel het Gerechtshof) niet casseren, als tegen dat onderdeel van de bestreden uitspraak geen cassatieklacht gericht is. Een uitzonderlijk geval was HR 13 mei 2022 (Fietspoint Gouda/NS Fiets). Het betrof daar een beslissing over de datum, waarop een huurovereenkomst diende te eindigen. Art. 419 lid 2 en lid 3 Rv. bepalen verder dat de Hoge Raad heeft uit te gaan van de feiten in het geschil, zoals door de lagere rechter vastgesteld. Bij de Hoge Raad kan het onderzoek naar de feiten niet meer plaatsvinden. Wat in lagere instantie is vastgesteld heeft te gelden, ook als dit niet volledig of zelfs onjuist zou blijken te zijn. De lagere rechter wordt daarom ook wel aangeduid als “de feitenrechter”.
De Hoge Raad beslist over de cassatiemiddelen aan de hand van de uitspraak van de lagere rechter (doorgaans het arrest van een Gerechtshof, behoudens sprongcassatie), maar betrekt daar ook het procesdossier in. In art. 79 R.O. zijn de grondslagen geformuleerd, die de Hoge Raad dient te hanteren bij de toetsing in cassatie. De Hoge Raad kan alleen toetsen op (a) vormverzuimen en (b) strijd met het recht (niet zijnde buitenlands recht). De regels over de proceskosten zijn gelijk aan wat in andere procedures geldt. Zie ook de pagina Proceskosten. Bij cassatie geldt echter een uitzondering: de proceskosten kunnen gereserveerd worden als de verweerder zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad. In het arrest HR 17 juni 2022 (inbreuk erfdienstbaarheid Quooker International) kwam deze kwestie aan de orde. De Hoge Raad besliste, dat wanneer een procespartij zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad, er in de ‘Borgersbrief’ verzocht kan worden om reservering van de proceskosten.
De Hoge Raad kan in geval van vernietiging van de bestreden uitspraak een zaak zelf afdoen (art. 420 Rv.). Hij kan er echter ook voor kiezen om na vernietiging van een uitspraak de zaak (terug) te verwijzen. In beginsel wordt verwezen naar de instantie die de vernietigde beslissing heeft gegeven (art. 421 Rv.). De Hoge Raad handelt in geval van vernietiging uitspraken zelf af, tenzij hij vindt dat het terug moet worden verwezen. In dit geval handelt de instantie waarnaar de zaak terug wordt verwezen de zaak zelf af. De Hoge Raad verwijst terug naar een instantie als er moet worden beslist over feiten waarover nog geen uitspraak is gedaan (art. 421 Rv.). Dat is denkbaar, als de lagere rechter verzuimd heeft op bepaalde onderdelen te beslissen. Dit geldt ook als het gaat over rechtspunten waarover nog geen uitspraken zijn gedaan. Ook dan kan de Hoge Raad de zaak hetzij zelf afdoen, hetzij verwijzen (art. 421 Rv.).
De Hoge Raad kan dan de zaak terugverwijzen naar dezelfde rechter die de uitspraak heeft gedaan, of naar een andere rechter. Als het gaat om een vernietigde uitspraak van de rechtbank dan wordt de zaak verwezen naar het gerechtshof van het ressort. En wanneer de vernietigde uitspraak was gewezen door het gerechtshof dan verwijst de Hoge Raad de zaak naar een ander gerechtshof. De zaak kan terug worden verwezen naar de rechter in eerste aanleg om verschillende redenen. Allereerst wanneer de rechter in eerste aanleg zichzelf onbevoegd had verklaard (art. 76 Rv.). Hetzij wegens het ontbreken van rechtsmacht, of omdat de rechter in eerste aanleg zich niet bevoegd achtte omdat de zaak volgens de rechter onderhevig was aan een arbitragebeding en dus voor arbiters gebracht had moeten worden. De andere situatie waarin naar de rechter in 1e instantie wordt verwezen is, als het Gerechtshof een tussenvonnis van de rechtbank bekrachtigt en terugverwijst naar de rechtbank voor verdere beslissing van de zaak (art. 355 Rv.). De Hoge Raad kan echter ook beslissen naar een andere rechter te verwijzen (art. 423 Rv.). Vanzelfsprekend zet de rechter, naar wie is verwezen, de zaak voort met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad (art. 424 Rv.).
De procedure bij het verwijzingshof wordt beschouwd als een voortzetting van de oorspronkelijke instantie: zie HR d.d. 13 oktober 2006 (Woningstichting Jutphaas). De Hoge Raad overweegt de uitspraak over verwijzingen als bijzondere component van cassatieprocedures. Verzet - dus tegen een uitspraak van de Hoge Raad gewezen na verstekverlening - is in cassatie in beginsel niet mogelijk. Deze regel kent twee uitzonderingen (art. 424 en volgende artikelen).

Samenvatting van cruciale punten
- In cassatie gaat het primair om rechtsvragen en niet om feiten.
- Een cassatieadvocaat is verplicht vooraf cassatieadvies te geven.
- Termijnen zijn strikt: cassatieberoep meestal 3 maanden, met specifieke termijnen per type zaak.
- De Hoge Raad toetst aan de hand van cassatiemiddelen en feitelijke vaststellingen van de lagere rechter, maar kan feitelijk onderzoek niet herhalen.
- Bij gegrondverklaring kan de Hoge Raad vernietigen en vervolgens de zaak zelf afdoen of terugverwijzen.
- Verwijzing naar een andere rechter geschiedt om verdere behandeling met inachtneming van de Hoge Raad’s uitspraak.
- Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad worden in de praktijk vaak door cassatieadvocaten ingebracht; partijen mogen zich daarover uitlaten.
Ruben Wiegerink | Verwijzingshof treedt buiten grenzen van de rechtsstrijd | Cassatie Uitgesproken
Verantwoorde toepassing van verwijzing in cassatie
Wanneer een lagere rechter een tusseninstantie is in cassatie, kan de Hoge Raad besluiten de zaak terug te verwijzen naar dezelfde rechter of naar een andere rechter. De keuze hangt af van de aard van de te beantwoorden issues: feiten die nog beslist moeten worden, of rechtsvragen die nader uitgelegd moeten worden. De verwijzingsprocedure wordt gezien als een voortzetting van de oorspronkelijke instantie, waarbij de Hoge Raad de kernpunten uit het arrest van de lagere rechter als leidraad gebruikt.