Geschiedenis en stijlen van antieke deurplinten en binnendeuren

Interieurschilderingen zijn representatief voor de tijd waarin zij zijn gemaakt. Sommige toepassingen zijn langere tijd in gebruik, zoals grisailles en houtimitaties. Terwijl andere juist heel typerend zijn voor een bepaalde periode, denk aan renaissancistische rolwerkmotieven. Ieder tijdsperiode kent zijn eigen specifieke voorstellingen, stijlen, kleuren, materialen en technieken. Dit artikel belicht met name de thematische en stilistische aspecten van schilderingen op houten interieuronderdelen. Kleuren, materialen en technieken blijven buiten beschouwing.

Van middeleeuwse balken tot renaissancistische decoraties

Afb. 1 Tongewelf met geschilderde ribben, de rozetten van bladgoud verbeelden sluitstenen. Afb. 2. Balkenplafond van dennenhout met sterk gerestaureerde decoratie van biezen en (half)cirkels op een egaal gekleurd fond. De datering van de oorspronkelijke schilderingen is omstreeks 1295. Huis Drakenburgh, Oudegracht 114 te Utrecht. Afb. 3. Eiken balken met veertien geschilderde wapenschilden en leeuwfiguren. Burgwal 80, Kampen. Afb. 4. Afb. 5. Het tussen 1508 en 1518 beschilderde houten tongewelf van de Grote Kerk Naarden. Afb. 6. Afb. 7. Ornamentprent (houtsnede) waarop drie blokken met moresken, omgeven door een rand van moresken en arabesken, anoniem, 1506 - 1551. Afb. 8. De oudst bekende Nederlandse schildering op hout is tijdens een restauratie teruggevonden in de Sint Janskerk te Utrecht. Het rachelwerk van een negentiende-eeuws gestuukt spitstongewelf bleek een verzaagd beschilderde tongewelf. Vanwege de uniciteit is besloten deze planken terug te plaatsen op hun oorspronkelijke plaats en de rest van de dertiende-eeuwse kap met Romaans tongewelf te reconstrueren. Ten behoeve van de herkenbaarheid vanaf de kerkvloer is daar waar nodig de verloren gegane schildering aangevuld met nieuw schilderwerk. De schildering bootst een ribgewelf na.

In woonhuisinterieurs was het tot ver in de achttiende eeuw heel normaal om de bouwstructuur te zien. Zo bleven de balken, waarop de vloer van de volgende verdieping rust, vaak in het zicht. Afbeeldingen van laat-middeleeuwse interieurs laten vaak ongedecoreerde plafonds laten zien. Toch blijkt uit de sporadische interieurvondsten dat zij weldegelijk beschilderd konden zijn. De balken lijken veelal in één kleur te zijn geschilderd, afgezet met biezen en geometrische motieven zoals een cirkel. (Zie Afb. Een rijker beschilderd balkenplafond is teruggevonden in een huis in Kampen. Om de balken te dateren is dendrochronologisch onderzoek verricht. Dit is een dateringsmethode op basis van de aanwezige jaarringen. Het gebruikte hout blijkt rond 1344 gekapt. Dit jaartal sluit stilistisch aan bij de verbeelde heraldische wapenschilden en andere decoraties zoals een gaande leeuw. (Zie Afb. 3.) Deze schilderingen zijn relatief goed bewaard gebleven doordat de balken later omtimmerd zijn. Dit werd vaker gedaan om de zichtbare wankanten (boomschors langs de randen) aan het zicht te onttrekken. Tijdens verbouwingen verdwijnen aangetroffen schilderingen vaak weer achter een verlaagd plafond.

Afgezien van de balkenplafonds zijn andere beschilderde houten interieuronderdelen van vóór 1600 uiterst zeldzaam. Uitzonderlijk is het 1556 gedateerd beschilderde wandbeschot met heraldische wapens in kasteel de Cannenburch dat eertijds was toegepast op de eerste verdieping van het kasteel. Tegenwoordig is het als loshangende elementen in het huis tentoongesteld. (Zie Afb. Hoewel de meeste schilderingen tevoorschijn komen achter later aangebrachte elementen, zijn zij een enkele keer altijd in het zicht gebleven. Dit is het geval in de Grote Kerk Naarden. De balken zijn hier beschilderd met krullende distelachtige bladeren, slingerend rond een stok en gecombineerd met banderols (tekstbanden), heraldische wapens, bloemen en beesten. Deze balkenschilderingen zijn onderdeel van een laat-middeleeuws decoratieprogramma met Bijbelse taferelen op het houten tongewelf. (Zie Afb. 5.)

Groteske motieven en Hollandse Renaissance

De scenes zijn o.a. beïnvloed door prenten van de kunstenaars als Albert Dürer, Lucas van Leyden en Jacob Cornelisz van Oostsanen. De schilderingen in Naarden laten zien dat gotische motieven geleidelijk plaats maken voor renaissancistische decoraties naar Italiaans voorbeeld. Populair waren de ‘’groteske motieven’’, geïnspireerd op de schilderingen in het rond 1490 ontdekte paleis van de Romeinse keizer Nero. Het zijn sierlijke fantasierijke ornamenten gecombineerd met bladmotieven, dier- en mensfiguren. Prentmakers uit de Zuidelijke Nederlanden gaven een eigen draai aan deze motieven door ze te combineren met sierlijk ‘’beslag- en rolwerkornament’’. Hun prenten hebben de vormgeving in ons land sterk beïnvloed. Deze stijl noemen we de ‘’Hollandse Renaissance’’. (Zie Afb.

Vormen die meer zijn geïnspireerd op het Midden Oosten zijn de zogenaamde ‘’moresken’’ (gecompliceerde vlechtwerkpatronen) en ‘’arabesken’’ (gestileerde rank- en bladmotieven). (Zie Afb. Fraaie combinaties van moresken, grotesken en band- en rolwerk zijn vaak deels of geheel met behulp van sjablonen op de balken aangebracht. Deze afwerkingen zijn te dateren aan het eind van de zestiende eeuw. In Schuitvlotstraat 7 te Middelburg zijn naast moresken enkele houtsoorten op vrije wijze geïmiteerd. (Zie Afb.)

Noordelijke Maniërisme en zeventiende eeuw

In de figuratieve schilderkunst vindt er vanaf ongeveer 1565 een stijlverandering plaats naar het zogenaamde ‘’Noordelijke Maniërisme’’. Met als belangrijke vertegenwoordigers Hendrik Goltzius, Karel van Mander en Cornelis van Haarlem van de ‘Haarlemse academie’. Zij beïnvloedden vele andere schilders, mede door de prenten van die zij uitbrachten. Stijlkenmerken zijn complexe composities met uitdagend perspectief waarin naakte figuren zich met gedraaide lichamen in gekunstelde houdingen buigen. Naast religieuze en mythologische voorstellingen nemen de genres toe, van portretten en stillevens tot landschappen en genre taferelen. Soms werden zijkanten van de balken voorzien van jachtscènes, geplaatst tegen een landschappelijke achtergrond.

Zeer fraaie taferelen op de balken in Delft worden afgewisseld met balken die met ranken beschilderd zijn. Op basis van de kostuums die de figuren dragen is deze balkenschildering te dateren tussen 1610-1620. (Afb. 9) Waarschijnlijk zijn de eerder genoemde voorbeelden eveneens rond dit decennium te plaatsen. Maatschappelijke ontwikkelingen brachten rond 1625 een stijlverandering met zich mee in de kunsten. De strijd voor een onafhankelijke ‘’Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden’’ en een welvarende handel resulteerde in een rijke burgerij die streefden naar een eigen identiteit en zelfstandigheid. Geschilderde lichtbruine of okerkleurige ranken op een gekleurd fond raken in de mode. Zij zijn voorzien van ‘hooglichten’ en zware schaduwpartijen om de dieptewerking van een houten of stenen reliëf te creëren. Deze decoratiewijze kent een wijde verspreiding in talrijke varianten, veelal gecombineerd met herkenbare bloemen, vogels en andere dierfiguren. Een lichtblauw fond lijkt zeldzamer te zijn dan de meer gebruikelijke rode of bruine ondergrond. Een fraai voorbeeld is Westhaven 65 te Gouda. (Afb 10) Dit plafond is gedateerd 1635 en gesigneerd door Anthoni Hendricks, wat zeer uitzonderlijk is want meestal is dit soort schilderwerk anoniem.

Compleet beschilderde interieurs en zeldzame overblijfselen

Compleet beschilderde houten interieurs in de stijl van de vroege Hollandse renaissance zijn nauwelijks in situ bewaard gebleven. Bijzonder zijn het zweetkamertje en de chirurgijnskamer boven de waag van Enkhuizen. De schilderingen in beide vertrekken zijn altijd in het zicht gebleven, omdat de chirurgijnskamer tot ver in de negentiende eeuw in gebruik was. Het eikenbeschot van het zweetkamertje is geheel beschilderd met vogels, figuren en tulpen tussen voluten. (Afb. ) De populariteit van de tulp had in 1636, het jaar van ontstaan van de kamers, zijn hoogte punt bereikt. De schilderingen van Hippocrates en Galenos in de chirurgijnskamer hebben direct betrekking op de functie van de ruimte. (Afb. In de collectie van het Rijksmuseum bevindt zich een kamerbeschildering op paneel. Deze is afkomstig uit de Hofstede Randenbroek en beslaat drie wanden. De vlakken wanden zijn gehout en hebben een geschilderde architectonische ordening met nissen voorzien van vruchtstillevens, guirlandes en twee scenes uit de twaalf werken van Hercules. (Afb. 13) De betimmering is afkomstig uit de buitenplaats die Jacob van Campen bewoonde tot zijn dood in 1657. Van Campen (1595-1657) is samen met Pieter Post (1608-1669) een van de invloedrijkste schilder-architecten uit deze periode. Zij pasten de classicistische vormentaal in hun ontwerpen toe. Hun inspiratie haalde zij o.a. uit het geïllustreerde architectuur tractaat (1615) van de Italiaanse renaissance architect Vincenzo Scamozzi (1548-1616). De classicistische stijl treedt duidelijk naar voren in de historieschilderkunst en de decoratie van belangrijke gebouwen waar Van Campen en Post bij betrokken waren, zoals het Mauritshuis (1633) de Oranjezaal (1648) in het Huis ten Bosch in Den Haag en het Stadhuis op de Dam (1649) in Amsterdam. De plafondschilderingen bestaan uit een illusionistisch geschilderde architectonische geleding met symmetrisch geordende imitaties van beeld- of houtsnijwerk. Deze festoenen, guirlandes of rozetten zijn vaak voorzien van vergulde accenten. (Zie Afb. 14.)

Een vroeg voorbeeld in de Zijlstraat 62-64 in Haarlem is gerealiseerd tussen 1635-1639. Maar doorgaans zijn dergelijke plafondschilderingen te dateren in de jaren vijftig en zestig van de zeventiende eeuw. (Zie Afb. Niet alle zeventiende-eeuwse plafonds werden met ornamenten of voorstellingen beschilderd. In het omstreeks 1650 gebouwde buitenhuis Ockenburgh bij Kijkduin kreeg de samengestelde balklaag een effen donkergroene kleur met goudgele biezen en tooglijnen tussen de kinderbalken die bedrieglijk lijken te rusten op geschilderde consoles. (Zie Afb.)

Hoewel vaak de plafondschilderingen redelijk intact zijn overgeleverd zijn zij slechts fragmenten van volledig decoratieprogramma’s, bestaande uit een samenhangend geheel met schouw, wandgeleding, toegangsportalen, waardevolle behangsels en vloeren. De rol van de decoratieschilders verandert vanaf het midden van de zeventiende eeuw en hun waardering neemt toe bij de inrichting van vertrekken. In de architectuur wordt in de tweede helft van de zeventiende eeuw de "strakke stijl" toegepast, de laatste fase en een versoberde variant van het Hollands classicisme. Enkele belangrijke bouwmeesters in die periode waren Adriaan Dortsman (1636-1682), ontwerper van het Trippenhuis in Amsterdam en Jacobus Roman (1640-1716) o.a. bekend van Slot Zeist (1677) en Paleis Het Loo (hoofdgebouw 1684). Na omstreeks 1650 wordt de bouwconstructie steeds vaker weggewerkt achter vlakke houten delen waardoor een groot oppervlak ontstond. Zo werd de schilder niet langer belemmerd door de balken of architraven. Plafonds werden schilderkunstig opengebroken met wolkenluchten, bevolkt door putti of vogels. Deze zijn in eerste instantie nog geschilderd tussen de balken, zoals zichtbaar is op een plafond in het huis Herengracht 479 te Amsterdam.

De deurklink als cultureel symbool

Het is interessant hoe deurklinken en ander beslag zich weerspiegelen in de tijdsgeest. Telkens wanneer u een deur opent, omarmt u een stukje geschiedenis. De deurklink is het eerste fysieke contactpunt bij het betreden van een ruimte, een ogenschijnlijk klein detail dat de toon zet voor alles wat erachter ligt. In de 19e eeuw werd dit alledaagse voorwerp een symbool van bredere maatschappelijke ontwikkelingen, een spiegeling van technologische vooruitgang en de opkomst van de burgerij. Tot ver in de 18e eeuw waren deurklinken en ander beslag vrijwel altijd het werk van lokale smeden. Deze stukken waren functioneel en robuust, maar zelden gestandaardiseerd. De industriële revolutie bracht massaproductie en standaardisatie, waardoor deuren en beslag toegankelijk werden voor een bredere groep kopers. Fabrieken in Engeland, Duitsland en later ook Nederland begonnen catalogussen uit te geven met gestandaardiseerde modellen in verschillende prijsklassen. De 19e eeuw kende verschillende stilistische stromingen die zich ook uitten in deurbeslag, zoals Biedermeier en Art Nouveau (Jugendstil).

Afbeelding van verschillende historische deurklinken en beslagtypes

Voor eigentijdse huiseigenaren die hun woning willen renoveren of authenticiteit willen toevoegen, biedt historisch deurbeslag een unieke kans om karakter te creëren. De markt voor replica’s en gerestaureerde originele klinken uit de periode van 1890 tot de jaren 1930 is levendig, met leveranciers die authentieke ontwerpen reproduceren volgens traditionele methoden zoals zandgieten. Een cruciale keuze bij renovatie is die tussen een rozet en een schild. Een rozet is een rond of ovaal plaatje dat rond het sleutelgat past en een moderne, subtiele uitstraling heeft. Het is ideaal wanneer de deur in goede staat is en geen beschadigingen rond het slot vertoont. Een schild daarentegen is een langwerpige plaat die een groter oppervlak bedekt en bijzonder geschikt om oude gaten, beschadigingen of sporen van eerder beslag te verhullen.

In historische woningen waar deuren door de jaren heen meerdere malen zijn aangepast, biedt een schild een praktische en esthetisch bevredigende oplossing. Drie maten zijn cruciaal: de stiftmaat, de slotafstand, en de PC-maat (plate centre). Standaardmaten bestaan, maar vooral bij oude deuren kunnen afwijkingen voorkomen. Het is raadzaam eerst de bestaande maten op te meten of, bij nieuwe installaties, te kiezen voor een compleet compatibel systeem. De balans tussen historisch correct en modern wooncomfort is het sleutelwoord. Een volledig authentieke reproductie kan prachtig zijn, maar moderne verbeteringen zoals geveerde mechanismen maken het gebruik gemakkelijker en duurzamer.

Bruynzeeldeur productafbeeldingen met verschillende profielen

Bruynzeeldeuren en de wederopbouw

Een groot deel van de collectie jongere deuren van www.oudedeur.nl bestaat uit zogenaamde Bruynzeeldeuren, meer dan 1000 stuks. Dit zijn deuren die vanaf 1921 door de firma Bruynzeel werden vervaardigd en die te herkennen zijn aan een standaardmaat en een standaardvorm. Aan het eind van de jaren ’40 werden in Nederland tijdens de Wederopbouw in snel tempo nieuwe woningen gebouwd en werd standaardisatie verder doorgevoerd. Bruynzeel paste productie aan door vier- en soms vijfpaneels deuren te leveren en glasdeuren met roeden of glas-in-lood. Tot circa 1960 bleven vierpaneels Bruynzeeldeuren veelvuldig toegepast. Als de mode verschoof naar strakkere interieurs, werd productie verlegd naar vlakke deuren zonder panelen of glas. De aanzet voor deze strakkere deuren was in de jaren ’30 al gegeven.

Afb. 3 Bruynzeeldeur met schuin profiel; Afb. 4 Niet-Bruynzeeldeur met een rond profiel

Een Bruynzeeldeur is weliswaar niet oeroud, maar voorzien van origineel deurbeslag verhoogt ze beslist de beleving en de historische waarde van een interieur, waarin die elementen van oorsprong thuishoren. In de periode van de Wederopbouw en daarna werd standaardisatie een priotechniek in de bouwmaterialenhandel. De ruimte tussen stijlen en dorpels werd vaak ingevuld met berken multiplex of glas, terwijl de hoogte en breedte van deuren standaard werden vastgelegd.

Conclusies en toepasbaarheid vandaag

Tijdens renovaties is het kiezen tussen een rozet of schild, tussen antiek of replica, en tussen periodieke authenticiteit of modern wooncomfort cruciaal. Historisch deurbeslag biedt karakter en verhaal, terwijl moderne toepassingen comfort en duurzaamheid leveren. De waarheid achter antieke deurplinten en beschilderde houten onderdelen laat zien hoe vakmanschap, techniek en stijl door de eeuwen heen evolueerden, van gotische ribgewelven tot de elegantie van de Nederlandse renaissance en Barok-invloeden tot modernistische stromingen.

tags: #antiek #deur #plint