Hydraulische eigenschappen van cement uitgelegd

Jij wil je eigen mortel maken om te metselen of te voegen, superleuk! Maar welke hydraulische kalk heb je dan nodig?

Hydraulische kalk is verkrijgbaar in drie verschillende gradaties. Deze termen verwijzen naar de mate van hydraulische vermogen van elke gradatie, d.w.z. NHL 2 hydraulische kalk bevat tot 10% klei eventueel gemengd met andere onzuiverheden. Naar historisch receptuur stadhuis Utrecht. Metselwerk en kalkpleister van kalkhoudende stenen, zachte, afbrokkelende, of schilferende zandsteen, kalksteen of zachte en historische bakstenen.

Gematigd hydraulische kalk (NHL 3,5) kan worden gebruikt voor externe werkzaamheden in de meeste omgevingen. NHL 3,5 bevat tussen de 11 en 20% klei. Kenmerken en eigenschappen: Geschikt voor dichte harde en/of ondoordringbaar metselwerk of pleisterwerk met een sterke blootstelling aan weersinvloeden of water.

Wordt gebruikt voor buitenwerk op blootgestelde plaatsen, zoals schoorstenen, loodvoegen en voor vloerplaten/fundering. Hydraulisch zuivere kalk bevat klei in een percentage van 21% tot 30%. De eigenschappen van sterk hydraulische kalk liggen dicht bij die van Portland cement.

Het is belangrijk dat de mortel altijd zachter is dan het metselwerk. Een zachtere kalkmortel zal het vocht uit het omringende metselwerk absorberen en verdampen, waardoor het kan ademen. Hij zal ook beweging en thermische uitzetting opvangen. Het is belangrijk dat de mortel sterk genoeg is om lang mee te gaan. Als de mortel te zacht is, zal hij niet bestand zijn tegen de elementen of het omringende harde bakstenen metselwerk.

Stelregel in de restauratie is de nieuwe mortel nooit harder te maken dan de historisch aanwezige kalkmortel om schade aan het monument te voorkomen. Kortom, kies niet zomaar de hardste of de zachtste soort kalk, maar kies de meest compatibele bij het historische werk. De NHL kalksoorten zijn de laatste decennia steeds populairder geworden vanwege hun “gebruiksgemak” en “vroege sterkte” in vergelijking met puzzolane kalksoorten. De genoemde hardheden na 28 dagen zijn echter geenszins de eind sterktes.

LET OP: Deze kunnen na 2 jaar wanneer hydraulische kalk 90% van zijn eindsterkte heeft bereik zomaar 3 maal hoger uitvallen. Compatibel metselwerk? Voor een monumentale restauratie dient u te weten dat minstens 90% van ons erfgoed gebouwd is met luchtkalk al dan niet met toegevoegd puzzolaan. Cement is het meest gebruikte bindmiddel voor beton. Cement verhardt door toevoeging van aanmaakwater en lijmt de toeslagmaterialen. Naast cement kunnen andere bindmiddelen worden toegepast.

Cement is een kant-en-klaar, in de cementfabriek samengesteld poeder dat voldoet aan de eisen in de cementnorm (NEN-EN 197-1). Portlandcement heeft als eigenschap dat het vrij snel uithardt. Bij portlandvlieggascement verloopt de sterkteontwikkeling langzamer. Als cement reageert met water dan vormen zich in de poriën tussen de cementkorrels kristallen. Deze kristallen groeien in elkaar, tot een dichte structuur, raken ook de zand- en grindkorrels, er ontstaat een fysisch-mechanische verbinding. Zolang er water is, gaat de kristalvorming door. Het water wordt deels chemisch gebonden (in de kristalvorming), in de steeds kleiner wordende poriën wordt het water fysisch gebonden.

Door de binding van het water stijft de betonspecie op, en verhardt. Je hebt bindmiddelen nodig op de bouw, dat is duidelijk. Maar welk type wanneer? Hydraulisch cement, dat is de variant die je inzet als water in het spel is. Dit cement reageert chemisch met water - hydratatie noemen we dat - en verhardt. Sterker nog, het kan zelfs onder water verharden. En wat dan ontstaat? Een keihard, stabiel materiaal dat niet oplost. Het geheim zit hem in die exotherme reactie: warmte komt vrij. Dat is precies de eigenschap die dit cement onmisbaar maakt voor funderingen, metselwerk in vochtige situaties of constructies die permanent onder water staan. Denk aan kademuren, bruggenhoofden; je wilt daar geen bindmiddel dat week wordt.

Hydraulisch cement. Men spreekt erover alsof het één ding is, maar niets is minder waar. Het is eerder een familie, een overkoepelende term, een essentieel onderscheid met zijn tegenhanger: het niet-hydraulische cement. Die laatste, daarvan heb je er vast ook wel eens een potje gips in handen gehad, of misschien ongebluste kalk; die verharden enkel onder invloed van lucht, van koolstofdioxide, en kunnen dan ook weer oplossen in water. Nut? Zeer beperkt in de natte bouw. Dát is waar de hydraulische types schitteren.

Binnen deze onmisbare categorie kennen we diverse hoofdrolspelers. De absolute koning, de meest geproduceerde, meest voorkomende soort? Dat is het portlandcement. Een standaard in de bouw, de basis van vele betonmengsels. Maar de familie is groter. Denk aan hoogovencement, afkomstig uit de hoogovenindustrie, met een langzamere sterkteontwikkeling maar vaak een hogere uiteindelijke sterkte en betere sulfaatweerstand. En dan is er puzzolaancement, dat additieven zoals vliegas of silicapoeder bevat, wat de duurzaamheid kan verbeteren en de hydratatiewarmte reduceert. Er bestaan ook composietcementen, slimme combinaties van deze bindmiddelen, elk met hun unieke balans van eigenschappen. Snelhardende varianten? Jazeker, ook die zijn hydraulisch, vaak met specifieke maalfijnheden of versnellende toevoegingen om die snelle uitharding te bewerkstelligen.

Voorbeelden uit de praktijk. De praktijk, daar draait het om. Want een term is één ding; zien hoe het werkt, dat is de crux. Hydraulisch cement, je komt het overal tegen waar water geen spelbreker mag zijn, waar juist die vloeistof de aanjager is van een ijzersterke verbinding. Denk aan een brugpijler die men direct in de rivierbedding stort; geen droge aarde hier, nee, volop water. Toch verhardt het beton onverstoorbaar, het water maakt het alleen maar sterker. Of die keldermuur, die jarenlang de druk van het grondwater moet weerstaan. Nee, een mengsel met hydraulisch cement, dat vormt een ondoordringbare barrière, een muur tegen het water. En wat te denken van rioleringsbuizen die je in een vochtige sleuf legt? Een naad die snel en permanent dicht moet zijn, ongeacht het vocht. Een snelle fix met een speciale hydraulische mortel, die trekt zich niets aan van een plas water.

Voor hydraulisch cement zijn er, zoals bij de meeste essentiële bouwmaterialen, diverse normen en voorschriften van toepassing. Deze zijn niet zomaar opgesteld; ze zijn van cruciaal belang voor zowel de productkwaliteit als de veiligheid en duurzaamheid van bouwconstructies. De voornaamste standaard is NEN-EN 197-1. Deze norm definieert de samenstelling, specificaties en de noodzakelijke conformiteitscriteria voor de meest voorkomende cementsoorten, waaronder vanzelfsprekend de verschillende hydraulische varianten. Verder speelt de NEN-EN 206 een belangrijke rol. Dit is de norm die specifiek over beton gaat, en hoewel het niet direct over cement zelf handelt, heeft het wel degelijk betrekking op hydraulisch cement. De eisen die NEN-EN 206 stelt aan de samenstelling, eigenschappen, productie en conformiteit van beton, maken de keuze en kwaliteit van het gebruikte cement (dat weer conform NEN-EN 197-1 moet zijn) een bepalende factor voor de uiteindelijke kwaliteit, sterkte en levensduur van de betonconstructie. Bovendien, conform de Europese Verordening Bouwproducten (EU 305/2011), moeten alle hydraulische cementsoorten die onder een geharmoniseerde norm vallen - zoals NEN-EN 197-1 - verplicht voorzien zijn van een CE-markering. Deze markering is het bewijs dat het product voldoet aan de essentiële eisen op het gebied van gezondheid, veiligheid en milieu die binnen de gehele Europese Economische Ruimte gelden.

De wortels van hydraulisch cement reiken diep in de oudheid. Denk aan de Romeinen; zij beheersten al de kunst van waterbestendige mortels, een prestatie van formaat, essentieel voor hun infrastructuur. Zij mengden kalk met vulkanische as - pozzolana - om een bindmiddel te creëren dat zelfs onder water uithardde, een eigenschap die na de val van hun rijk lang in de vergetelheid raakte. Pas in de achttiende eeuw keerde het begrip terug, onder meer door het werk van de Britse ingenieur John Smeaton. Smeaton zocht voor de bouw van de Eddystone vuurtoren een mortel die op zee standhield; zijn experimenten met hydraulische kalktypen waren baanbrekend, een fundament voor wat komen zou. De grote sprong voorwaarts? Die kwam in 1824. Joseph Aspdin, een metselaar uit Leeds, patenteerde zijn 'Portland Cement', vernoemd naar het gesteente van het eiland Portland, een esthetische referentie, maar technisch een revolutionaire stap.

Zijn methode, een nauwkeurige menging en verhitting van kalksteen en klei, legde de basis voor het moderne industriële bindmiddel. Vanaf dat moment ging het snel. Grootschalige productie van Portlandcement zette in. Dit materiaal transformeerde de bouw; bruggen, tunnels, hoge gebouwen - ineens bereikbaar. Hydraulisch cement verhardt door een chemische reactie met water en blijft stabiel onder water. Kunstmatige materialen / lichte toeslagmaterialen. Kunstmatig vervaardigde toeslagmaterialen worden vervaardigd op basis van geëxpandeerde klei, geëxpandeerde leisteen of gesinterde vliegas. Ze vormen een aparte groep binnen de toeslagmaterialen voor beton. Toeslagmaterialen met een ρrd (rd = relative density) minder dan 2000 kg/m3 behoren tot de lichte toeslagmaterialen. Een hulpstof is een stof die, bij een toevoeging in hoeveelheden gelijk aan of minder dan 5% (m/m) van de cementmassa, een significante wijziging van de eigenschappen van de specie en/of het verharde product bewerkstelligt.

In beton en mortel worden in toenemende mate hulpstoffen toegepast. Meest bekend en toegepast zijn de waterreducerende/plastificerende hulpstoffen. Daarmee kan de benodigde hoeveelheid water in beton worden verminderd, of de verwerkbaarheid worden verbeterd. Superplastificeerders worden vervaardigd op basis van ligninesulfonaat, melaminesulfonaat, naftaleensulfonaat en polycarboxilaat. Elk van deze producten heeft een eigen kenmerkend gedrag en een bijbehorend gebied van toepassingsmogelijkheden. Indeling hulpstoffen. Hulpstoffen worden ingedeeld naar het effect dat het gebruik ervan in betonspecie en/of verhard beton veroorzaakt.

NEN-EN 934-2, de norm voor hulpstoffen voor beton, mortel en injectiemortel, geeft de volgende indeling en eisen van de hoofdwerking. Naast de genoemde typen hulpstoffen en hun hoofdwerkingen kent NEN 934-2 nog een aantal hulpstoffen waarbij combinaties kunnen worden gemaakt van de hier genoemde hoofdwerkingen. De eisen die aan de hoofdwerking worden gesteld kunnen enigszins afwijken van de eisen uit de tabel. Hulpstoffen worden zowel in poedervormige als vloeibare vorm verwerkt. In betonspecie meestal vloeibare hulpstoffen. Aan beton kunnen nog andere stoffen worden toegevoegd om bepaalde eigenschappen te beïnvloeden. Holle microbolletjes (MHK) kunnen een alternatief zijn voor met behulp van een luchtbelvormer in beton ingebrachte luchtbelletjes. Voordeel van het werken met microbolletjes is dat er grote zekerheid is over de hoeveelheid en de afmetingen van de bolletjes.

Er is immers geen invloed van bijvoorbeeld temperatuur, watergehalte of mengtijd, factoren die bij gebruik van een luchtbelvormer wel invloed hebben op het gerealiseerde luchtgehalte en de grootte en de verdeling van de luchtbelletjes. Microbolletjes zijn feitelijk kleine luchtbelletjes met een elastische kunststof omhulling en een doorsnede van 0,02-0,08 mm. Evenals bij de toepassing van luchtbelvormende hulpstoffen wordt de vorstbestandheid van beton sterk verbeterd. De hoofdwerking van staalvezels is het verhogen van de buigtreksterkte, buigtaaiheid en equivalente buigtreksterkte van (constructief) beton. De prestatie van staalvezels in beton wordt in belangrijke mate door deze eigenschappen en de doseringsgrootte bepaald. Het rekenen met staalvezels in beton vergt een totaal andere benadering dan het rekenen met conventioneel gewapend beton.

Infografiek: over hydraulische kalkgradaties NHL 2, NHL 3,5 en hydraulisch zuivere kalk

Foto 10.9 Staalvezels. Polypropyleenvezels. Eén van de belangrijkste effecten van de toevoeging van polypropyleenvezels aan betonspecie is het beperken van de scheurgevoeligheid door plastische krimp. Polypropyleenvezels kunnen ook worden gebruikt ter verbetering van de stabiliteit en/of samenhang van de betonspecie. Een heel ander effect is de verbetering van de gevoeligheid voor afspatten bij zeer hoge temperatuurbelastingen, bijvoorbeeld door brand. De snel wegsmeltende vezeltjes creëren hier ontsnappingskanaaltjes voor de stoom die bij snel oplopende temperaturen in het beton uit het in beton aanwezige vocht ontstaat. We onderscheiden enkelvoudige (monofilament) en netvormige (gefibrileerde) vezels. Een gebruikelijke dosering is 0,6 - 1 kg/m3 beton. Voor het verbeteren van de brandbestandheid van beton worden doseringen tot wel 3 à 4 kg/m3 toegepast.

Aanmaakwater mag geen stoffen bevatten die invloed hebben op het verhardingsproces of op de duurzaamheid van het verharde beton. Een bijzonder punt van aandacht is het feit dat een relatief groot deel van de totale hoeveelheid water in beton niet als aanmaakwater wordt geselecteerd en gedoseerd, maar als aanhangend vocht met het toeslagmateriaal meekomt. Het berekenen van betonsamenstellingen is het vakgebied van de betontechnoloog. Het is zijn taak de eisen vanuit een bepaalde toepassing te koppelen aan de meest optimale betonsamenstelling. De mogelijkheden die hij heeft hangen af van de beschikbare grondstoffen, de productiemogelijkheden én de beschikbare betontechnologische kennis.

In de praktijk wordt veel gebruik gemaakt van software voor het beheren van de gegevens van de aanwezige grondstoffen en het daaruit berekenen van een betonsamenstelling die voldoet aan vooraf ingevoerde criteria. De berekening verloopt meestal via een vast stappenplan. Alleen enkele betonspecies met heel specifieke eigenschappen, zoals zelfverdichtend beton, vormen daarop een uitzondering. In dit hoofdstuk wordt een veel gebruikt algemeen stappenplan uitgelegd, dat de basiskennis levert voor het ontwerpen van betonsamenstellingen. Stap 1. Betonspecie: de fase na het mengen waarin transport, storten en verdichten plaatsvinden. Dit stadium is vooral belangrijk voor de uitvoering. Verhard beton: met de eigenschappen in deze fase rekent de constructeur.

Stap 2. Keuze van de materialen. Behalve de beschikbaarheid op de markt kent het grondstoffenpakket bij een betonmortelcentrale of betonproductenfabriek praktische beperkingen, bijvoorbeeld wat de opslag- of silocapaciteit betreft. Een uitgebreider grondstoffenpakket biedt meer mogelijkheden. Belangrijk is dat er een goed inzicht is in de eigenschappen van de beschikbare grondstoffen, omdat het grondstoffenpakket voor beton uit steeds meer verschillende materialen bestaat. Toeslagmateriaal bestaat allang niet meer uitsluitend uit rivierzand en -grind. Bij de selectie van grondstoffen moeten we al rekening houden met de betonkwaliteiten die we willen gaan maken. Zo worden aan de grondstoffen voor hogesterktebeton andere eisen gesteld dan voor beton in normale sterkteklassen. Afhankelijk van de toepassing kunnen aanvullende eisen gelden voor bijvoorbeeld de ASR-gevoeligheid en het chloridegehalte. Interacties tussen grondstoffen. Naast de eigenschappen/prestaties van de afzonderlijke grondstoffen hebben we in betonspecie te maken met de samenwerking tussen de verschillende grondstoffen. We spreken dan vaak van de interactie tussen grondstoffen. Zo wordt de prestatie van veel hulpstoffen beïnvloed door de eigenschappen van het cement. Voor vertragende hulpstoffen is de vertragende werking in combinatie met hoogovencement vaak beduidend langer dan bij portlandcement. Vliegas in beton kan de werking van een luchtbelvormer vrijwel teniet doen.

Deze interacties laten zich niet in universeel toe te passen regels vatten. Vaak zijn er meer randvoorwaarden die samenhangen met de wijze van uitvoeren van het werk. Zowel het sterkteniveau als de milieuklasse is gekoppeld aan een grenswaarde voor de water-bindmiddelfactor. De water-bindmiddelfactor moet dus zowel aan het criterium voor sterkte als aan het criterium voor de milieuklasse voldoen en speelt dus een sleutelrol in het mengselontwerp. De verwerkbaarheid is bepalend voor de waterbehoefte van de betonspecie. Als eerste berekenen we welke gemiddelde sterkte nodig is voor het bereiken van een bepaalde sterkteklasse. Soms speelt het moment waarop een bepaalde druksterkte nodig is een rol. De sterkteklasse geeft de karakteristieke betondruksterkte aan. Voorbeeld: De gewenste sterkteklasse is C28/35; de processtandaardafwijking σ = 3,5 N/mm2, er wordt een goedkeurkans van 95 % aangehouden. De karakteristieke kubusdruksterkte voor C28/35 is 35 N/mm2. De benodigde gemiddelde sterkte volgt uit: fcm,j = 35 + 2,2 . 3,5 = 42,7 N/mm2. De waarde 2,2 in deze formule noemen we de excentriciteit. Deze wordt aangeduid met de letter μ. Met de excentriciteit en de standaardafwijking kan de afstand van een waarde tot het gemiddelde worden berekend. Uit de formule is af te leiden dat er een duidelijke relatie is tussen betonsterkte, water-cementfactor en normsterkte van het gebruikte cement.

Wanneer we in dit voorbeeld kiezen voor een CEM III/B 42,5 lezen we uit de tabel onder cement dat de normsterkte na 28 dagen verharden 48 N/mm2 is. Vervolgens moeten we bepalen welke wcf vereist is voor de milieuklasse. Indien voor de gevel van een kantoorgebouw aan de kust milieuklassen XC4, XD1 en XS1 van toepassing zijn, kunnen we aan tabel E van NEN 8005 ontlenen dat de maximaal toelaatbare wcf /wbf 0,50 en het minimumcementgehalte 300 kg/m3 is. Voor het berekenen van de betonsamenstelling verlagen we de wcf/wbf voor de milieuklasse veiligheidshalve met 0,02 om zo een veilige marge in te bouwen tot de grenswaarde. In dit voorbeeld levert de wcf voor de milieuklasse de laagste waarde (wcf 0,48 voor de milieuklasse versus 0,51 voor de sterkteklasse).

Inschatten waterbehoefte. Om het cementgehalte te kunnen berekenen moeten we de waterbehoefte van het mengsel kennen. Deze wordt vooral bepaald door de gewenste verwerkbaarheid en de gradering van het toeslagmateriaal. De korrelgradering van toeslagmaterialenmengsels is ingedeeld in zogenoemde ontwerpgebieden. Het ontwerpgebied is gekoppeld aan de grootste zeefmaat en de korrelopbouw van het gebruikte toeslagmateriaal. Het spreekt voor zich dat er meer invloedsfactoren zijn: bijvoorbeeld de korrelvorm. De waterbehoefte van een gebroken toeslagmateriaal zal gemiddeld 5 - 10 liter hoger zijn dan voor een rond materiaal. Ook andere eigenschappen kunnen invloed hebben. De waterbehoefte kan nog worden verlaagd door gebruik te maken van (super)plastificerende hulpstoffen. Andere hulpstoffen, zoals luchtbelvormers en/of toevoegingen als vulstoffen, kleurstoffen en vezels kunnen invloed op de waterbehoefte hebben. Een hoog fijngehalte verhoogt de waterbehoefte. Ook een gebroken toeslagmateriaal vraagt meer water dan een rond materiaal. Gebruik van een luchtbelvormer verlaagt de waterbehoefte.

Diagram: ontwerpgebieden voor toeslagmaterialen en waterbehoefte

Vervolg voorbeeld: Stel dat de waterbehoefte wordt bepaald op 175 liter. Dan zou een cementgehalte van 175/0,48 = 365 kg/m3 nodig zijn. In de praktijk wordt in zo’n geval meestal een plastificerende hulpstof toegepast om de waterbehoefte bij gelijkblijvende verwerkbaarheid te verlagen en zo niet onnodig veel cement nodig te hebben. Stel dat de waterbehoefte wordt verlaagd tot 148 l/m3. Het cementgehalte wordt in dat geval 148/0,48 = 310 kg/m3. Bij gebruik van een vulstof met bindmiddelbijdrage moet ook die bijdrage worden verrekend. Op dit moment zijn van de cementpasta de samenstelling én de hoeveelheid bepaald. Lopende de berekening blijkt vaak dat nog moet worden gecorrigeerd voor bijvoorbeeld het luchtgehalte of factoren die invloed hebben op de waterbehoefte. In de volgende stap kan het toeslagmaterialenmengsel worden berekend. Op basis van de beschikbare grondstoffen (én de eisen vanuit de toepassing) worden de meest geschikte combinatie van toeslagmaterialen en de korrelgradering bepaald. Dit is een van de oudste en meest bekende methoden. Op basis van onderzoek en ervaring is door Füller een eenvoudige formule opgesteld voor het berekenen van een continu gegradeerd toeslagmaterialenmengsel. De grafische methode kan worden gebruikt als twee of meer grove fracties worden toegepast naast één of meer fijne fracties. De methode gaat uit van een gekozen, 'ideale' gradering. We bepalen grafisch in plaats van rekenkundig met welke mengverhouding we deze gradering kunnen benaderen. Uitgangspunt bij de grafische methode is dat de gewenste gradering als een rechte lijn wordt getekend. Basis vormt het gegeven dat de korrelverdeling veel invloed heeft op de verwerkbaarheid van betonspecie. Zo kunnen deze ontwerpgebieden worden gebruikt om een inschatting te maken van de waterbehoefte van betonspecie, afhankelijk van de korrelverdeling en de gevraagde consistentieklasse.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen ontwerpgebied I en ontwerpgebied II (zie figuur 10.12). Een korrelgradering in ontwerpgebied II is fijner van korrelopbouw en bevat meer fijn materiaal. Hierin wordt de dosering van elke grondstof per m3 aangegeven. Vervolg voorbeeld van een betonsamenstelling: We nemen aan dat aan de eisen voor de korrelgradering wordt voldaan bij een percentage zand 0/4 mm van 39%. De resterende 61 % wordt ingenomen door grind 4/32 mm. (meestal wordt met een groter pakket toeslagmaterialen gewerkt) We nemen aan dat de vochtgehaltes voor het zand en grind resp. 3,4 en 2,5%(m/m) zijn. Het hiermee berekende vocht in het toeslagmateriaal wordt verrekend met de te doseren hoeveelheid (vochtig) zand en grind en de te doseren hoeveelheid aanmaakwater. Stap 5 Controleberekeningen. Nu de samenstelling per m3 bekend is, kunnen we deze op een aantal criteria toetsen. De eisen voor de verschillende grenswaarden zijn gekoppeld aan de aard van de toepassing én eventueel de toegepaste grondstoffen. gevoeligheid voor ASR: bereken het totale alkaligehalte, uitgedrukt als Na2O-equivalent. Het risico van optreden van ASR kan vrijwel worden uitgesloten door de cementkeuze. Als voor de toepassing een bepaalde sterkteontwikkeling gewenst is, kan daarmee bij het mengsel ontwerp rekening worden gehouden. Bijvoorbeeld door de keuze van de cementsoort en -klasse en de wcf. Zo kan de water-cementfactor worden verlaagd door het cementgehalte te verhogen of het watergehalte te verlagen, bijvoorbeeld door toepassen van plastificerende hulpstoffen.

Bedrijven die succesvol markt- en klantgericht willen opereren zullen op systematische wijze aandacht moeten besteden aan kwaliteit. Het betreft dan niet alleen de kwaliteit van de producten en/of diensten, maar ook de kwaliteit van de organisatie waarmee deze producten en/of diensten worden ontwikkeld, voorgebracht en geleverd. De zorg voor kwaliteit moet onderdeel worden van de gehele bedrijfsvoering van strategisch niveau tot dagelijkse gang van zaken. Kwaliteitszorgsystemen, zoals de NEN-EN-ISO 9000 serie, zijn erop gericht de aandacht voor kwaliteit in te bedden in de organisatie. Daarbij gaat veel uit naar het continu verbeteren van de effectiviteit en de klanttevredenheid. NEN-EN-ISO 9001 is een norm op basis waarvan een bedrijf kan aantonen dat zij in staat is te voldoen aan de eisen van de klant, de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de eisen van de organisatie zelf.

Beoordelen. Om te kunnen beoordelen of een product of dienst aan gestelde eisen en vanzelfsprekende behoeften voldoet, zullen in de eerste plaats deze eigenschappen duidelijk gespecificeerd moeten zijn. Voorts zal men, ter beoordeling van de kwaliteit van een product of dienst, het eens moeten zijn welke beoordelingsmethodiek moet worden gevolgd en welke afwijkingen van de vereiste waarden nog zijn toegestaan. De manier waarop de mate waarin een product of dienst voldoet aan de gestelde eisen, suggereert dat het meetbaar moet zijn ofwel vergeleken moet kunnen worden met een gevalideerde refere...

Een hydraulische stof (bindmiddel) reageert met water en verhardt en lost na verharding niet meer op in water. Nadere omschrijving is een bekend , gebruikt in mortels en . Het is een zogenoemd hydraulisch bindmiddel. De eisen waaraan cement moet voldoen, zijn voor het overgrote deel vastgelegd in Europese normen. Voor bepaalde specifieke eigenschappen zijn aanvullende Nederlandse normen beschikbaar. Een bindmiddel dat niet met water reageert, maar wel met water plus kalk, noemen we een . De in Nederland meest bekende en meest toegepaste puzzolane stof is . Normen/aanbevelingen/literatuurNEN-EN 197, CementNEN-EN 14216, Cement - Samenstelling, specificaties en conformiteitscriteria voor bijzondere cementsoorten met erg lage hydratatiewarmteCementsteen, basis voor beton.Betoniek 14/18, Over slakBetoniek 14/14, Puzzolane partners Geplaatst op ma. 15 okt. 2018Laatst aangepast op do. 6 dec.

tags: #wat #is #de #hydraulische #eigenschap #bij