Door de eb en vloed zijn de stranden van Vlissingen nooit even breed. Op deze pagina vindt u de astronomische waterstands-voorspellingen aan van Vlissingen. Deze gratis getijden informatie is alleen bedoeld voor particuliere vrije tijd strandactiviteiten, zoals wandelen, zonnebaden en strandrecreatie. Deze voorspellingen gelden voor gemiddelde meteorologische omstandigheden en zijn berekend door het Nederlandse Ministerie van Verkeer en Waterstaat. Deze gratis getijden informatie is alleen bedoeld voor particuliere vrije tijd strandactiviteiten, zoals wandelen, zonnebaden en strandrecreatie. Er worden geen garanties gegeven over de juistheid van deze gratis getijdengegevens.
De fase van afgaand of dalend water heet eb. Een strand wordt tijdens eb groter/breder. In bijvoorbeeld de Oosterschelde of Waddenzee vallen bij laagwater zandplaten droog, waardoor men er kan wadlopen. De fase van opkomend of rijzend water heet vloed. Een strand wordt tijdens vloed kleiner/smaller. Grote zandplaten, zoals in de Waddenzee of Oosterschelde, lopen bij vloed weer onder water. Wanneer het hoog- en laagwater is, verschilt per plaats. In de kaart hieronder kunt u voor een plaats op de kaart de astronomisch getijgegevens bekijken. Gebruik van de informatie op deze kaart is voor eigen risico. De getoonde gegevens zijn gebaseerd op de best beschikbare kennis en informatie van Rijkswaterstaat. Desondanks kunnen de werkelijke gegevens door verschillende oorzaken afwijken van de hier getoonde actuele gegevens. Een afwijking kan bijvoorbeeld zitten in de getoonde verwachtingen.
Eb en vloed ontstaan door de aantrekkingskracht van de maan op het water op aarde. De maan trekt als het ware aan het water, waardoor het water in de zeeën een bepaalde kant op beweegt. De aarde draait om haar eigen as en om de zon heen. Daardoor is de plek waar de maan het sterkst aan het water trekt telkens verschillend. Het water gaat dus steeds een andere kant op, waardoor hoog- en laagwater elkaar afwisselen. Dit noemen we eb en vloed of ook wel astronomisch getij. Ook de aantrekkingskracht van de zon op de aarde speelt een rol bij de getijden. Doordat de zon een stuk verder weg staat, is deze alleen een stuk kleiner. Omdat de bewegingen van de aarde en de maan heel constant zijn, is het ritme van eb en vloed dat ook. Het is in Nederland twee keer hoogwater en twee keer laagwater per 24 uur en 50 minuten. Met dit ritme hebben we eigenlijk altijd te maken. Dat wil zeggen: als er geen bijzondere weersomstandigheden en/of andere zaken spelen.
Het astronomisch getij kunnen we met een redelijke nauwkeurigheid jaren vooruit voorspellen. De tijden waarop het hoog- en laagwater is aan de Nederlandse kust, lopen sterk uiteen. Het getij verschuift in bijna twaalf uur van het zuidwesten naar het noordoosten van Nederland. Ook kan er op de ene locatie een veel groter hoogteverschil zitten tussen de hoog- en laagwaterstand. In Zeeland is dit verschil het grootst. Vanaf daar neemt het in noordelijke richting langzaam af, tot in de buurt van Den Helder. Hier zit dus het minste verschil tussen de waterstanden bij hoog- en laagwater. Vanaf Den Helder neemt het verschil in oostelijke richting weer toe.
Het weer en andere factoren kunnen voor variaties op het astronomisch getij zorgen. Denk bijvoorbeeld aan de diepte van het water en de vorm van de kust. Ook veranderingen in de positie van de zon en de maan vergeleken met elkaar, zijn van invloed op het getij. Als de zon en de maan in elkaars verlengde staan, neemt de aantrekkingskracht die ze op de aarde uitoefenen toe. Dit gebeurt tijdens volle en nieuwe maan. Ongeveer twee dagen later treedt dan springtij op: het hoogwater is hierbij extra hoog en het laagwater extra laag. Het omgekeerde kan ook voorkomen. In dat geval staan de zon en de maan haaks op elkaar. Twee verschillende kanten trekken dan aan het water. Dit treedt op tijdens het eerste en laatste kwartier van de maan (halve maan). Het effect is een paar dagen later merkbaar. Tijdens hoogwater komt het water dan niet zo hoog als normaal. Wanneer het laagwater is, zakt het minder. Dit noemen we doodtij.
Bijzonder aan de Waddenzee is het verschijnsel wantij. Het getij op de Waddenzee komt eerst aan de westkant van de Waddeneilanden opzetten. Enkele tientallen minuten later zet het water op aan de oostkant. Achter de eilanden is een gebied waar de twee getijgolven elkaar ontmoeten. Op deze plek staat het water dan bijna stil. Waterdiepte, de vorm van de kust en de uitmonding van rivieren, kunnen invloed hebben op het gedrag van het getij. De astronomische getijcyclus van 12 uur en 25 minuten blijft hetzelfde. Op sommige plekken kan het door deze invloeden twee keer zo lang eb of vloed zijn. Zo is er in Hoek van Holland sprake van een dubbel laagwater bij springtij en komen in Den Helder dubbele hoogwaters voor.
Onder invloed van de zwaartekracht van de maan (en in mindere mate van de zon en de andere planeten) wordt de watermassa op de aarde meegesleurd. Het getij is een op en neergaande beweging van het water. Per etmaal treden in de Westerschelde en de Zeeschelde 2 getijdecycli op. Twee maal per dag krijg je een opeenvolging van laagwater (LW) en hoogwater (HW). In de Scheldemonding bij Vlissingen bedraagt het verschil tussen hoog- en laagwater zo’n vier meter. Hoe verder stroomopwaarts, hoe nauwer de rivierbedding en hoe meer het binnenstromende vloedwater wordt opgestuwd. Nabij Hamme, waar de Durme in de Schelde uitmondt, bereikt de rivier haar hoogste waterpeil. Daarna neemt de opstuwing van het water weer af. In het Verdronken Land van Saeftinghe is het verval (het tijverschil) 4.50 meter. Bij doodtij gemiddeld 3.60 meter en bij springtij gemiddeld 5.20 meter. Deze periodieke rijzing en daling van het water in het estuarium, is het gevolg van de getijgolf die in en uit het estuarium loopt. Daarom is het in Antwerpen hoogwater gemiddeld 45 minuten na het hoogwater in Vlissingen; m.a.w. We kunnen deze vervorming duidelijk maken aan de hand van het getijverschil. In Vlissingen bedraagt het gemiddelde getijverschil 4 meter. Naar Antwerpen toe wordt de getijgolf opgestuwd en neemt het getijverschil toe tot 5 meter. In de Beneden-Zeeschelde is het tijverschil relatief groot in vergelijking tot de waterdiepte, de verhouding tussen beide grootheden bedraagt ongeveer 0.3. Het gemiddeld tijverschil te Prosperpolder (tijpost t.h.v. De getijdetafels zijn enkel maar een berekende voorspelling van de verwachte tijhoogte en tijdstippen van LW en HW. Bij diepe lagedruk-kernen, met dicht bij elkaar gelegen isobaren aan westzijde, en gewoonlijk van zuidwest naar noordoost gaande over de Noordzee, oefenen meteorologische omstandigheden op dit quasi astronomisch getij grote invloed uit, welke bij langdurige (dagen) en hevige (8 à 12 Bft) windvelden uit west tot vnl. noordwest over de Noordzee, langs de Belgische Kust aanleiding geven tot flink verhoogde waterstanden vnl. hoogwaterstand, zodat zich via de Westerschelde in het Zeescheldebekken stormvloeden kunnen ontwikkelen. Vanuit continentaal Europa kunnen langdurige (dagen) en hevige (5 à 7 Bft) oostenwinden vanuit Duitsland over België en Nederland gaan, welke de normaal (astronomisch voorspelde) waterstanden in Westerschelde en Zeescheldebekken flink kunnen verlagen, zowel hoog- als laagwater. Dit kan zich vooral voordoen bij winterse vorstperiodes als in zomerse warmtedagen. Bij langdurige (dagen) en hevige (bvb. 10 en meer l/m2.d) neerslag in Noord-Frankrijk en België, neemt de waterafvoer uit de opwaarts gelegen hydrografische bekkens dermate toe dat uiteindelijk zeer grote bovendebieten naar het Zeescheldebekken worden afgevoerd, die het getij in de opwaartse gebieden van het tijbekken enerzijds doen verhogen (zo hoog- als eerder en meer laagwater) en anderzijds beperken (tijverschil doen verkleinen of getij naar afwaarts afremmen).
Bij Borssele zien. De blauwe lijn volgt daarbij de astronomische getijverwachting in NAP, dat zijn de gegevens die je ook in de tabel links in de kolom '10 min' ziet. De oranje lijn echter laat de astronomische verwachting zien plus - of min - de opzet. De meeste getijdengegevens die je hier ziet worden ten opzichte van NAP (Normaal Amsterdams Peil) weergegeven. LAT is een internationaal referentievlak en staat voor Lowest Astronomical Tide. Het wordt gebruikt als referentievlak voor waterdieptes op zeekaarten. Als je deze gebruikt kun je dus het beste dit niveau aanhouden. LAT geeft het laagst mogelijke getij op een bepaalde plek weer, dat alleen op hoogst uitzonderlijke momenten wordt bereikt. Meer weten? De Stichting Wadvaarders heeft een interessante uitleg over LAT vs.
Infographic:

Belangrijke termen en praktijkgerichte kernpunten:
- Getij is een op en neergaande beweging van het water veroorzaakt door maan- en zonnekrachten en de aardrotatie.
- Eb (laagwater) en vloed (hoogwater) verschuiven per locatie; Vlissingen ligt in een estuarium met typisch circa vier meter getijverschil.
- Het ritme van getij kan door weersomstandigheden variëren; windrichting, luchtdruk en neerslag beïnvloeden hoogte en tijdstippen.
- In de Westerschelde treden twee getijcycli per etmaal op; nabij riviermondingen kan opstuwing en terugtrekking sterk variëren.
- LAT (Lowest Astronomical Tide) is het referentieniveau voor zeekaarten; bij voorspellingen wordt veelal ten opzichte van NAP gerekend.
Getijdenvoorspellingen zijn bedoeld als hulpmiddel voor recreatieve activiteiten en uitleg over de werking van getij in de Westerschelde en de Scheldebekken. Het is verstandig kaarten en lokale informatie te controleren, vooral bij activiteiten op het water of op allerlei zandplaten. Credits: ScheldeMonitor Team; VNSC Werkgroep Onderzoek & Monitoring (2020). Data downloaded from ScheldeMonitor: a data portal with information, data and products on the Scheldt Estuary.
Hoe getijden ontstaan
Samenvatting van regionale getijverschillen
In Vlissingen blijft het getijverschil ongeveer 4 meter, maar richting Antwerpen wordt het verschil groter (tot circa 5 meter) door opstuwing in de Scheldebekken. Nabij Den Helder neemt het verschil af. Deze variaties ontstaan door de vorm van het estuarium, de positie van de zon en maan en door meteorologische omstandigheden. In het Verdronken Land van Saeftinghe bedraagt het verschil circa 4.50 meter, terwijl doodtij rond 3.60 meter ligt en springtij circa 5.20 meter kan bereiken.
tags: #eb #en #vloed #westerschelde #borssele