Tussen 1940 en 1990 veranderde de constructiewijze van betonskeletten en -vloeren ingrijpend. Prefab beton verving grotendeels het ter plaatse gestorte beton. De zogeheten elementvloeren van de jaren vijftig kunnen worden onderverdeeld in balken-, ribben- en combinatievloeren. Balkenvloeren bestaan al vanaf het begin van de twintigste eeuw en in de jaren veertig kwamen meer typen holle balkenvloeren beschikbaar voor geluiddemping en warmte-isolatie.
Tot 1940 werden betonnen draagconstructies vrijwel altijd ter plaatste gestort. Bij grotere belastingen en overspanningen van meer dan vijf meter heeft een massieve en daarmee zware gewapende betonvloer een ongunstige sterkte-gewichtsverhouding. Om materiaal te besparen en gewicht te verminderen, ontstond de ontwikkeling van holle ruimten in vlakke vloerplaten en later prefab elementen zodat arbeidsintensieve bekistingen vermeden konden.
Prefab vloeren en systemen
In de jaren veertig kwamen nieuwe prefab vloerelementen op de markt, met in de jaren vijftig een verdere onderverdeling in balkenvloeren, ribbenvloeren en combinatievloeren. De prefab balkenvloeren konden deels als verloren bekisting dienen en soms was eenigszins tijdelijke ondersteuning nodig; andere systemen waren zelfdragend en kregen alleen een gewapende druklaag.
In de jaren zestig kwamen plaatvloeren op de markt, waaronder TT-vloeren en staalplaatvloeren. Voor prefab tussenelementen dienden materialen als terracotta, beton, lichtgewicht beton en isolatiemateriaal. Lightwight beton (bimsbeton) werd veel toegepast, vooral in de jaren veertig en daarna. Arkelplaat- en Arkelkassettenvloeren verschenen in 1942, gebruikmakend van bimsbeton als toeslagmateriaal.
Vanaf de jaren vijftig ontstond een scala aan combinatievloeren (broodjesvloeren) en kanalenvloeren. Combinatievloeren bestaan uit geprefabriceerde liggers met tussenliggende vulelementen, terwijl kanaalplaatvloeren bestaan uit geprefabrieerde platen met doorlopende kanalen en voorgespannen wapening. De kanaalplaatvloer maakte overspanningen tot 6 tot 17 meter mogelijk.
De ribbenvloer werd in 1950 gezien als overgang tussen plaatvloeren en T-balkvloeren. De eerste generatie ribbenvloeren werd ter plaatse gestort op prefab elementen, terwijl latere generaties vaak volledig zelfdragend waren. Een bijzonder systeem voor balkenvloeren was Bendor-Silica; keramische elementen met holle ruimte werden gebruikt in verschillende varianten zoals Riwa-vloeren en holle baksteenvloeren.
Materialen en details per systeem
Vloeren werden in de periode 1940-1990 gemaakt uit keramisch materiaal (klei), lichtbeton (met vulkanische toeslagstoffen zoals hollith of bimsbeton), holle keramische elementen en gewoon beton. De tussenruimten tussen elementen werden opgevuld met mortel en soms wapening, waarna een druklaag van gewapend beton volgde. Bimsbeton werd veelvuldig toegepast vanwege geluid- en isolatiewaardes en lagere massa.
Kwaaitaal-Vormbeton uit Rotterdam leverde vanaf eind jaren veertig liggers in holle vormen met een breedte van 50 cm. In de jaren vijftig werd keramisch gewapend materiaal vervangen door klinkerisolietbeton en volledig zelfdragende elementen. De holle vloerparen ontstonden door sponning-een sleuf tussen elementen-waar wapening kon worden gelegd en later werd gevuld met beton, waardoor een constructieve ribbenvloer ontstond.
Een ribbenvloer (CVP) is een type prefab ribbenvloer met dunne zijkanten en een onderzijde van polystyreenschuim in afwerking, met een gegoten of voorgespannen druklaag. De cassettevloer (ribbenvloer met cassetten) heeft een onderzijde van isolatiemateriaal en cassetten die langs en dwars ribben vormen.
Specifieke systemen en hun kenmerken
- Ribbenvloeren: prefab ribbenplaten met langs- en dwarsribben, vaak voorgespannen en geïsoleerd; kruisen en dwarsribben vormen een rooster bij niet-aansluitende elementen.
Principieopbouw: betonmortel - prefab ribbenplaten - isolatie - eventueel druklaag. - TT-vloeren: TT-platen met twee hoge ribben geven grote overspanningen en vaak geen druklaag nodig; toepasbaar op begane grond en utiliteitsbouw.
- Kanaalplaatvloeren: geprefabriceerde platen met kanalen in lengterichting en voorgespannen wapening; overspanningen tot 6-17 meter; Dato Montelvloer als voorbeeld.
- Staalplaatbetonvloeren (SB-vloeren): afgewerkte stalen platen waarop beton wordt gestort zodat staal en beton constructief samenwerken.
- Cassettevloeren: ribbenvloer met cassetten en isolatie aan onderzijde; soortgelijke constructie als ribbenvloeren maar met ingebouwde isolatie.
- Brede plaatvloeren: breedplaatvloeren bestaan uit prefab dunne platen die als verloren bekisting dienen; later combinatie met druklaag voor constructieve dikte.
- Hol- en keramische vloeren: NEHOBO en NEHOBO Ideaalblokken voor gewapende holle baksteenvloeren; keramische elementen ook in fabriek tot platen gevormd.
- Kanaalplaatvloeren met polystyreen: geïsoleerde kanaalplaatvloeren met extra isolatie onderaan.
Verwerking en bouwpraktijk
Tijdens de bouw werd vaak tijdelijke ondersteuning van de prefab elementen toegepast, behalve bij systemen zoals Riwa- en BBB-vloeren die zonder tijdelijke ondersteuning konden. Voeg- en belaste fasen werden uitgevoerd met mortel en wapening; affrekeningen werden gedaan na stort en verharding van het beton. Voor murige en verflagen was vaak niet direct afwerkvloer nodig; sommige systemen leveren een vlakke onderzijde die direct voor pleister- of poederlagen geschikt is.
Vanaf de jaren zestig en zeventig werd de flexibiliteit vergroot met voorgespannen liggers en volledig zelfdragende elementen. De kanaalplaatvloer, TT-plaatvloer en breedplaatvloer vonden brede toepassing in woningbouw en utiliteitsbouw, terwijl riesen overspanningen mogelijk bleven door prefab elementen in combinatie met dragende druklaag.
Prestaties en toepassingsgebieden
Het type vloer bepaalt de maximale overspanning, akoestische eigenschappen, thermische isolatie, gewicht en bouwhoogte. Voor bepaling van geschiktheid wordt gekeken naar overspanning, massa, isolatie en de mogelijkheid tot sparingen of inbouw van voorzieningen. In de praktijk worden vloeren toegepast in verschillende bouwdelen zoals begane grondvloeren en verdiepingsvloeren; prefab- of in het werk gestorte varianten kunnen voorkomen. Combinatievloeren hebben doorgaans zelfdragende karakter en bieden betere hanteerbaarheid bij kleine elementen.
Economische overwegingen spelen ook een rol: korte bouwtijden, eenvoudige uitvoering van complexe vormen, vermijden van plafondafwerking en gemakkelijke net- en sparingsinbouw. Prefab-systemen zoals stalen platen en kanaalplaatvloeren kunnen aanzienlijke tijdsbesparingen opleveren, terwijl zware betonnen vloeren hogere massa en langere droogtijden betekenen.
Elektrische en milieuaspecten
Vanaf de jaren zestig kwamen geïsoleerde kanaalplaatvloeren en nieuwe emissie- en milieu-eisen naar voren. Beton- en systeemplaten worden inmiddels beoordeeld op emissiefactoren en milieubelasting; emissie-eisen voor ammoniak en duurzame bouwprincipes zijn actueel in de sector, waarbij de keuze voor vloeroplossingen mede gericht is op energiebesparing en milieuvriendelijkheid. Cement & Beton Centrum meldt dat emissie-eisen aan veranderingen onderhevig zijn en dat toekomstige vloeren mogelijk hogere normen zullen realiseren.
Typen vloeren en hun toepassing in hedendaagse projecten
Gecombineerde toepassingen van vloerfuncties zijn mogelijk in grote gebouwen waar meerdere typen vloerconstructies naast elkaar bestaan. In de praktijk zijn er systemen die volledig prefab zijn, en systemen die ter plaatse worden gestort met prefab tussenselementen. De keuze voor een bepaald systeem hangt af van overspanning, belastingen, geluiddemping, warmte-isolatie en de gewenste bouwtijd. In de showroom van Berkers Vloeren kunnen geïnteresseerden zich laten adviseren over gietvloeren, woonbeton en betonlook vloeren, met aandacht voor de specifieke kenmerken van Berkers Vloeren zoals lavasteen gietvloeren, kwartsietachtige vloeren en andere minerale gietvloeren.
Over Berkers Vloeren
Berkers Vloeren biedt Naadloze gietvloeren en woonbeton met ruim 35 jaar ervaring. Ze adviseren over ondervloer en vloeropbouw en leveren verschillende type gietvloeren, waaronder lavasteen gietvloeren, kwartsiet gietvloeren en minerale gietvloeren. Showroombezoek is op afspraak, zodat specialisten persoonlijk kunnen adviseren over de beste vloeroplossing voor woningen en bedrijven.

Concrete International levert prefab betonnen elementen en kanaalplaatvloeren bij Anvil Industries
Bij de keuze voor een gevlinderde betonvloer of betonlook vloer spelen dikte, afwerking en materiaalkeuze een cruciale rol. Gevlinderde vloeren zijn massief en minimaal 7 cm dik, terwijl betonlook vloeren vaak uit dunne lagen bestaan die de kenmerken van beton nabootsen. Gietvloeren zoals PU en epoxy zijn naadloos en kan met verschillende afwerkingen worden gerealiseerd. PU gietvloeren bieden elasticiteit en comfort; mineralen gietvloeren bieden krasvastheid en een milieuvriendelijke uitstraling.
| Type vloer | Dikte (min) | Overbrugging | Gewicht (kg/m2) |
|---|---|---|---|
| Ge vlinderde betonvloer | 7 cm | Volle overspanning mogelijk | ≈ 170 |
| Kanaalplaatvloer | 20-25 cm (platen) | 6-17 m | Varieert |
| Staalplaatbetonvloer | afhankelijk | Tot 28 m mogelijk | Laag gewicht |
| Brede plaatvloer | 5-12 cm (onderzijde plaat) | Tot 10 m overspanning | Laag tot middelmatig |
Let op: prijzen en specificaties variëren per leverancier en projectomvang. De keuze voor een vloer hangt af van overspanning, bouwtijd, geluid, isolatie en de gewenste afwerking. Berkers Vloeren kan u bijstaan met praktijkgerichte calculaties en advies op maat.