Op 13 juli 2020 werd een nieuwe versie van de coronawet gepresenteerd, na aanzienlijke kritiek op de oorspronkelijke opzet. Een van de meest in het oog springende wijzigingen was het schrappen van controles op het naleven van de coronamaatregelen in particuliere woningen. De initiële versie van de wet gaf burgemeesters de bevoegdheid om activiteiten in 'besloten plaatsen' stil te leggen bij angst voor besmettingen. Critici vonden dit een te vergaande maatregel, die potentieel politie-invallen in huiskamers bij te veel bezoekers mogelijk zou maken.
In de aangepaste versie is expliciet opgenomen dat een 'besloten plaats' geen woning kan zijn. Deze aanpassing werd gedaan met het oog op het 'fundamentele belang van het huisrecht zoals verankerd in de grondwet'.
Waarom een coronawet?
De coronaspoedwet beoogde een juridische verankering te bieden voor de regels die destijds via noodverordeningen werden gehandhaafd. Noodverordeningen zijn een ultiem middel voor burgemeesters om de openbare orde te bewaken, maar zijn primair bedoeld voor kortdurende situaties zoals demonstraties of rellen en zijn niet eindeloos houdbaar. Daarom was er behoefte aan een wettelijke basis. De wet regelt onder andere de verplichting tot het aanhouden van een veilige afstand en de bijbehorende boetes, waarbij het kabinet de precieze afstand kan bepalen.
Een ander significant verschil met de eerste versie was de geldigheidsduur: de wet zou oorspronkelijk een jaar gelden, maar dit werd teruggebracht tot een half jaar, met de mogelijkheid tot verlenging met telkens drie maanden. Eerder afbreken van de wet was ook voorzien. Daarnaast werd bepaald dat coronaboetes niet konden leiden tot een weigering van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG).
De corona-app verdwijnt uit de wet
De veelbesproken corona-app werd volledig uit de nieuwe versie van de spoedwet verwijderd. In de eerdere opzet was nog opgenomen dat een app kon bijdragen aan bron- en contactonderzoek. Voor de corona-app zou een aparte wet komen.

Kritiek en advisering
De eerste versie van de wet kreeg brede kritiek vanuit diverse hoeken, waaronder advocaten, de ombudsman, oppositiepartijen, de Autoriteit Persoonsgegevens en de Raad voor de rechtspraak. De Raad voor de rechtspraak uitte met name kritiek op de snelheid waarmee de wet tot stand kwam en de onduidelijkheid ervan. De nieuwe versie is tot stand gekomen met input van deze partijen, al bleef er discussie bestaan, met name over de duur van de wet.
Politieke behandeling en ingangsdatum
De behandeling van het wetsvoorstel lag vervolgens bij de Tweede Kamer, gevolgd door de Eerste Kamer voordat de wet in werking kon treden. De oorspronkelijke streefdatum van 1 juli 2020 voor de ingang van de coronawet werd verschoven naar 1 oktober 2020.
Per 1 december 2020 is de Tijdelijke wet maatregelen covid-19 van kracht geworden. Hierdoor werden overtredingen van de coronamaatregelen niet meegenomen in de beoordeling van een VOG-aanvraag. Geldboetes opgelegd op grond van artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht werden geschrapt uit de justitiële documentatie. Hoewel het schrappen tijd in beslag nam, werden overtredingen onder dit artikel voorlopig niet meegewogen bij VOG-aanvragen. Andere strafbare feiten bleven wel relevant voor de VOG-beoordeling.
Juridische onduidelijkheden rond noodverordeningen
De noodverordeningen die tot 1 juni 2020 van kracht waren, bevatten een juridische ambiguïteit die leidde tot onterechte coronaboetes en strafbladvermeldingen. De vraag wat precies wel en niet mocht onder deze verordeningen, met name met betrekking tot samenscholing en het houden van anderhalve meter afstand in de openbare ruimte, veroorzaakte aanzienlijke verwarring bij burgers, handhavers en juristen.
Een cruciaal punt van discussie was de definitie van 'samenkomsten' en 'groepsvorming'. Vanaf 1 juni 2020 werd het, onder voorwaarden van anderhalve meter afstand, toegestaan om in groepjes samen te zijn. Echter, de interpretatie van de regels bleef onduidelijk. Een voorbeeld hiervan is de zaak van een goudsmid die met zijn ouders in een park zat, wat leidde tot een boete ondanks de inachtneming van afstand.
De communicatie vanuit de overheid was vaak dubbelzinnig, zowel in de noodverordeningen zelf als in de toelichtingen daarop. Premier Rutte gaf aan dat vanaf drie personen handhaving zou plaatsvinden indien de anderhalve meter afstand niet werd gerespecteerd. Dit leidde tot uiteenlopende handhavingspraktijken, waarbij soms strenger, soms toegeeflijker werd opgetreden.
De verwarring werd versterkt doordat de uitleg per veiligheidsregio kon verschillen. De begrippen 'samenkomst' en 'groepsvorming' werden op verschillende manieren geïnterpreteerd, wat leidde tot onnavolgbare situaties. Concepten als 'bewust en actief afspreken' doken op, maar stonden niet in officiële documenten, wat de juridische basis verder ondermijnde.

Strafbeschikking en het strafblad
De zogenaamde 'coronaboetes' waren in feite strafbeschikkingen, opgelegd door het Openbaar Ministerie zonder tussenkomst van een rechter. Politie en buitengewoon opsporingsambtenaren (BOA's) kregen de bevoegdheid om zelfstandig straffen uit te delen voor overtredingen. Een strafbeschikking hoger dan 100 euro kon leiden tot een justitiële aantekening, oftewel een strafblad.
Voor minderjarigen vanaf 14 jaar gold een vergelijkbaar risico op een strafblad, hoewel boetes voor hen vaak beperkt bleven tot 95 euro om dit te voorkomen. De impact van een dergelijke aantekening op een strafblad kon gevolgen hebben voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG), wat vereist is voor bepaalde functies, zoals bij kinderopvang of in overheidsdienst.
Hoewel strafrechtexperts verwachtten dat een enkele corona-strafbeschikking zelden zou leiden tot het weigeren van een VOG, behalve mogelijk bij functies met een zeer hoge screening (zoals bij de AIVD), kon het niet volledig worden uitgesloten. De juridische implicaties van deze strafbeschikkingen leidden tot bezorgdheid, met name omdat gedrag dat voorheen normaal was, ineens als strafbaar werd bestempeld.
Verzet tegen coronaboetes
Wie het niet eens was met een coronaboete, kon in verzet gaan, waardoor de zaak voor de strafrechter kwam. Dit bood de mogelijkheid om de zaak aan te vechten, bijvoorbeeld door getuigen op te voeren die konden bevestigen dat er geen sprake was van een georganiseerde samenkomst of dat de anderhalve meter afstand wel werd gerespecteerd. Het inschakelen van rechtshulp of een advocaat kon de kans op succes vergroten.
De voorzitter van het Veiligheidsberaad, Hubert Bruls, benadrukte het doel van de boetes: het voorkomen van samenkomen tijdens de coronacrisis. Desondanks bleven er juridische vraagtekens bestaan over de middelen die werden ingezet, met name de mogelijke strijd met grondrechten.
Grondrechten en noodverordeningen
Artikel 443 van het Wetboek van Strafrecht maakte het overtreden van noodverordeningen strafbaar. De bevoegdheid van de voorzitters van de veiligheidsregio's om verordeningen op te stellen, was echter niet grenzeloos. Zij mochten niet afwijken van grondwettelijke voorschriften, wat betekende dat noodverordeningen geen inbreuk mochten maken op grondrechten. Dit was echter wel het geval, bijvoorbeeld door beperkingen op godsdienstige bijeenkomsten, samenkomsten in het algemeen en het innen van boetes voor gedrag achter de voordeur, wat in strijd kon zijn met het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.
De vage bepalingen in de noodverordeningen, zoals het ontbreken van een definitie van 'samenkomst', werden bekritiseerd in het licht van het bepaaldheidsgebod (lex certa-beginsel), dat voorschrijft dat regels voldoende concreet moeten zijn. De verschillende interpretaties en de potentiële inbreuk op grondrechten, zoals de vrijheid van godsdienst en vereniging, maakten de juridische basis van de coronaboetes kwetsbaar. Het is verdedigbaar dat de noodverordeningen, en daarmee de daarop gebaseerde boetes, gedeeltelijk onverbindend waren, wat kon leiden tot ontslag van alle rechtsvervolging door de rechter.
Webinar - Juridische impact van corona op de AV en Alarmbel
In tijden van crisis is het cruciaal dat burgers weten wat strafbaar is en zich veilig voelen. Hoewel fundamentele rechten niet absoluut zijn en kunnen botsen met het recht op leven en gezondheid, moet de beperking daarvan via de juiste juridische weg plaatsvinden, met waarborgen en controle door de volksvertegenwoordiging.
tags: #coronaboete #achter #de #voordeur