Betekenis en oorsprong uitdrukking voetjes van de vloer: historisch perspectief en behoud

Historische houten vloeren zijn vaak waardevolle onderdelen van monumenten. Ze vormen een wezenlijk onderdeel van het historische interieur. Vloeren geven informatie over de ontwikkelingen in de indeling van een gebouw, de betekenis en het gebruik van vertrekken en de bouwkundige en architektonische kennis en tradities in verschillende periodes. Door gebrek aan kennis over de geschiedenis, waarden en instandhouding van houten vloeren gaat echter veel verloren. Ze worden niet zelden opengebroken voor bouwkundig onderzoek of voor het leggen van leidingen. Parket wordt - te vaak - geschuurd, waardoor er op den duur slechts fineer overblijft. Ook besluit men soms ten onrechte dat een beschadigde vloer niet meer te herstellen is, of dat het materiaal geen historische waarde heeft.

In dit artikel komen de historische ontwikkeling, materiële kenmerken, en het behoud van verschillende soorten historische houten vloeren aan de orde. Verschillende soorten verbindingen tussen planken worden beschreven: A. Messing en groef. B. Groeven met losse veer. C. Halfhoutse lipverbinding. D. Zogenoemde ‘pavodilos’. E. Stompe naad. Bij C een voorbeeld van blind spijkeren. Een lekkende verwarmingsleiding leidt tot verkleuring en schade aan de parketvloer. Door het zwellen van het hout door vochtopname steken delen boven de rest van de vloer uit. Een van de methodes voor het uitnemen van planken met een stompe naad. (Tekeningen uit: J. Schofield, Patching old floorboards) Onder de eerste tekening staat: Eerste fase in het opnemen van planken met een stompe naad. Onder de tweede tekening staat: Het opwippen van de eerste plank. Onder de derde tekening staat: Het opnemen van de tweede en volgende planken. Een deel van de vloer is verwijderd om de verwarmingsleidingen te kunnen bereiken. Het ondersteunen van zwakke planken. (Tekeningen uit: J. Schofield, Patching old floorboards). Het repareren van het einde van een plank. Het repareren van een gebroken hoek. Het gebruik van planken om een vloer te maken is zo oud als het vermogen van timmerlieden en zaagmolens om planken te zagen.

Het vroegste en vanouds meest gangbare type houten vloer is de vloer waarvan de planken direct op de balken zijn gespijkerd en waarbij de planken in het zicht blijven. In de middeleeuwen waren de planken doorgaans van eikenhout. Vanaf de late 15de eeuw zien we voorbeelden van houten vloeren van grenenhout. Grenen planken worden ‘delen’ genoemd. Vanaf de vroege 17de eeuw wordt grenenhout - met name uit Scandinavië maar ook wel uit Duitse gebieden - dominant voor het maken van vloeren. Daarnaast blijft eikenhout in gebruik. Grenen delen werden soms aan de onderzijde tussen de balken afgewerkt met eiken spreidsel. Dikke vloerdelen of vloerplanken, soms tot wel twintig centimeter dik, konden zonder onder­steunende balklaag worden gelegd, waarmee in de ruimte hoogte werd gewonnen. We spreken dan over een plaatvloer. Planken of delen bleven onbehandeld of werden bewerkt met was, zeep, hars of lijnolie of een combinatie daarvan. Daarnaast werden houten vloeren vaak geschilderd, hetzij in één kleur, hetzij in een patroon of decoratief motief. De schildering kon een imitatie zijn van een ander materiaal, zoals natuursteen, keramische vloertegels, specifieke houtsoorten of tapijt. De vroegst bekende imitatieschilderingen op houten vloeren dateren uit de 17de eeuw en zijn imitaties van parket en tegels. De 18de eeuw kende veel natuursteenimitatie, terwijl de 19de eeuw wordt gekenmerkt door tapijtimitatie. In de 19de en 20ste eeuw is een afwerking populair waarbij men met blote voeten een patroon in de natte verf maakte, de zogenoemde voetjesvloer.

Wanneer een apart plafond ontbreekt, vormen de planken tevens het plafond voor de onderliggende ruimte. De onderkant van de planken kon worden voorzien van een schildering met decoratieve motieven of voorstellingen, zoals van (gestileerde) ranken of van rol- en bandwerk. De vroegste bewaarde voorbeelden daarvan dateren uit de 16de eeuw. Parketvloeren komen in Nederland voor vanaf de 17de eeuw in voorname huizen en kastelen. Parket bestaat uit massieve houten planken of plankjes die in een patroon zijn gelegd. Bij parket spreekt men van een dekvloer. Het legpatroon en de belijning kunnen een samenspel vormen met de wanden of plafonds. Een bijzondere vorm is het marqueterieparket, een rijk decoratief parket met complexe geometrische of florale patronen dat is opgebouwd uit verschillende houtsoorten en houtkleuren. Daarnaast bleven de planken of delenvloeren in gebruik. Globaal vanaf de 19de eeuw wordt de vloer bewust geschikt gemaakt om er dekvloer of tapijt op te leggen. Om hout te besparen kon men ervoor kiezen planken niet rechthoekig te zagen, maar de taps toelopende vorm van de boom te volgen. Wanneer er smalle lange planken werden gebruikt, dan spreekt men van strokenvloeren en riftvloeren, ook wel schipvloeren genoemd. De planken van een riftvloer zijn zogenoemd riftgezaagd of kwartiergezaagd, wat wil zeggen ongeveer haaks op de jaarringen. Bij een variant van de strokenvloer, de zogenoemde Wener vloer, legt men korte planken van balk tot balk onder een hoek van 45°. Een apart type houten vloer is de blokjesvloer of houtbestrating. Deze vloer bestaat uit korte stukjes rechthoekige balk, die met de kopse zijde naar boven op een steenachtige ondergrond worden gelegd of gelijmd. Het hout wordt gewoonlijk in visgraatverband gelegd. Wanneer de ondergrond zand is, worden grotere blokken gebruikt, die in halfsteensverband worden gelegd. Een blokjesvloer is onder meer geluiddempend en vonkdovend. Om deze redenen is de vloer vaak toegepast in bedrijven, laboratoria en werkplaatsen of, zoals bij het Paleis Het Loo, als vloer in de paardenstallen. Parket behoort tot de dekvloeren en bestaat uit kleine plankjes die men in een patroon op een ondervloer legt. Bij het strokenparket hebben de plankjes een dikte van 12 tot 22 millimeter. Bij het tapisparket hebben de plankjes of ‘friezen’ een dikte van 6 tot 10 millimeter. Vaak bouwt men dit parket op uit van tevoren vervaardigde tegels met een patroon. Het tapisparket werd vanaf de 19de eeuw aangebracht op bestaande plankenvloeren en parketten. Tot dit type parketvloer worden ook de mozaïek- of kleinparketvloeren gerekend. De meest toegepaste bevestiging van de planken op de balken is spijkeren. Het nadeel hiervan is dat de koppen van de spijkers in het zicht zijn. Bij het blind spijkeren wordt iedere plank afzonderlijk gespijkerd, waarbij men de spijker schuin in de messing of in het onderste deel van de groef slaat. Daarna schuift men de volgende plank er tegenaan. Om meer ruimte voor het spijkeren te krijgen gebruikte men planken met een afwijkende messing en groef. Om de planken niet te hoeven spijkeren gebruikt men zwaluwstaartvormige wiggen. De wiggen worden op de balken gespijkerd en in de vloerplanken worden gelijkvormige sleuven uitgehakt. Vervolgens worden de planken over de wiggen geschoven. Uiteraard moet men voor de laatste plank een uitzondering maken. Een variant op deze methode is die waarbij op de balken een lat wordt gespijkerd met aan beide kanten een groef met een brede onderwang, waarmee de lat wordt vastgespijkerd. De planken worden aan de kopeinden met een messing bewerkt, waarmee ze in de latten worden geschoven. Een andere methode is het gebruik van ankertjes. Hierbij bevestigt men ankertjes aan de zijkanten tegen de balken. De oudste methode is het gebruik van een los eiken latje, de zogenoemde veer. De meest toegepaste methode is de messing en groef. De ene lange zijde van de plank heeft dan een uitstekende dunne rand, de messing, de andere zijde de groef. In plaats van planken met een profilering aan de zijkanten maakte men ook gebruik van planken met een vlakke zijkant: een stompe naad. Vanouds lijmde men parket op de ondergrond met een vlees- of beenderlijm. De lijm moest warm worden verwerkt. Niet iedere ondergrond is geschikt voor een beenderlijm. Zo hecht de lijm niet aan een stenen ondergrond. Daarom legde men parketvloeren al vrij vroeg in teer. Dit hechtte wel aan de steen. Bovendien was het teer ook geschikt om deze ondergrond enigszins te egaliseren. Teer kon ook gebruikt worden op een houten ondervloer. In dat geval bracht men tussen het teer en de ondervloer een dun laagje zand aan om te voorkomen dat het teer zich aan de ondergrond hechtte. De lengtenaad tussen de planken werd aan de onderzijde voorzien van een zwaluwstaart, waar het teer in kon dringen voor een betere hechting.

Wanneer men onder een houten vloer geen plafond aanbrengt, is er stof- en vuildoorslag naar de onderliggende ruimte. Je kunt dit verhelpen met een voorziening tussen, onder of op de planken. Voor de afdichting tussen de planken zorgt de veer of messing. Voor een afdichting aan de onderzijde gebruikte men spreidsel, een zeer dunne laag (eiken)hout, die in de richting van de balken of kinderbinten werd gelegd. Spreidsel dichtte tegelijkertijd ook optisch de naden tussen de planken af. Het komt ook voor dat het spreidsel in de dwarsrichting op de kinderbinten ligt. De naden tussen het spreidsel zijn dan afgedicht met een geprofileerd latje. Soms werden brede planken ook in de lengterichting op de balken gelegd met de langsnaden precies boven de balken. De kopse verbindingen werden dan afgedicht met een geprofileerd latje. Daar waar het mogelijk was, bijvoorbeeld op een zolder, zijn de naden soms aan de bovenzijde afgedicht. De Stichting Erkende Restauratiekwaliteit Monumentenzorg (ERM) beheert een uitvoeringsrichtlijn (URL 4013) voor onderhoud aan en restauratie van historische parket- en houten afwerkvloeren. De stappen en aandachtspunten bij onderhoud en restauratie worden daarin nauwkeurig uiteengezet. Voor het plegen van onderhoud dient men vooraf te onderzoeken of, en zo ja waarmee de vloer is behandeld. Niet alle behandelmethoden voor moderne houten vloeren zijn toepasbaar op oude houten vloeren. Een harde afwerklaag, lak, bedoeld als verzegeling en dus beschermend, is, wanneer daar aanleiding voor is, alleen door intensief schuren te verwijderen. Bij het schuren gaat echter belangrijk historisch materiaal verloren, afhankelijk van vloer en methode twee tot vier millimeter of soms zelfs meer. Bijzondere aandacht vragen vloeren die uit verschillende soorten hout bestaan. Met name eikenhout mag niet lang in aanraking komen met water en metaal. Het metaal reageert op het looizuur in het eikenhout en geeft verkleuringen: blauw door messing, zwart door ijzer. Je kunt de vlekken eventueel verwijderen met oxaalzuur; dat is ontweringszuur of zuringzuur. Oxaalzuur is een optische bleker en moet warm worden verwerkt. Schoonmaken van sterk vervuilde houten vloeren kan met gomterpentijn, in uitzonderlijke gevallen in combinatie met een schraapstaal. Hierbij treedt een gering materiaalverlies op. Het verouderingsbeeld blijft behouden. Door de terpentijn lost de oude was op. Na reiniging kun je de vloer weer behandelen met bijenwas opgelost in terpentijn. Een combinatie van bijenwas en carnaubawas is wat harder. Af te raden is een bijenwas die is opgelost in terpentine. Dit geeft een witte uitslag, bijvoorbeeld op de naden. Bijenwas geeft een donkere, wat gele kleur. Wanneer een lichtere kleur is gewenst kun je de vloer schrobben met blokzeep, zilverzand en kalk. Een gelakte vloer kan worden gedweild. Je kunt de lak verwijderen met een afbijtmiddel. Gebruik kleine hoeveelheden per keer om intrekken in het hout te voorkomen. Daarna licht schuren met fijn schuurpapier of met nylon schuurvlies of een dot kokos, indien het kokos harder is dan de houtsoort. Hout moet altijd in de richting van de nerf worden geschuurd. Hout heeft een lange levensduur, maar niet als het langdurig vochtig of nat is. Vocht leidt tot uitzetting van het hout, met kans op schade. Bovendien geeft vocht vlekken. Is het vochtgehalte van het hout langdurig ten minste 22 procent of hoger, dan kunnen schimmels het hout aantasten. Sommige insecten voeden zich met hout en kunnen het hout ernstig aantasten en verzwakken. Warmte in combinatie met een lage luchtvochtigheid, vaak veroorzaakt door een centrale verwarming, leidt tot schade. Door het krimpen van het hout kunnen gelijmde onderdelen van elkaar losraken en kunnen er in de planken scheuren ontstaan. Hout slijt in het gebruik. Dit hoeft geen directe bedreiging te zijn. De slijtage wordt echter versneld door onoordeelkundig gebruik. Dit kan bijvoorbeeld het lopen op naaldhakken zijn, of het verslepen van zware meubels. Voordat je met een restauratie kunt beginnen, dien je een gedegen onderzoek naar het type vloer te verrichten. Daaruit blijkt welke bevestiging en onderlinge verbinding voor de planken zijn gebruikt en of er zich bijvoorbeeld aan de onderkant van de planken een aan het zicht onttrokken plafondschildering bevindt. In het algemeen geldt dat je het uitnemen van vloerplanken zo veel mogelijk moet voorkomen. Het is in de meeste gevallen niet eenvoudig en schade aan de vloer is daarbij vaak onvermijdelijk, zeker wanneer de planken in een min of meer slechte staat verkeren. Ook verschilt het uitnemen van planken per type vloer: zijn het planken met stompe naad of met messing en groef? Indien mogelijk worden de spijkers zonder beschadiging van de plank van bovenaf verwijderd (zie hieronder onder Ontspijkeren). Is dit niet mogelijk, dan kun je de volgende methode toepassen om de planken met spijkers uit te nemen. Om het splijten van de plank te voorkomen moet je op een ruime afstand vanaf het einde van een plank beginnen. De rand van de naastliggende plank kun je tegen beschadiging beschermen met een blok hout of een stuk plaatstaal. Je kunt de plank voorzichtig opwippen met bijvoorbeeld een platte koevoet. Daarbij moet je regelmatig van plek wisselen. Je mag de plank per keer niet verder oplichten dan een derde van zijn dikte. Je kunt de handelingen herhalen totdat het eind van de plank loskomt. Wanneer het einde van de plank is losgekomen, schuif je een hulplat dwars onder de plank tot de volgende spijkers. De lat rust op de naastgelegen planken. Door op het uiteinde van de plank te duwen kun je de plank bij de spijkers omhoog duwen. De uit te oefenen druk hangt af van de sterkte van de plank. Wanneer de spijkers ver genoeg uit de balk zijn gekomen wordt de plank weer in zijn oude positie gelegd en worden de spijkers met een nijptang, hamer of koevoet uitgetrokken. Als de methode met de hulplat onder de plank niet lukt, kun je eventueel vanaf de zijkant met een koevoet werken. Deze koevoet wordt vrij ver van de rand van de plank onder de plank geschoven en daar ondersteund met een stukje hout. Bij het verwijderen van de spijkers aan het eind van de plank dien je het splijten van de plank te voorkomen. Bij dit type vloerplanken is het niet eenvoudig om de ‘eerste’ plank te vinden. Hoewel je zou kunnen veronderstellen dat deze zich tegen één van de wanden bevindt, is dit zeker niet altijd zo. Vaak koos men voor het plaatsen van de laatste twee planken op e...

Infographic: Typen houten vloeren en verbindingen (messing-groef, groef-veer, halfhoutse lip, blind spijkeren, stompe naad)

Tot slot de reflectie op gezegden en spreekwoorden rond voeten en vloer: 13 dialectgezegden die de uitdrukking voetjes van de vloer kennen en in de hedendaagse taal een humoristische maar soms rijpende dimensie geven aan onze relatie met de vloer. Voorbeelden: “de vloer aanvegen met iemand”, “voetjes van de vloer?”, “op m’n achterste benen staan” en vele andere uitingen geven een inzicht in hoe mensen vroeger en nu omgaan met beweging, draagvlak en stilstand. Het is opmerkelijk dat zulke taalspelen verweven raken met het behoud en de interpretatie van historische vloeren, waardoor de verhalen van het gebouw en de bewoners tot leven komen.

tags: #voetjes #van #de #vloer