Bij de aansluiting op spouwmuren kan gebruik worden gemaakt van spouwlatten. De aansluiting van de spouwlat op het kozijn moet “luchtdicht” worden uitgevoerd. De minimale afmeting van een spouwlat bedraagt 27 x 44 mm voor montage tegen een houten binnenspouwblad. De minimale dikte van de spouwlat bedraagt 38 mm voor montage tegen een binnenspouwblad van andere materialen. De minimale oplegmaat van de spouwlat op het bouwkundig kader is 25 mm. De onderlinge aansluiting van de spouwlatten dient luchtdicht uitgevoerd te worden. Spouwlatten worden over het algemeen aan het kozijnhout gelijmd en bevestigd met draadnagels of nieten met een lengte van 2 x de dikte van de spouwlat. Deze wijze van uitvoering geldt als een luchtdichte aansluiting. Vervolgens worden kozijn én spouwlat als geheel van oppervlakteafwerkingen voorzien.
Spouwlatten worden bevestigd aan het kozijnhout met een zekere afstand tussen nagels en nieten; draadnagels mogen maximaal 300 mm uit elkaar worden geplaatst en nieten maximaal 200 mm. De nagelafstand tot het uiteinde van de spouwlat is circa 10-15 mm. Als de kozijnhoutdikte ontoereikend is, kunnen kortere nagels/nieten worden gebruikt, maar de onderlinge afstand tussen nagels en nieten dient 200 mm respectievelijk 150 mm te bedragen. Andere vormen van aansluitingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld bij een koude aansluiting van behandeld hout op behandeld hout.

Algemene uitgangspunten en toepassingsklassen
11.1 Algemeen: In dit katern wordt omschreven op welke wijze aansluitingen van kozijnen aan het bouwkundig kader dienen te worden uitgevoerd. Basis uitgangspunten zijn de traditionele kozijnaansluitingen op een stenen binnenblad met isolatie in de spouw. Met betrekking tot de bouwkundige aansluitingen draagt de timmerfabrikant in concept III en IV verantwoordelijkheid voor ontwerp en montage.
11.2 Toepassingsklassen: De toepassingsklassen voor houten gevelelementen geven de mate van blootstelling/belasting van het buitenklimaat op het gevelelement aan. Houten gevelelementen met hoge blootstelling vereisen hogere eisen ten aanzien van materialen (zoals houtsoort en verlijming).
11.4.2 Plaatsing in de bouw: Voor eisen en verantwoordelijkheden met betrekking tot aanlevering en plaatsing van kozijnen en toe te passen dichtingsmaterialen verwijst men naar katernen 40, 72, 73 en 81. In de bouwkundige aansluitingen mogen geen capillaire naden voorkomen. Bij raamdorpelstenen dient rekening te worden gehouden met een vrije ruimte in de aansluiting op de onderzijde van de onderdorpel (vrijheid om onderdorpel af te schilderen). Een vrije hoogte van 15 mm onder de neus van de onderdorpel is vereist, met een afschuining van de waterslag van ten minste 10° of een dorpel met verhoogde neus.
Spouwlatten en luchtdichting
11.6.3 Spouwlatten: Bij de aansluiting op spouwmuren kan gebruik worden gemaakt van spouwlatten. De aansluiting van de spouwlat op het kozijn moet luchtdicht worden uitgevoerd. De minimale afmeting van een spouwlat bedraagt 27 x 44 mm voor montage tegen een houten binnenspouwblad; de minimale dikte bedraagt 38 mm voor montage tegen een binnenspouwblad van andere materialen. De minimale oplegmaat op het bouwkundig kader is 25 mm. De onderlinge aansluiting van de spouwlatten dient eveneens luchtdicht te worden uitgevoerd. Spouwlatten worden over het algemeen aan het kozijnhout gelijmd en bevestigd met draadnagels of nieten met een lengte van 2 x de dikte van de spouwlat. Deze methode geldt als luchtdichte aansluiting. Vervolgens worden kozijn en spouwlat als geheel van oppervlakteafwerkingen voorzien. Draadnagels mogen maximaal 300 mm uit elkaar worden geplaatst en nieten maximaal 200 mm. De nagelafstand tot het uiteinde van de spouwlat is circa 10-15 mm. Bij onvoldoende kozijnhoutdikte kunnen kortere nagels of nieten worden gebruikt, maar de onderlinge afstand tussen nagels en nieten dient 200 mm resp. 150 mm te bedragen. Andere vormen van aansluitingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld bij een koude aansluiting van behandeld hout op behandeld hout.

Verankering, rekwerken en bevestiging
11.6.4 Verankering: Het kozijn moet rondom aan het bouwkundig kader worden bevestigd door middel van hoekankers. Vervormingen van het bouwkundig kader mogen geen nadelige invloed hebben. De hoekankers en bevestigingsmiddelen dienen corrosiewerend te zijn.
11.6.5 Plaats van de verankeringsmiddelen: Hoekankers dienen tegen het bouwkundig kader geplaatst te worden aan de binnenzijde van de thermische spouwisolatie. Hart-op-hart afstand (h.o.h.) van hoekankers mag maximaal 700 mm bedragen. Voor reliëfdorpels kan een kleinere h.o.h.-afstand vereist zijn. Voor schuifpuien geldt dat gewicht van de schuifpui maal 2 bepalend kan zijn voor de juiste hoekankers. Alternatief kan onder het vaste deel van schuifpuien de h.o.h. worden aangepast.
11.6.5.2 Hoekankers ter plaatse van stijlen en bovendorpels: De h.o.h.-afstand dient conform voorschriften te zijn; bij verankering van de bovendorpel aan de bovenliggende vloer wordt gebruikgemaakt van hoekanker met verticaal slobgat. Verankeringsmiddel in het verticale slobgat moet met het juiste moment worden aangedraaid. 11.6.5.3 Rekwerken: Rekwerken naast, boven en/of onder het kozijn dienen als één geheel tegen het kozijn bevestigd te worden. Zwaartepunt van het gevelelement (glaslijn) t.o.v. basisprincipes.
Dichtingen, lucht en water
11.7.1 Luchtdichting: Door luchtdrukverschillen tussen spouw en woonruimte kunnen luchtstromen ontstaan. De aansluiting van kozijn/spouwlat met het bouwkundig kader (warme zijde) moet voorzien worden van een rondgaande luchtdichting, ononderbroken en in één vlak. Ruimte rondom de luchtdichting moet afgestemd zijn op het gebruikte materiaal en de verwachte vervormingen.
11.7.2 Waterdichting: Gebruik van waterdichte/waterwerende lagen. Overlappingen dienen dakpansgewijs te worden uitgevoerd. De bovenzijde van de spouwlat/stelkozijn en de bovendorpel van het kozijn moeten beschermd worden tegen water in de spouw. De waterdichte laag moet minimaal 150 mm hoog tegen het binnenblad bevestigd worden en moet buiten de gevelvulling een vertikale sectie hebben van minstens 15 mm hoog. De waterdichte laag moet aan weerszijden het onderliggende kozijn ten minste 100 mm overlappen en ten minste 20 mm opsteken. Waterwerende lagen overlappen dakpansgewijs en voorkomen capillaire naden met ruimte voor onderhoud. Voor zijaansluitingen geldt een waterwerende laag van minimaal 80 mm breedte in de spouw. Bij gekoppelde kozijnen > 15 m² dienen stijlen en dorpels van elk gekoppeld kozijn aan het bouwkundig kader bevestigd te worden. De koppelingen lopen over de gehele hoogte of breedte, en moeten zo ontworpen zijn dat de afzonderlijke kozijnen onafhankelijk kunnen bewegen en voldoende vrije ruimte hebben om bewegingen op te vangen. Voor de water- en luchtdichting worden schuimbanden, kitten of rubbers als voegafdichtingen toegepast, met onderhoud en vervanging die bereikbaar blijven.

Koppelen en uitvoeringsvormen
Bij gekoppelde kozijnen groter dan 15 m² moeten stijlen en dorpels aan het bouwkundig kader bevestigd worden. Verzadigde koppelingen moeten over de gehele hoogte/breedte doorlopen. Het kozijn is geen dragende constructie; bij verticale koppelingen moet rekening gehouden worden met belasting op het onderliggende kozijn. Het is noodzakelijk om een stel- en expansieruimte te voorzien; kozijnen kunnen door uitzetting/krimp 2-4 mm per 4000 mm breedte verschuiven. Een koppellat wordt ingelaten in een sponning van de te koppelen kozijnonderdelen. De hoek tussen aansluitvlakken kan uiteenlopende hoeken vormen; dit moet zo detailleren dat de kozijnen onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Een wisselsponning wordt aanbevolen tussen boven- en onderdorpel van te koppelen kozijnen, met waterdichting aan de buitenzijde en luchtdichting aan de binnenzijde. Bij overschrijding van de kozijnbreedtes moeten verticale koppelingen verankerd worden aan een achterliggende constructie of verstevigd worden volgens constructieve berekening. Renovatie of vervanging van gevelelementen kan leiden tot betere prestaties zoals inbraak-, geluid-, brandwerendheid en warmteweerstand; deelvervanging valt niet onder dit katern.

Kozijninrichting en muuraansluitingen in de markt
In de praktijk bestaan verschillende muuraansluitingen: spouwlat, kalksponning, renovatiesponning en vlakke/geen sponning. Spouwlatten worden veel toegepast in nieuwbouw; kalksponning creëert een mooi aansluitende rand rond het kozijn en wordt in zowel nieuwbouw als renovatie gebruikt. Renovatiesponning wordt toegepast bij vervanging van kozijnen. Een vlakke sponning is gebruikelijk bij houtskeletbouw en kan ook in nieuwbouw toegepast worden voor maatwerk kozijnen zoals tuinhuisjes. Onderdorpels zijn altijd voorzien van waterslagsponning voor afwatering, terwijl raamdorpelstenen/steen vaak deel uitmaken van de onderdorpel. Toelevering Online biedt verscheidene muuraansluitingen aan op basis van spouwlatten, kalksponningen, renovatiesponningen en vlakke sponningen.

Praktische samenvatting van sleutelafmetingen en aanbevelingen
- Spouwlat minimaal 27 x 44 mm tegen houten binnenspouwblad; 38 mm dikte tegen andere materialen.
- Minimale oplegmaat op bouwkundig kader: 25 mm.
- Aansluiting spouwlat op kozijn luchtdicht.
- Spouwlatten lijmen en bevestigen met draadnagels of nieten; lengte 2 x dikte.
- Nagelafstand max. 300 mm, nieten max. 200 mm; nagelafstand tot uiteinde ca. 10-15 mm.
- Verankering rondom met hoekankers; h.o.h. max. 700 mm; corrosiewerend.
- Water- en luchtdichtingen voortdurend doorlopende en in één vlak plaatsen; ruimte voor vervormingen en materiaalkeuzes.

Belangrijkste concepten voor renovatie en passiefhuisniveau
Bij renovatie is het van belang aandacht te besteden aan luchtdichtheid en continue isolatie rond kozijnen. Een goed kozijndetail kijkt verder dan de huidige situatie en houdt rekening met gevelisolatie en toekomstige onderhoud. Rond kozijnen moet de luchtdichtheid continu zijn; koudebruggen ontstaan vaak wanneer isolatie en constructie niet logisch zijn aangesloten. Passiefhuisniveau vereist een doorlopend systeem van luchtdichting en waterdichting rondom het kozijn.