Kleur speelt een wezenlijke rol in de architectuur. Vanaf de middeleeuwen tot in de Franse tijd waren schilders lid van het Lucasgilde. Alleen meester schilders waren bevoegd om leiding te geven aan een eigen werkplaats en gezellen en leerlingen in dienst te nemen. Huisschilders werden ook wel verwers of malers, grofschilders of ‘schilders met de grote kwast' genoemd. De huisschilder beschikte over een eigen werkplaats, de ‘schilderswinkel', waar zijn materialen lagen opgeslagen en waar hij verfstoffen bereidde. Jarenlang behoorden wrijfstenen en potmolens tot de vaste onderdelen van de werkplaats. Met de kleine potmolen werden pigmenten en bindmiddelen fijn gemalen. In de pigmentkast bewaarde de schilder kleurstoffen in laden. In de schilderswerkplaats lagen verder ladders, steigers en klampen opgeslagen en stonden afbrandkorven en brandijzers gereed om verf af te branden. Puimsteen en schuurpoeder was aanwezig voor schuurwerk. Verder hingen er kwasten, kammen en borstels, sjablonen en voorbeeldstalen van hout- en marmerimitaties.
Voor het binnen- en buitenschilderwerk van het woonhuis werden in de middeleeuwen vooral aardkleuren toegepast, zoals omber, wit krijt, gele en rode okers. Balklagen en houten onderdelen in het interieur werden vaak oker, vaalgroen of bruin gebeitst. In de 16de en 17de eeuw zijn het vooral okertinten en natuursteenkleuren zoals Bentheimer (zacht oker) die op gevels worden toegepast en zwart voor muurankers en ijzerwerk. Natuursteen werd vaak overschilderd om kleurverschillen in het materiaal te verhullen. Hout werd Bentheimer geschilderd om natuursteen te suggereren. Metselwerk werd soms met baksteenkleurig rood of bruin en lijnolie gekleurd. Zacht groen kwam veel voor op luiken en deuren. In de 18de eeuw blijven Bentheimer en okers dominant voor kozijnen en natuurstenen geveldelen. Bentheimer wordt in de loop der tijd wel steeds lichter van tint. Men gebruikte daarbij meerdere tinten: op lambriseringen, binnenluiken en deuren schilderde men de verst verwijderde vlakken in de donkerste tinten.
In de 19de eeuw is er een enorme kleurenrijkdom. Pas na 1830 komt het grachtengroen op voor buiten schilderwerk. Tot het eind van de 19de eeuw wreef de schilder in zijn werkplaats zelf zijn verf. Pigmenten in poedervorm gecombineerd met een bindmiddel vormden de basis. De zuiverheid van de pigmenten varieerde sterk. Tot in de 18de eeuw was het aantal bruikbare pigmenten zeer beperkt. De chemische wetenschap richtte zich in de 19de eeuw op de verfindustrie. In de oudheid werden water, lijm, caseïne (een melkbestanddeel) en eiwit van een kippenei als bind- en hechtmiddelen gebruikt.
In de 15de eeuw gebruikte men in Vlaanderen lijnolie als bindmiddel, door de molenaar geperst uit lijnzaad. De kleuren konden beter vermengd worden en kregen een bijzondere diepte en glans. In de 20ste eeuw werden synthetische verven op basis van aardolie ontwikkeld. Het mengen van verf verdween hiermee definitief uit de schilderswerkplaats. Er is echter een groot verschil in glans, structuur en dekkingsgraad: verf op lijnoliebasis laat, in tegenstelling tot synthetische verf, veel meer zien van de onderliggende houtstructuur. Kalk en krijt zijn altijd belangrijke witte grondstoffen geweest. Loodwit is een oud, goed dekkend (en zeer giftig) pigment dat vanaf het midden van de 17de eeuw in Holland fabrieksmatig werd vervaardigd. Het Hollandse loodwit werd in heel Europa gebruikt.
Oker, in alle schakeringen, behoort tot de oudste en meest gebruikte verfstoffen. Okers worden gewonnen uit ijzerhoudende aarde en gesteenten. Groeven lagen in Engeland, Frankrijk en Duitsland. Grote steenbrokken verweerden in de buitenlucht. In waterbassins liet men de okerdeeltjes bezinken. Deze werden vervolgens fijn gemalen. Naar de kleur onderscheidt men gele, bruine en rode okers. Loodwit met gele oker wordt Bentheimer genoemd, naar de zandsteen die veel in ons land is toegepast. Lood- en ijzermenie waren belangrijke rode verven. Door het raspen van brazielhout verkreeg men Braziliaans rood, een paars-bruin pigment. Een mooi donkerrood karmijn werd gemaakt uit de schildjes van de cochenile, een luis die op cactussen leeft.
Vermiljoen is een vuurrode verfstof, een chemische verbinding tussen kwikzilver en zwavel. Het werd gebrand in potten, een zeer ongezond procedé. Het kostbare ultramarijn werd gewonnen uit de halfedelsteen Lapus Lazuli. In de 19de eeuw ontdekte men een chemische bereidingswijze. Indigo is plantaardig. India en Amerika waren leverancier. In de 17de eeuw maakte men in Hollandse molens smaltblauw, door blauwgekleurd glas waarin delen kobalt zich bevinden, te vermalen. Het diepe en goed dekkende Berlijns blauw, een ijzercyaan verbinding, werd in 1704 ontdekt en vanaf omstreeks 1720 toegepast. Het werd aanvankelijk gemaakt uit ossen- of kalfsbloed, steenkalk en salpeter.
Groen was een moeilijke, snel flets wordende kleur. Spaans groen werd gemaakt door platen koper op azijnpotten te plaatsen totdat er zich kopergroen op afzette. Bremer groen, variërend van geelgroen tot blauwgroen, werd vanaf 1760 fabrieksmatig vervaardigd. Probleem van zowel Spaans als Bremer groen is dat ze sterk verkleuren naar bruin. Pas na 1830 komt het tegenwoordig zeer dominante grachtengroen op. Deze donkere blauwgroene kleur werd gemaakt uit Berlijns blauw, Bremer groen en gele oker. Zwart werd verkregen uit roet (lampenzwart) en door het verbranden van hout (tonzwart, koolzwart), hars, teer of beenderen (beenzwart, ivoorzwart). Lampenzwart werd het minst toegepast, schilders namen vaak plantaardig of beenderzwart.
Het imiteren van kostbare houtsoorten wordt ‘houten' (of gladhout schilderen) genoemd. In de loop van de 18de eeuw komt het houten sterk in de mode, een vervolg op het 17de-eeuwse nabootsen van eiken op een grenen ondergrond. Op een gladde grondlaag werd een dunne transparante verflaag aangebracht waar men met een kam, veer, penseel, daskwast en later gummilap patronen in kon maken. Ook kostbaar gepolijst marmer werd door huisschilders op houtwerk of muren geïmiteerd. Dit werd al in het midden van de 17de eeuw in ons land gedaan. Vooral schoorsteenmantels, lambriseringen, wanden, kozijnen, zuilen en pilasters kwamen voor deze techniek in aanmerking. Een bijzondere schildertechniek is het ‘blotevoetjesmarmer'. Het betreft geen marmerimitatie maar een vorm van vloerdecoratie. Kindervoetjes werden in natte verf gestempeld op een voorbewerkte ondergrond, zodat een typerende structuur ontstond.
In de middeleeuwen, aan het eind van de 19de en in de vroege 20ste eeuw was het schilderen met behulp van sjablonen een veelgebruikte techniek. Ook in de late 18de eeuw werd met deze decoratietechniek gewerkt. De schilder tekende zijn ontwerp met potlood op geolied tekenpapier of karton en sneed vervolgens de motieven uit. Er moesten in deze tijd veel woningen gebouwd worden en met sjabloonwerk konden interieurs relatief snel gedecoreerd worden. Een kleine sjabloon industrie ontwikkelde zich, waarbij men patronen, van strak tot speels, kon kiezen uit voorbeeldboeken. Het vergulden beleefde een hoogtepunt tijdens de Lodewijkstijlen in de 18de eeuw. Voor het vergulden worden boekjes met dunne velletjes bladgoud gebruikt. De legering van het bladgoud is bepalend voor glans en diepte. Voor het hechten van het bladgoud op een zorgvuldig voorbereide ondergrond is een plakmiddel nodig, meestal een mengsel van harsen en olie.
Vaak is de kleurafwerking van een huis in de loop der tijd ingrijpend gewijzigd. Als voorbereiding op een restauratie doet de Vereniging daarom kleuronderzoek. Dit begint meestal met een speurtocht in het archief. Schilderijen, prenten en foto's, zelfs al zijn ze zwart wit, kunnen informatie geven hoe een gevel of interieur er vroeger uitzag. Bij technisch kleuronderzoek worden de historische afwerklagen op een gevel of in een interieur met een scalpelmesje voorzichtig blootgelegd. De gegevens moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd want verf verkleurd in de loop der tijd, onder andere door zonlicht, interactie tussen de pigmenten en bindmiddelen en verwering. Als onderdeel van het onderzoek kunnen verfmonsters worden genomen. In een laboratorium worden met een microscoop en met microchemische analysemethoden de pigmenten en bindmiddelen vastgesteld. Met de vaststelling van de pigmenten kunnen de afwerklagen grofweg gedateerd worden. Toch is het interpreteren van de onderzoeksresultaten niet altijd eenvoudig. Doel is om tot een gedegen kleuradvies te komen.
De kleur van een monument, een interieur of van wandkunst is bepalend voor de uitstraling en betekenis van een pand. Naast deze decoratieve en culturele waarde heeft schilderwerk (binnen en buiten) ook een beschermende functie voor het gebouw. Helaas is veel van deze kleurenrijkdom in de loop van de tijd verloren gegaan tijdens onderhoud en herinrichting. De oude kleuren en geschilderde decoraties die er nog wel zijn, vragen om zorgvuldige interventies van monumenteigenaren en vakmensen. Onderzoek naar kleur Een eigenaar of schilder kan met gebruik van de juiste kleur de historie van het pand weer nieuw leven inblazen. Om te weten welke kleuren vroeger gebruikt zijn, is onderzoek nodig door een kleurhistorisch onderzoeker.
Kleurhistorisch onderzoek en restauratiepraktijk
Monumenten zijn belangrijke getuigen van onze geschiedenis. Amsterdam hecht aan deze diversiteit van gebouwen en objecten. De dynamiek van bouwen en verbouwen is een wezenlijk kenmerk van de stad. toekomst zal dit zo blijven. Elk monument heeft cultuurhistorische waarden die van belang zijn. waarden in kaart te brengen wordt duidelijk wat de essentie is van het monument. De plananalyse is daarom gebaseerd op de waardering van de belangrijkste waarden van het monument gelegen zijn. Gevels, kozijnen, muren en interieurs vereisen specifieke benaderingen bij restauratie en renovatie.
Belangrijke aspecten zijn onder meer: het behoud van bestaand metselwerk en natuursteen, het voorkomen van schadelijke verfsystemen, en het vermijden van schade bij voegwerk en pleisterlagen. Bij gevelreiniging en schilderwerk dient men rekening te houden met dampopen verfsystemen en de historische textuur en glans te behouden. Een kleurhistorisch onderzoek is vaak de basis voor een restauratie- of verbouwingsplan en helpt om de monumentale waarden te bewaren. De kleurkeuze gebeurt in samenspraak met gemeentelijke verordeningen, monumentenorganisaties en de resultaten van archiefonderzoek en laboratoriumanalyse.
Monumentenwaaier en authentieke kleuren
Monumentenbezit presenteert, samen met Boonstoppel en Verfmolen ‘De Kat’, een kleurenwaaier speciaal voor monumenten: de Nederlandse Stad- en Streekwaaier. Deze waaier bevat 196 kleuren met een eigen verhaal en is bedoeld voor eigenaren of beheerders van monumenten en experts op het gebied van monumentenzorg. De waaier is opgebouwd uit stad-, streek- en fort-/vestingkleuren en is gebaseerd op pigmenten uit de periode tussen 1600 en 1900. Een deel van de collectie is vertaald naar Sikkens-codes en kan ook met andere verfmerken gebruikt worden.
Authentieke kleurtoepassingen komen terug in stedelijke en landelijke contexten. In Utrecht en omliggende steden zijn de historische kleurbeelden vaak verbonden met monumentengroen, Bentheimer-kleuren en wit voor ramen. Voor buitenschilderwerk en kozijnen worden verfkleurs gebruikt die aansluiten bij de bouwtijd en het materiaal. Het is raadzaam om bij kleurkeuze rekening te houden met de omgeving en de monumentale waarden van het pand.

Voor restauratiesuggesties en kleurkeuzes wordt aanbevolen om een kleurhistorisch onderzoeker in te schakelen. Een goed restauratie- en onderhoudsplan houdt rekening met de monumentale waarden, de materiaalkunde, en de lokale regelgeving. Ook voor kleurtoepassingen geldt dat terugvallen op historische kleurtoepassingen en behoud van de oorspronkelijke verflagen vaak vergunningsvrij kan zijn of op basis van kleurhistorisch onderzoek uitgevoerd kan worden.
Praktische richtlijnen voor monumentale kleurtoepassing
- Vraag de kleurhistorie op of onderzoek wat de huidige kleur is door onderliggende verlagen bloot te leggen.
- Behoud de basale verfsystemen en gebruik dampopen materialen bij schilderwerk.
- Houd rekening met de bouwperiode bij het kiezen van kleuren en contrasterende details zoals kozijnen en deuren.
- Laat gevelbehandelingswerkzaamheden uitvoerig documenteren in een restauratieplan en archiefvastleggen.
Meta-informatie
tags: #authentieke #kleuren #kozijnen