Minimale afstand weg tot gevel hinder autoverlichting regelgeving

Figuur 31a. De lichtbundel moet zich grotendeels concentreren in het midden van het projectievlak.

indien het dimlicht zich op een hoogte van meer dan 1,5 m boven het wegdek bevindt, de afstelling van het dimlicht wordt bepaald door meting.

Hierbij moet het dimlicht zodanig zijn afgesteld dat de horizontale scheidingslijn tussen licht en donker, gemeten op 15 m van het dimlicht, zich bevindt op een hoogte die ten hoogste gelijk is aan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht (zie figuur 31c).

Voor de controle van de afstelling wordt gebruik gemaakt van een geschikt meetmiddel; het gebruik van een koplamptestapparaat is niet verreist.

De stand van de lichtbundel van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij; de voorwielen van het voertuig in de stand van rechtuitrijden staan; de handrem van het voertuig los staat, en het voertuig en het koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale ondergrond zijn geplaatst.

Indien het voertuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet tijdens de controle deze afstelinrichting staan op de stand die overeenkomt met de beladingstoestand.

Indien het voertuig is uitgerust met een automatische niveauregeling, wordt de controle uitgevoerd met stationair draaiende motor.

Een eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale rijstand staan.

Voertuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld.

Het dimlicht wordt niet als verblindend aangemerkt indien deze als volgt is afgesteld: globaal mag het geprojecteerde lichtste vlak, voor zowel een beladen als een onbeladen voertuig, zich niet bevinden boven de horizontale lijn die overeenkomt met een daling van 2 cm/m van de lichtbundel ten opzichte van het midden van de koplamp; tevens mag het midden van dit vlak zich niet duidelijk links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat.

Personenauto's die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld.

Figuur 31a. De lichtbundel moet zich grotendeels concentreren in het midden van het projectievlak.

indien het dimlicht zich op een hoogte van meer dan 1,5 m boven het wegdek bevindt, de afstelling van het dimlicht wordt bepaald door meting.

Hierbij moet het dimlicht zodanig zijn afgesteld dat de horizontale scheidingslijn tussen licht en donker, gemeten op 15 m van het dimlicht, zich bevindt op een hoogte die ten hoogste gelijk is aan de helft van de afstand tussen de grond en het midden van het licht (zie figuur 31c).

Voor de controle van de afstelling wordt gebruik gemaakt van een geschikt meetmiddel; het gebruik van een koplamptestapparaat is niet verreist.

De stand van de lichtbundel van het dimlicht wordt gecontroleerd met behulp van een koplamptestapparaat dat juist voor het voertuig moet zijn opgesteld en waarbij; de voorwielen van het voertuig in de stand van rechtuitrijden staan; de handrem van het voertuig los staat, en het voertuig en het koplamptestapparaat op een vlakke en horizontale ondergrond zijn geplaatst.

Indien het voertuig is uitgerust met een inrichting waarmee de dimlichtafstelling eenvoudig aan de beladingstoestand kan worden aangepast, moet tijdens de controle deze afstelinrichting staan op de stand die overeenkomt met de beladingstoestand.

Indien het voertuig is uitgerust met een automatische niveauregeling, wordt de controle uitgevoerd met stationair draaiende motor. Een eventuele bedieningsmogelijkheid moet in de normale rijstand staan.

Voertuigen die zijn voorzien van een kenteken bevattende de lettergroep CD of CDJ of de lettergroep BN of GN en twee groepen van twee cijfers dan wel een vermelding inzake afwijkende koplampen in het kentekenregister of op het kentekenbewijs, mogen zijn voorzien van dimlichten met een afwijkend lichtbeeld.

Het dimlicht wordt niet als verblindend aangemerkt indien deze als volgt is afgesteld: globaal mag het geprojecteerde lichtste vlak, voor zowel een beladen als een onbeladen voertuig, zich niet bevinden boven de horizontale lijn die overeenkomt met een daling van 2 cm/m van de lichtbundel ten opzichte van het midden van de koplamp; tevens mag het midden van dit vlak zich niet duidelijk links bevinden van de verticale hartlijn op het scherm van het koplamptestapparaat.

twee dimlichten, met dien verstande dat indien het voertuig is voorzien van dimlichten met gasontladingslichtbronnen en in gebruik is genomen na 31 december 2006, deze lichtbronnen moeten voldoen aan de daaromtrent in Aanvullende permanente eisen, artikelen 115 en 117, gestelde eisen, alsmede voor de installatie daarvan; twee stadslichten; twee richtingaanwijzers aan de voorzijde en twee aan de achterzijde van het voertuig, dan wel één richtingaanwijzer aan elke zijkant indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; het licht van de richtingaanwijzers van personenauto’s die na 30 juni 1967 in gebruik zijn genomen moet knipperen; waarschuwingsknipperlichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; één zijrichtingaanwijzer aan elke zijkant van het voertuig indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen.

Richtingaanwijzers aan de voorzijde van het voertuig worden beschouwd als zijrichtingaanwijzers, indien het uitgestraalde licht hiervan duidelijk te zien is vanuit een punt gelegen op 6,00 m achter de voorzijde van het voertuig en 1,00 m zijwaarts; twee achterlichten ; twee remlichten indien het voertuig na 30 juni 1967 in gebruik is genomen, dan wel één of twee remlichten indien het voertuig vóór 1 juli 1967 in gebruik is genomen; een achterkentekenplaatverlichting; twee rode retroreflectoren aan de achterzijde van het voertuig; één mistachterlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen dit mistachterlicht moet zich bevinden in of links van het middenlangsvlak van het voertuig; één achteruitrijlicht indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen; twee markeringslichten die zichtbaar zijn aan de voorzijde en twee die zichtbaar zijn aan de achterzijde van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en breder is dan 2,10 m, dan wel voor 1 januari 1998 in gebruik is genomen en breder is dan 2,60 m; zijmarkeringslichten indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m. Hierbij is het bepaalde in Aanvullende permanente eisen, artikelen 119 tot en met 122, van toepassing; ambergele retroreflectoren aan elke zijkant van het voertuig, indien het voertuig na 31 december 1997 in gebruik is genomen en langer is dan 6,00 m, de achterste retroreflector aan de zijkant mag rood zijn.

Onderdelen a tot en met l: visuele controle. Onderdeel m tot en met p: visuele controle.

Gasontladingslichtbronnen zijn lampen die gevoed worden door een (veel) hogere spanning dan de boordspanning. Bij dimlichten met gasontladingslichtbronnen blijven de gasontladingslichtbronnen ingeschakeld wanneer het groot licht brandt.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht aan elke zijkant van het voertuig. Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten op de volgende wijze zijn geplaatst: indien het voertuig langer is dan 6,00 m, moet ten minste één zijmarkeringslicht en één retroreflector zich in het middelste derde gedeelte van het voertuig bevinden; de onderlinge afstand tussen de zijmarkeringslichten en de onderlinge afstand tussen de retroreflectoren mag niet meer dan 4.00 m bedragen; de afstand van het meest naar voren gelegen zijmarkeringslicht en van de meest naar voren gelegen retroreflector tot de uiterste voorzijde van het voertuig mag niet meer dan 4,00 m bedragen; de afstand van het meest naar achteren gelegen zijmarkeringslicht en van de meest naar achteren gelegen retroreflector tot de uiterste achterzijde van het voertuig mag niet meer dan 1,00 m bedragen.

Indien het voertuig niet langer is dan 6,00 m, dan wel in het kentekenregister wordt aangeduid als kaal chassis, mag zich, bij verdeling van de lengte van het voertuig in drie gelijke delen, één zijmarkeringslicht op het voorste derde gedeelte en één zijmarkeringslicht op het achterste derde gedeelte van de lengte van het voertuig bevinden, waarbij één aanwezig zijmarkeringslicht volstaat.

Zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren moeten zijn aangebracht op een hoogte van niet minder dan 0,25 m doch niet meer dan 1,50 m boven het wegdek. Indien het in verband met de constructie van het voertuig niet mogelijk is, mogen de zijmarkeringslichten zijn aangebracht op een hoogte van meer dan 1,50 m doch niet meer dan 2,10 m boven het wegdek.

In afwijking van het eerste lid mogen de zijmarkeringslichten en ambergele retroreflectoren bij een landbouw- of bosbouwtrekker, landbouw- of bosbouwaanhangwagen, verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk of mobiele machine niet meer dan 2,50 m boven het wegdek zijn aangebracht.

De plaats van het markeringslicht(en) in de lengterichting van het voertuig, wordt niet voorgeschreven.

Uitgevoerd. voertuig afslaat. Een voorbeeld ziet u op onderstaande afbeelding. Uitgevoerd. Bij markeringslichten kunnen ze bijvoorbeeld bewegen in een cirkel. afbeelding.

Zijn beschadigd en voldoen aan de overige eisen zoals kleur. Volgens de toelatingseisen moet de zijrichtingaanwijzer vanaf een bepaalde hoek aan de achterkant van de auto zichtbaar zijn. De APK-keuringseisen zijn nooit strenger dan de toelatingseisen. Daarom is het genoeg als de zijrichtingaanwijzer zichtbaar is vanaf 6 meter achter de voorkant van de auto en 1 meter opzij. De zijrichtingaanwijzer mag ook in een buitenspiegelglas zitten, als de kleur maar aan de regels voldoet. Visuele controle.

Een tijdige zichtbaarheid van verkeerslantaarns is op wegen waarop met hoge snelheden wordt gereden, van uitermate groot belang voor de verkeersveiligheid. Zowel de verkeerslichten als de betekenis van de lichtsignalen moeten onder alle weersomstandigheden tijdig en goed herkenbaar zijn.

Daarom moeten verkeerslichten op wegen met een maximumsnelheid van 80 km/h op een afstand van 200 m (rijzicht) vóór de stopstreep zichtbaar zijn. Dan heeft de automobilist voldoende gelegenheid te reageren op stilstaande of afremmende voertuigen.

Op de aansluitende erftoegangswegen (maximumsnelheid 60 km/h) dient de zichtafstand 135 m te bedragen.

Bij het bepalen van het aantal lantaarns en hun plaats boven of naast de weg gelden de volgende regels (figuur 11-12): Bij meer dan twee opstelstroken wordt ten minste één lantaarn boven de weg aangebracht.

Op gebiedsontsluitingswegen wordt altijd ten minste één lantaarn boven de weg aangebracht. Bij meerdere boven de weg aangebrachte lantaarns, dient per rijstrook één lantaarn in het midden van iedere opstelstrook te worden geplaatst.

In geval van opstelstroken voor afslaand verkeer dat niet conflictvrij wordt geregeld, mag niet uitsluitend een lantaarn boven de desbetreffende opstelstrook worden aangebracht. In de praktijk zal moeten blijken of een derde lantaarn links van de weg kan worden aangebracht dan wel uit overwegingen van zichtbaarheid boven de linksafstrook.

Wanneer het rechtsafslaande verkeer vóór de hooggeplaatste lantaarn afslaat, wordt ten behoeve van dit verkeer een lage lantaarn geplaatst.

In een situatie, waarin twee geregelde kruispunten direct na elkaar voorkomen, moet de lantaarnopstelling op beide kruispunten zodanig op elkaar worden afgestemd, dat de kans dat een bestuurder op de lichten van het verkeerde verkeerslantaarns reageert, minimaal is.

Buiten de bebouwde kom worden voor een aanrijding geen twee lantaarns op één mast naast elkaar bevestigd, die zijn afgestemd op twee afzonderlijk geregelde richtingen.

Figuur 11-12. Voorbeelden van opstelling van verkeerslantaarns

Richten van lantaarns en volglichten

Richten van lantaarns: Hoog geplaatste verkeerslantaarns moeten gericht worden op een punt op een hoogte van 1,50 m boven de wegas op een afstand van 300 m vóór de stopstreep. Laag geplaatste lantaarns dienen eveneens op een hoogte van 1,50 m te worden gericht, maar dan op een afstand van 150 m vóór de stopstreep. Genoemde afstanden worden ook aangehouden wanneer de naderingsrichting in een horizontale boog ligt.

Zweepmasten en portalen: Hooggeplaatste lantaarns worden met behulp van zweepmasten of portalen boven de rijstroken aangebracht. De onderkant van de verkeerslantaarn of van het achtergrondschild moet zich ten minste 5 m boven het wegdek bevinden. Zweepmasten kunnen in verband met windbelasting maximaal 3 opstelstroken overbruggen. Bij 4 of meer opstelstroken zijn portalen noodzakelijk.

Hoog- en laaggeplaatste verkeerslantaarns op juiste afstand

Openbare verlichting en bijzondere situaties

Openbare verlichting Bijzondere aandacht verdienen die situaties waarin sprake is van hoog geplaatste verkeerslantaarns en openbare verlichting. Vooral in een gebogen tracé kunnen verkeerslichten zodanig in de lichtenlijn vallen, dat het contrast in lichtniveau tussen deze lichten en de lichtpunten van de openbare verlichting onvoldoende is.

Als de openbare verlichting bestaat uit lage druk natriumlampen vergt de zichtbaarheid van de lantaarns bijzonder aandacht. Door deze oranjekleurige verlichting laat de zichtbaarheid van de rode en gele lantaarns te wensen over.

Het is daarom gewenst naast de boven de weg geplaatste lantaarns tevens laaggeplaatste lantaarns aan te brengen. Deze kunnen, wanneer de portaalopstelling daartoe aanleiding geeft, eveneens worden aangebracht op een afzonderlijke paal op enige afstand vóór het portaal.

Gemeentelijke wegen en ruimtelijke inpassing

Er zijn verschillende typen gemeentelijke wegen die variëren in maximaal toegestane snelheid. Ze liggen binnen én buiten de bebouwde kom. Het gebruik van de weg bepaalt de inrichting en benodigde ruimte. Een straat in een woonwerf is anders dan een rondweg om de kern van een stad of dorp heen.

Het verschilt per weg of gebruikers dezelfde rijbaan gebruiken of dat ze van elkaar gescheiden zijn. Verkeer op wegen kan hinder opleveren voor de omgeving en de gezondheid van mensen. Om de verkeersdoorstroming of verkeersveiligheid te verbeteren, kan aanpassing van bestaande wegen nodig zijn. Daarnaast zijn er situaties waarbij het juist wenselijk is een nieuwe weg aan te leggen.

Bij de ruimtelijke inpassing van een gemeentelijke weg is voornamelijk het gemeentelijk beleid van belang. De gemeente bepaalt in haar omgevingsvisie of verkeersbeleid of er nog behoefte is aan nieuwe wegen en welke locaties hier geschikt voor zijn. Daarbij kunnen ook omgevingsthema’s een rol spelen.

De instructieregels van het Rijk vormen het kader voor de ruimtelijke inpassing van een gemeentelijke weg. Deze instructieregels zijn gericht op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Bij de ruimtelijke inpassing van een gemeentelijke weg in het omgevingsplan mag er geen onaanvaardbare hinder ontstaan. In het omgevingsplan kunnen regels opgenomen worden voor de nieuwe of aangepaste weg. Deze regels richten zich op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties. Daarnaast spelen de bestaande regels uit het omgevingsplan voor functies in de omgeving van de weg een rol.

Over gemeentelijke wegen worden zelden gevaarlijke stoffen vervoerd. Daarom is externe veiligheid bij deze gemeentelijke wegen meestal niet van belang. Wel moet er bij de ruimtelijke inpassing rekening worden gehouden met hoogspanningsleidingen en buisleidingen nabij gemeentelijke wegen. Afhankelijk van de locatie kunnen ook andere omgevingsthema's belangrijk zijn.

tags: #wro #afstand #weg #tot #gevel #overlast