WRO afstand tot gevel regelgeving uitleg

Met het bepalen van het achtererfgebied is daarna te berekenen hoeveel daarop mag worden gebouwd. Daarbij is de omvang van het oorspronkelijke hoofdgebouw van belang, maar ook de omvang van de bebouwing die er later is bijgekomen. In stappen kan bepaald worden waar en hoeveel bebouwing is toegestaan. Er mogen alleen in het achtererfgebied bijbehorende bouwwerken vergunningvrij worden gebouwd (artikel 22.27, onder a, bruidsschat omgevingsplan).

Wat is het achtererfgebied?

Het achtererfgebied is het gebouwerf dat begint op 1 meter achter de voorkant van het hoofdgebouw. Grenst het gebouwerf wel aan openbaar gebied, dan loopt de lijn vanaf de zijkant van het hoofgebouw parallel met het aangrenzend openbaar gebied. De lijn mag hierbij het hoofdgebouw of het gebouwerf achter het hoofdgebouw niet doorkruisen. Voor een tussenwoning is dit eenvoudig. De grond die achter de woning ligt, is het achtererfgebied. Voor 2-onder-1-kapwoningen, vrijstaande woningen en woningen in een hoeksituatie moet de ligging van het achtererfgebied worden bepaald voor het aan de zijkant van een woning gelegen erf. Let erop dat de lijn het hoofdgebouw niet opnieuw mag doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw mag komen. Betreft het een hoekhuis en grenst de tuin aan een sloot, dan loopt het achtererfgebied tot aan de sloot.

Hoofdgebouw en functies

Het hoofdgebouw is het belangrijkste gebouw op een perceel, waarvoor de functie uit het omgevingsplan geldt. Bij een woonfunctie is dat de woning met alle ruimten die daarbij horen, zoals de woonkamer, slaapkamers, keuken, inpandige bergruimte en bijkeuken. Bij een detailhandelfunctie is dat de winkel. Bij een bedrijfsfunctie is dat bijvoorbeeld het productiegebouw. Een tegen een hoofdgebouw aangebouwde functioneel ondergeschikte ruimte (bijvoorbeeld een garage of berging) maakt geen deel uit van het hoofdgebouw. Ook al is deze toegankelijk vanuit het hoofdgebouw.

Bijkomende uitbreidingen en ondergeschikte bebouwing

Ondergeschikte aan- of uitbouwen aan de voor- of zijgevel, zoals een erker of een serre, niet de voorkant bepalen. Deze blijven dus buiten beschouwing bij het bepalen van de voorkant van een hoofdgebouw. De actuele omvang van het hoofdgebouw bepalend is voor het achtererfgebied. Soms kan een deel van een omvangrijk perceel in het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan een andere functie hebben dan het hoofdgebouw, waardoor het verboden is deze gronden te gebruiken en in te richten ten dienste van het hoofdgebouw. Bijvoorbeeld als een deel van het perceel een natuur- of bosfunctie of agrarische functie heeft.

Nulsituatie en berekening toelaatbare bebouwing

Een achtererfgebied mag niet helemaal worden volgebouwd. Als dit bebouwingspercentage bij elke vergroting van het hoofdgebouw opnieuw zou worden toegepast, kan een achtererfgebied alsnog worden volgebouwd. Daarom geldt een zogenoemde ‘nulsituatie’, bepaald door het oorspronkelijke hoofdgebouw zoals dat indertijd volgens de verleende vergunning is gebouwd. Hierdoor telt niet alleen het achtererfgebied mee bij het berekenen van de toelaatbare bebouwingsoppervlakte, maar ook de vierkante meters van de uitbreidingen die later aan het hoofdgebouw zijn toegevoegd. Zolang de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken bij het oorspronkelijke hoofdgebouw de berekende limiet niet overschrijdt, kan er nog worden bijgebouwd. Hoeveel er nog bijgebouwd kan worden, kan worden berekend door de oppervlakte van de al bij het oorspronkelijk hoofdgebouw aanwezige bijbehorende bouwwerken af te trekken van de maximum toelaatbare oppervlakte, zoals berekend in stap 3.

Hoogte-eisen en afstandsregels

Er is een onderscheid in de maximaal toelaatbare bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken binnen een afstand van 4 meter vanaf het oorspronkelijk hoofdgebouw en daarbuiten. Binnen een afstand van 4 meter mag er niet hoger worden gebouwd dan 30 cm boven de hoogte van de vloer van de eerste bouwlaag. Verder geldt altijd de eis dat er zonder vergunning nooit hoger gebouwd mag worden dan 5 meter (artikel 22.36, onder a, bruidsschat).

Bijbehorende bouwwerken verder dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw mogen altijd 3 meter hoog zijn. Als hoger gebouwd gaat worden dan 3 meter, gelden specifieke eisen voor de dakvorm en de bouwhoogte ten opzichte van naburige percelen. Dit is om te voorkomen dat daar te veel zonlicht wordt weggenomen. Hierbij geldt dat het dak ten minste 2 schuine dakvlakken moet krijgen. De dakvoet (het laagste punt van het schuine dak) mag niet hoger zijn dan 3 meter. De hellingshoek van de dakvlakken mag niet meer zijn dan 55°. (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3 = max. Dan wordt de formule (3 m x 0,47) + 3 = 4,41 m.

Binnen een afstand van 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw moet het gebruik van een bijbehorend bouwwerk gelijk of ondergeschikt zijn aan dat van het hoofdgebouw. Bij een bijbehorend bouwwerk verder dan 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw moet er sprake zijn van een ondergeschikt gebruik (artikel 22.36, onder a, 2º ii, bruidsschat). Huisvesting bestemd voor mantelzorg in of bij een woning kan onder voorwaarden ook vergunningvrij zijn. Na beëindiging van de mantelzorgbehoefte moeten deze voorzieningen weer worden verwijderd. Er mag ook een mantelzorgvoorziening in het achtererfgebied worden gebouwd volgens de voorwaarden voor bijbehorende bouwwerken. Buiten de bebouwde kom mag ook worden afgeweken van de eis voor de maximaal toelaatbare oppervlakte aan bijbehorende bouwwerken bij het oorspronkelijke hoofdgebouw. Voorwaarde is dat het gaat om een geheel of in delen verplaatsbare mantelzorgvoorziening, die niet groter is dan 100 m² (artikel 22.37, bruidsschat).

Overige bepalingen en randvoorwaarden

op de Ruimtelijke Ordening in werking getreden. van erfafscheidingen e.d. en het beroepsmatig mede-gebruik van woningen. op de Ruimtelijke Ordening (juncto artikel 20 van het Bro 1985). Inmiddels is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. onder a Bro). 4.1.1, eerste lid, onder i, Bro. en comfort. zoals aangegeven op kaart nummer 1. Loper en Boswonen aan de Geldropseweg zijn van deze beleidsregels uitgezonderd. nieuwe ontwikkeling wenselijk en uit stedenbouwkundig oogpunt inpasbaar is. a. b. c. d. e. f. g. h. i. j. k. l. m. een bouwperceel kan worden aangemerkt. n. o. p. q. opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw.

Praktische vragen en voorbeelden

Ik heb een vrijstaande woning met een kleine aanbouw en garage. Om te weten of ik nog meer mag bouwen, moet ik het achtererfgebied van mijn woning bepalen. Maar ik word niet wijs uit de definities die worden gebruikt. Voor de bepaling van het achtererfgebied moet ik rekenen met de voorkant van mijn hoofdgebouw. Maar moet ik ook rekening houden met de voorgevelrooilijn? De voorkant en voorgevelrooilijn zijn twee heel verschillende begrippen die u zeker niet als synoniem kunt zien. De voorgevelrooilijn is een virtuele lijn waarvan de ligging is bepaald in het bestemmingsplan of de bouwverordening van de gemeente. Uw gemeente kan altijd aangeven of er een voorgevelrooilijn in het bestemmingsplan is opgenomen. De voorkant is de fysieke voorkant van een gebouw. Voor het bepalen welke gevel de voorgevel is, wordt afgegaan op de ligging van de voorgevelrooilijn, zoals die in het bestemmingsplan of in de bouwverordening is aangegeven. Als dan nog twijfel bestaat over wat de voorgevel is, is de feitelijke situatie doorslaggevend. Het achtererfgebied wordt bepaald aan de hand van de voorkant van het gebouw en niet op basis van de voorgevelrooilijn. De voorkant wordt altijd bepaald van het hoofdgebouw. Door (ingrijpende) verbouwingen van een pand kan de voorkant van het gebouw echter veranderen. Het gaat echter wel om de voorzijde van de hoofdbouwmassa. Afwijkende aanbouwen blijven buiten beschouwing. Bepaalt de oorspronkelijke vergunning altijd wat de voorgevel of voorkant is van een bouwwerk? Nee, dat hoeft niet altijd het geval te zijn. Bij het bepalen van de voorkant van een gebouw moet uitgegaan worden van de actuele, feitelijke situatie. Door (ingrijpende) verbouwingen van een pand kan de voorkant van het gebouw namelijk veranderen Het gaat echter wel om de voorzijde van de hoofdbouwmassa. Aanbouwen blijven buiten beschouwing. Als een bestaande woning een verspringende voorgevel heeft, wordt het lastig om de voorgevelrooilijn juist weer te geven. Waar loopt deze voorgevelrooilijn dan? Naar mijn mening kan slechts één van deze gevels in aanmerking komen als voorkant. Allereerst geldt dat een woning altijd maar één voorkant heeft. Die voorkant of voorgevel kan overigens wel verspringen. De zijgevels zijn daarbij normaliter de gevels die loodrecht op de voorgevel staan. De voorgevelrooilijn is een lijn die bepaald wordt door een definitie uit het bestemmingsplan of de bouwverordening; beide behoren tot de gemeentelijke regelgeving. Hoe de voorgevelrooilijn precies loopt, kunt u dan ook bij de gemeente navragen. Bij andere bouwwerken gaat het om de ligging van het achtererfgebied. Het achtererfgebied wordt bepaald aan de hand van de voorkant van het gebouw en niet op basis van de voorgevelrooilijn. Zoals u ook kunt lezen in de toelichting van Staatsblad 2014 333 wordt de voorkant van het hoofdgebouw (uw woning) gevormd door de gevel die bepalend is voor de hoofdmassa van het hoofdgebouw. Ondergeschikte aan- of uitbouwen, zoals erkers of uitgebouwde vestibules, blijven dus buiten beschouwing bij het bepalen van de voorgevel. In de regel geldt als voorgevel het geveldeel aan de voorkant met de grootste oppervlakte. De hoofdmassa van het hoofdgebouw kan aan de voorzijde ook bepaald worden door meer dan één geveldeel. Daarvan is bijvoorbeeld sprake als de hoofdmassa van een hoofdgebouw L-vormig of T-vormig is. In zon geval bestaat de voorkant van het hoofdgebouw uit meer geveldelen. Aan- en uitbouwen die zich aan een zijgevel van een hoofdgebouw bevinden, spelen in beginsel geen rol bij het bepalen van de voorgevel. Alleen in het geval dat een dergelijke aan- of uitbouw een uitbreiding vormt van de hoofdmassa van het hoofdgebouw, wordt het geveldeel aan de voorkant van die desbetreffende uitbreiding mede aangemerkt als voorgevel. Dat zal echter alleen aan de orde zijn indien sprake is van een geheel in de architectuur van de hoofdmassa van het hoofdgebouw geïntegreerde uitbreiding die alle bouwlagen van het hoofdgebouw betreft. Op een perceel kunnen overigens wel meerdere voorgevelrooilijnen liggen.

kaart van achtererfgebied en voorgevellijnen

Praktische casus in het buitengebied

Wij wonen op een hoekwoning in het buitengebied. De weg aan de zuidkant is de doorgaande weg en heeft de naam van ons huisadres. Het weggetje aan de westkant van ons perceel is een doodlopende weg, aangegeven met een bord doodlopende weg aan het begin. Dit doodlopende weggetje gaat links over in een zandpad en rechtdoor naar een natuurgebied met een fietspad/schelpenpad. Het weggetje aan de westkant wordt alleen gebruikt door de twee aangrenzende woningen en natuurlijk de fietsers naar het natuurgebied. Iedere weg die open staat voor verkeer valt onder de definitie van 'openbaar toegankelijk gebied'. Dus ook al loopt de weg langs uw erf dood, deze ontsluit wel twee woningen en wordt gebruikt voor fietsverkeer. Verder is de weg wel bestemd voor doorgaand verkeer en is deze niet alleen bestemd voor de ontsluiting van percelen. De zijgevel van uw woning is dus naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd. Het erf aan die zijkant van uw woning is daardoor geen achtererfgebied, maar voorerfgebied.

illustratie openbaar toegankelijk gebied en erftermen

Workshop Vergunningvrij bouwen

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. bij de berekening van de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken worden niet meegerekend (gedeelten van) bijbehorende bouwwerken gelegen binnen het bouwvlak, met dien verstande dat erkers, etc. andere bouwwerken ten dienste van de bestemming zoals palen, masten, verkeers-, reclame- en andere tekens, technische installaties en terreinafscheidingen.

08 Achtererf bepalen

Bij aanvraag omgevingsvergunning dient middels een onderzoek naar de trillingshinder van treinverkeer aangetoond te worden waaruit blijkt dat de streefwaarden uit de SBR-richtlijn Trillingen, deel B "Hinder voor personen in gebouwen", niet worden overschreden.

parkeernormen en overige eisen

Bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk dient een inrichtingsplan verstrekt te worden. Een groepering van meer dan zes parkeerplekken dient altijd te worden gecompartimenteerd door middel van hagen op het bouwperceel. Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan blijft buiten beschouwing bij latere plannen. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) heeft grote consequenties voor het omgevingsrecht zoals wij dat nu kennen. Vrijwel alle gemeentelijke toestemmingsstelsels uit de Wro worden in de Wabo opgenomen.

tags: #wro #afstand #tot #gevel