Alle niveaus onder een dak onderwijsconcept

Het is nog te vroeg om iets te kunnen zeggen over de opbrengst van 10-14 onderwijs voor de schoolloopbaan van leerlingen; wel kan geconcludeerd worden dat leraren, leerlingen en ouders over het algemeen positief zijn over dit onderwijsconcept.

Dit staat in de eindrapportage van de ‘Monitor 10-14 onderwijs’, waarin twaalf 10-14 initiatieven gevolgd zijn.

Uit de rapportage zijn succesfactoren en aandachtspunten te halen voor scholen die ook met dit concept willen starten.

Ook vestigt het rapport opnieuw de aandacht op een aantal wettelijke knelpunten, die het op een goede manier organiseren van het 10-14 onderwijs nog belemmeren.

De eerste twaalf 10-14 initiatieven van Nederland zijn drie schooljaren gevolgd voor onderzoek door onderzoeksbureau Oberon.

Het onderzoek startte in het schooljaar 2017-2018 met de eerste zes initiatieven; in 2018-2019 volgden de andere zes.

Een belangrijk doel van deze initiatieven is om de schoolloopbaan van leerlingen te optimaliseren.

Alle 10-14 initiatieven streven naar een soepelere doorstroom tussen po en vo, onder meer door het curriculum en de didactiek meer op elkaar te laten aansluiten.

En ook de uitgestelde niveaubepaling is - voor de meeste initiatieven - een belangrijke manier om te werken aan een soepelere overgang.

Daarnaast is maatwerk bieden een hoofddoel: binnen het 10-14 onderwijs gaat men met leerlingen aan de slag met gepersonaliseerd leren, algemene persoonsvorming, het versterken van sociale competenties en/of persoonlijke begeleiding en coaching.

Succesfactoren en aandachtspunten

Op bovenstaande punten zijn belangrijke vorderingen gemaakt, zo blijkt uit de rapportage.

Over de opbrengst van 10-14 onderwijs voor de schoolloopbaan van de leerlingen is in dit stadium nog niets te zeggen, zo wordt aangegeven.

Maar wel wordt geconcludeerd dat leraren, leerlingen en ouders over het algemeen tevreden zijn over het 10-14 onderwijs, met name over het onderwijsconcept.

Ouders zijn ook positief over de kleinschaligheid van het onderwijs en de betrokkenheid van leraren.

Leraren noemen dat het onderwijs hen veel energie geeft, door het persoonlijke contact met de leerlingen en het gezamenlijk ontwikkelen van onderwijs.

De initiatieven noemen hierbij een aantal succesfactoren, die volgens hen belangrijk zijn om tot dit goede 10-14 onderwijs te komen.

Belangrijk hierbij zijn onder meer: kleinschaligheid, gemotiveerd en enthousiast personeel, zelfstandigheid bij leerlingen, een goede voorbereiding en een gezamenlijk bestuur voor po en vo.

Specifieke punten waar scholen op moeten letten zijn onder meer de communicatie met ouders (transparantie) en kwaliteitsborging, vooral als het gaat om de overdraagbaarheid van werkwijzen en producten.

Een ander aandachtspunt is de continuïteit van de schoolloopbaan van leerlingen.

Veel initiatieven hebben nog beperkt zicht op hoe het de leerlingen vergaat na hun overstap naar een reguliere vo-school.

Wettelijke knelpunten

Er is daarnaast nog sprake van een aantal wettelijke regels, die het verder brengen van het 10-14 onderwijs belemmeren, zo staat in de rapportage.

Eerder werd dit in een tussenrapportage al onderstreept.

Toen was een fundamenteel knelpunt bijvoorbeeld het stelsel van bevoegdheden, waardoor er beperkingen zijn voor po-leraren om les te geven in het vo en vice versa.

Als oplossing heeft de minister daarop een experiment Teambevoegdheid gestart.

Dit houdt in dat het 10-14 onderwijsteam gezamenlijk de benodigde bevoegdheden bezit, zonder dat dit hoeft te gelden voor elke individuele leraar.

Scholen konden zich hiervoor aanmelden.

Er is echter ook nog een aantal bestaande knelpunten.

Zo verschillen de cao’s voor het po en vo, waardoor leraren met een bevoegdheid voor po of vo een verschillende waardering krijgen voor dezelfde werkzaamheden.

Administratieve last wordt veroorzaakt door gescheiden geldstromen van po en vo en doordat een 10-14 initiatief onder verschillende BRIN-nummers valt.

Verder zouden veel 10-14 initiatieven liever werken zonder eindtoets en schooladvies.

Ze zien de eindtoets als een tussentoets en het schooladvies als een tussentijds advies.

Tenslotte ziet de Inspectie van het Onderwijs de 10-14 initiatieven niet als één geheel maar als onderdelen van verschillende po- en vo-scholen, die apart worden bezocht.

Vervolg

De verschillende 10-14 initiatieven worden niet verder gevolgd door dit onderzoek.

De minister schrijft in de begeleidende brief bij het rapport aan de Kamer dat hij vanwege de demissionaire status van het kabinet verder niet ingaat op de overgang van po naar vo, waar 10-14 onderwijs deel van uitmaakt.

De 10-14 initiatieven gaan de komende periode uiteraard gewoon door.

Je kunt er leren voor autotechnicus, maar ook voor hippisch ondernemer, verkoopmedewerker, ict-beheerder of banketbakker.

Van acteur tot zorghulp; het mbo kent duizend-en-één opleidingen, verdeeld over vier sectoren, twee leerwegen en vier niveaus.

Hoe steekt het precies in elkaar? Een compacte rondgang door de vertrekken, gangen en verdiepingen van dit veelomvattende bouwwerk van het mbo: een ‘leerhuis’ voor ongeveer een half miljoen mbo-studenten.

Met de invoering van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) heeft het mbo in 1996 zijn huidige vorm gekregen.

Door het samen voegen van veel naar niveau, leerweg en beroepsrichting variërende opleidingen kan in het mbo onderwijs op maat gegeven worden; op de wensen en mogelijkheden van uiteenlopende groepen studenten toegesneden.

Roc’s, regionale opleidingencentra, zouden daarvoor moeten zorgen; alle keuzemogelijkheden in elke regio onder één dak verenigen.

Maar hoewel roc’s het gezicht van het mbo bepalen met 90% van de mbo-studenten, zijn ze niet het enige schooltype in het mbo.

Er zijn ook vakscholen, bijvoorbeeld in de grafische sector, de creatief-technische sector en de hout- en meubelbranche.

En de ‘groene’ sector heeft eveneens een eigen schooltype met bijvoorbeeld opleidingen voor tuinarchitectuur, dierhouderij en de land- en tuinbouw; de agrarische opleidingscentra (aoc’s).

Met de particuliere aanbieders van mbo-opleidingen is het beeld compleet.

Ook particuliere instellingen als NCOI, mogen op voorwaarde van wettelijke erkenning, mbo-diploma’s uitgeven.

Al met al kent het mbo een zeer groot aantal opleidingen.

Tot 2011 waren ze verdeeld over vier sectoren: Techniek, Economie & handel, Zorg & welzijn en Landbouw.

Vanaf dat jaar kunnen studenten ook sectordoorsnijdende, zogenoemde cross-over opleidingen volgen.

Dat zijn opleidingen op het snijvlak van twee of meer sectoren.

Met cross-overs kan het mbo beter inspelen op ontwikkelingen op de arbeidsmarkt die zich niet houden aan sectorale grenzen.

Dat kan sinds 2016 ook met de invoering van keuzedelen.

Met keuzedelen kan de student zich in zijn programma in specifieke beroepsonderdelen verdiepen of juist zijn kennis en vaardigheden verbreden, in relatie tot de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt.

Mbo-opleidingen worden in twee ‘leerwegen’ aangeboden: in de ene leerweg leer je vooral in het bedrijf (beroepsbegeleidende leerweg, afgekort tot bbl), in de andere vooral op school (beroepsopleidende leerweg, kortweg bol).

Een mbo-student kan vaak, maar lang niet altijd, zelf kiezen in welke leerweg hij een opleiding wil volgen.

Tot slot zijn opleidingen ingedeeld in vier niveaus, variërend van entree-opleidingen (niveau 1) tot middenkaderopleidingen (niveau 4).

Vier sectoren

Drie mbo-sectoren trekken een ongeveer even groot aandeel studenten.

De sector Zorg & welzijn is het grootst met een aandeel van 33%, op de voet gevolgd door Economie & handel (32%), en op enige afstand Techniek (27%).

Het aandeel van de groene sector is aanmerkelijk kleiner (5%). Een klein, maar groeiend aantal studenten volgt cross-over opleidingen die niet onder een specifieke sector vallen (3%).

In elke sector zijn mbo-opleidingen ingedeeld in domeinen van verwante opleidingen.

Aanvankelijk moeten studenten meteen voor een specifieke opleiding kiezen, wat lang niet altijd lukte.

Met de domeinindeling kunnen ze starten met de gemeenschappelijke onderdelen van het domein en toewerken naar een keuze voor een bepaalde richting.

Maar als een student al weet wat hij wil, is het ook mogelijk om meteen voor een specifieke richting te kiezen.

Er zijn zestien domeinen, bijvoorbeeld Bouw & infrastructuur, Mobiliteit & voertuigen, Handel & ondernemerschap, Orde & veiligheid, Horeca & bakkerij, Zorg & gezondheidszorg.

Twee leerwegen

In het mbo kunnen studenten kiezen uit twee leerwegen: de beroepsbegeleidende leerweg (bbl) en de beroepsopleidende leerweg (bol).

Volgens de wet zijn ze gelijkwaardig: beide leerwegen leiden op tot hetzelfde diploma.

Bij het maken van een keuze tussen de beide opties speelt een aantal factoren mee: 1. De leerstijl van de student. Studenten die graag naar school gaan kiezen voor de bol.

In deze leerweg gaat een student 3 of 4 dagen naar school (60-80% van de tijd) en loopt hij gemiddeld 1 of 2 dagen (40-20% van de tijd) stage in de beroepspraktijk van een erkend leerbedrijf.

Wie liever wil werken en in de praktijk wil leren, kiest voor de bbl.

In de bbl gaat een student 1 of 2 dagen naar school en werkt en leert 3 of 4 dagen in de praktijk van een erkend leerbedrijf.

2. Leerwerkcontract met een leerbedrijf.

Studenten die de bbl willen volgen moeten met hun bedrijf een leerwerkcontract sluiten.

Daarin staat onder meer dat het bedrijf de student/werknemer begeleidt en betaalt.

Voor bol-studenten geldt een andere regeling; zij ontvangen geen loon, hooguit een stagevergoeding.

Daar staat tegenover dat ze vanaf hun 18e in aanmerking komen voor studiefinanciering en recht hebben op een ov-studentenkaart.

3. Het opleidingsaanbod.

Het staat onderwijsinstellingen vrij om opleidingen al dan niet in beide leerwegen aan te bieden.

Soms is die keuze er, soms ook niet. Dan wordt een opleiding óf alleen in de bol, óf alleen in de bbl aangeboden.

De meeste mbo-studenten volgen hun opleiding in de bol.

In de loop der jaren is het aantal studenten in de voltijdleerweg gegroeid, vooral door de toename van de instroom op niveau 4, waar traditioneel weinig opleidingen in de bbl worden aangeboden.

Volgde in schooljaar 2011/2012 nog 31% van alle mbo-studenten hun opleiding in de bbl, in 2018/2019 is dat aandeel geslonken tot 24%.

Dat wil zeggen dat in dat jaar van alle mbo-studenten 76% in de voltijd leerweg zit.

De verhouding tussen de deelname aan de beide leerwegen is nog schever als we kijken naar de leerwegkeuze van leerlingen die direct van het vmbo naar het mbo gaan (11 om 89%).

De verklaring voor het verschil is dat de bbl ook veel oudere deelnemers trekt die alsnog een diploma willen halen.

Vier niveaus

Karakteristiek voor het mbo zijn de vier niveaus waarop je een opleiding kunt volgen.

Opleidingen op het eerste niveau heten entreeopleidingen.

Daarnaast heb je opleidingen op niveau 2, 3 en 4.

Niveau 4 het hoogste niveau.

Een opleiding op niveau 1 duurt één jaar, op niveau 2 twee jaar en op niveau 3 en 4 drie jaar.

Een aantal mbo 4-opleidingen mogen vier jaar duren omdat dat ‘door de aard van de opleiding noodzakelijk is’.

Mbo-scholen kunnen daarover niet zelf beslissen; de minister van OCW stelt de opleidingen vast waarvoor dat geldt.

Het hoogste mbo-niveau is ook het meest populaire; dat was het en is het nog steeds.

Sterker, mbo niveau-4 trekt een steeds groter aandeel studenten; inmiddels bijna de helft van de totale instroom (48%).

Daar staat de daling van de instroom op niveau 2 tegenover.

Deze is in tien jaar gedaald van een derde tot een kwart van de totale mbo-instroom, 6% van de mbo-instroom gaat naar een entreeopleiding.

Toelating tot het mbo is gebonden aan regels.

Studenten zonder diploma kunnen bijvoorbeeld alleen naar een entreeopleiding.

De vooropleidingseisen voor de andere niveaus komen er grofweg op neer dat iemand met een diploma van een van de vmbo-leerwegen op niveau 2 kan beginnen, maar dat opleidingen op niveau 3 en 4 alleen toegankelijk zijn met een diploma van de kaderberoepsgerichte, gemengde en theoretische leerweg van het vmbo.

Oftewel; vmbo-leerlingen met een diploma van de basisberoepsgerichte leerweg kunnen terecht op niveau 2.

De, weinig gevolgde specialistenopleidingen op niveau 4 zijn alleen toegankelijk met een mbo-diploma op niveau 3 voor hetzelfde beroep of dezelfde richting.

Soms worden aanvullende eisen aan het vakkenpakket gesteld.

Veel studenten stoppen niet na één opleiding maar leren door op een hoger mbo-niveau.

Met een diploma op niveau 1 kun je doorleren op niveau 2, met niveau 2 op niveau 3 of 4, met niveau 3 kun je naar de (specialisten)opleiding op niveau 4 en met een diploma op niveau 4 naar het hbo.

In het voortgezet onderwijs zijn er openbare scholen en bijzondere scholen die uitgaan van een godsdienst of levensovertuiging.

Er zijn verschillende schoolsoorten: praktijkonderwijs, vmbo, havo en vwo.

Sommige scholen geven tweetalig onderwijs.

Openbare scholen staan open voor alle kinderen.

Deze scholen werken niet vanuit een bepaalde godsdienst of levensovertuiging.

Scholen die uitgaan van een godsdienst of levensbeschouwing

Bijzondere scholen gaan uit van een bepaalde godsdienst of levensbeschouwelijke overtuiging.

Scholen met een bepaald onderwijsconcept

Er zijn ook middelbare scholen met een onderwijsconcept.

Zij geven les vanuit bepaalde ideeën over opvoeding en onderwijs.

U ziet op Scholenopdekaart.nl van een overzicht van openbare en bijzondere scholen.

Scholen met tweetalig onderwijs

Scholen voor voortgezet onderwijs met tweetalig onderwijs geven naast het Nederlands meestal les in het Engels.

Vlakbij Duitsland zijn er scholen die Duits-Nederlands onderwijs geven.

Dit kan op het niveau van havo of vwo.

Leerlingen krijgen ook opdrachten uit de praktijk waarbij ze in een project samen aan technische oplossingen werken (Onderzoek en Ontwerpen).

Hier doen zij ook examen in, naast de algemene examenvakken.

Het is voor kinderen die tot de besten in hun sport behoren.

Dat kan als een sportbond een kind een groot talent vindt en het kind de zogenoemde selectie-status heeft.

Of als het tot de top 8 van de wereld behoort (A-status) of die top bijna heeft gehaald (high potential-status).

Topsporttalenten kunnen sinds 1 januari 2021 ook naar een gewone middelbare school waar zij school en topsport kunnen combineren.

Informatieve kaart van onderwijsconcepten en schooltypen

Bijzonder onderwijs en leerwegondersteunend onderwijs (lwoo)

Heeft uw kind specialistische of extra begeleiding nodig? Dan kunt u uw kind aanmelden bij een school voor speciaal onderwijs of een reguliere school voor leerwegondersteunend onderwijs (lwoo).

Dit onderwijs is gericht op leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben.

Hier ligt de focus vooral op, de naam verklapt het al, de praktijk.

Dus praktische vaardigheden leren in bijvoorbeeld de keuken, techniek of het groen. En dat gecombineerd met theorie en stages.

Het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs.

Een 4 jaar durende opleiding met 4 verschillende leerwegen: basisberoepsgericht (BB), kaderberoepsgericht (KB), gemengde leerweg (GL) of theoretische leerweg (TL).

Deze opleiding bereidt leerlingen voor op het mbo of havo.

Kort voor hoger algemeen voortgezet onderwijs.

Tijdens deze 5 jaar durende opleiding krijgen leerlingen vooral algemeen vormende schoolvakken.

Zoals Nederlands, rekenen, geschiedenis en aardrijkskunde.

Ook krijgen ze in de onderbouw een moderne taal in hun vakkenpakket.

Diploma ontvangen? Dan kunnen leerlingen kiezen om door te stromen richting het hoger beroepsonderwijs (hbo).

Het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs bestaat 2 niveaus: het atheneum en gymnasium.

Het verschil? Op het gymnasium leren leerlingen 2 extra talen, namelijk Latijn en Grieks.

Verder krijgen alle vwo-leerlingen taalvakken als Nederlands, Engels, Frans, Duits en in de onderbouw 2 vreemde talen.

Vanaf de bovenbouw krijgen de vwo-leerlingen (net zoals de havo-leerlingen) de keuze uit 4 profielen.

Benieuwd naar meer informatie over een niveau? Misschien is het je al opgevallen, want bij elk niveau staat een link.

Klik daarop om meer inhoudelijk te leren over dat niveau.

Infographic: niveaus en doorstroompaden in het Nederlandse onderwijsstelsel

Wil je precies weten welk niveau jullie gewenste middelbare school aanbied? Benieuwd naar meer informatie over een niveau? Misschien is het je al opgevallen, want bij elk niveau staat een link. Klik daarop om meer inhoudelijk te leren over dat niveau. Wil je precies weten welk niveau jullie gewenste middelbare school aanbied?

1. Primair onderwijs (po)

In Nederland bestaan vier verschillende vormen van primair onderwijs.

Regulier basisonderwijs De basisschool is bedoeld voor kinderen van vier tot en met twaalf jaar.

Een kind is in Nederland vanaf vijf jaar Ga naar artikel, maar meestal gaan kinderen vanaf hun vierde verjaardag al naar de basisschool.

Kinderen starten in groep 1 en krijgen tot en met groep 8 les van een of meerdere leraren volgens een vast weekrooster.

Speciaal basisonderwijs (sbo) Het Ga naar artikel bestaat uit het speciaal basis onderwijs, het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs.

Kinderen met (leer)behoeften waarin een reguliere basisschool niet kan voorzien, gaan vaak naar het speciaal basisonderwijs.

Het gaat dan om kinderen die extra ondersteuning nodig hebben.

In het speciaal basisonderwijs wordt vaak gewerkt met kleinere klassen, een prikkelarme omgeving en intensievere begeleiding door leraren en assistenten.

Scholen voor speciaal basisonderwijs volgen dezelfde kerndoelen als het reguliere basisonderwijs.

Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk kinderen uit het speciaal basisonderwijs door te laten stromen naar het reguliere voortgezet onderwijs.

Speciaal onderwijs (so)

Het speciaal onderwijs is niet hetzelfde als het speciaal basisonderwijs: het speciaal onderwijs is ingericht voor kinderen met extra (leer)behoeften en kinderen die specialistische ondersteuning nodig hebben.

Waarom zijn er nieuwe kerndoelen? • De Nieuwe Kerndoelen #1

tags: #alle #niveaus #onder #een #dak