Toen Jacobus Scheltema in 1804 - onmiddellijk na de dood van Wolff en Deken - materiaal begon te verzamelen voor een biografie, bleek eigenlijk niemand over Aagje Deken meer te weten dan wat vage notities. Zelf was zij in haar geschriften altijd opvallend zwijgzaam geweest aangaande haar afkomst en jeugd. Niet uit schaamte, maar ze liep nu eenmaal ongaarne met zichzelf te koop. Zo kennen wij bijvoorbeeld haar geboortedatum niet. Vast staat evenwel dat zij op 10 december 1741 in de gereformeerde kerk te Amstelveen is gedoopt als dochter van de veeboer Pieter Teunisz Deken en diens vrouw Geertruy Bebber.
Nadat eerst Geertruy Bebber overleden was, stierf korte tijd later - in december 1745 - ook haar man. Het juist vier jaar oud zijnde weesje Aagje Pieters Deken (zoals haar ‘officiële’ naam luidde) bleef nu onverzorgd achter. De weinige familieleden die haar nog overbleven, voelden zich althans niet in staat om haar in huis op te nemen. De Oranje Appel was geen gewoon weeshuis. Het was dat niet door zijn beperkte bezetting: gedurende de achttiende eeuw gemiddeld 35 weeskinderen.
Maar vooral stak het gunstig af bij andere instituten van die aard door de relatief zeer goede, verlichte opvoeding die de wezen hier genoten. Dat laatste was trouwens helemaal overeenkomstig de geest van de collegianten, die in 1675 een eigen weeshuis hadden gesticht aan de Keizersgracht te Amsterdam in het huis ‘daar de Orangie-appel in de gevel staat’. Deze collegianten vormden een kleine, tamelijk bemiddelde groep van radicaal denkende protestanten. In hun afkeer van geloofsformulieren en wapengeweld stonden zij dicht bij de remonstranten en doopsgezinden, zonder zich ook maar één moment met een van deze kerkgenootschappen te identificeren. Wat hun als ideaal voor ogen zweefde, was het ‘uchtendchristendom’ van de eerste apostelen, een vrije gemeente boven geloofsverdeeldheid waarbinnen iedere gelovige, al naargelang de Geest hem drong, tot ‘profeteren’ (= getuigen) gerechtigd was.
De collegianten ontlenen hun naam aan de colleges of huisbijeenkomsten, waar zij elkaar zonder eigenlijke voorgangers op geregelde tijden troffen. Beroemd was het college in Rijnsburg, dat tussen 1621 en 1787 als geestelijk centrum van de beweging functioneerde. Daar ook kwamen tweemaal per jaar, met Pinksteren en in augustus, uit het hele land collegianten en sympathisanten bijeen om, na ernstig zelfonderzoek, aan het H. Avondmaal aan te zitten. Naar kerkelijke belijdenis werd niet gevraagd. Wèl kon iemand die dat wenste in Rijnsburg de dompeldoop ontvangen. Een dopeling mocht zelf zijn of haar doopvader aanwijzen. En verder luisterde men naar een stichtelijke aanspraak, gewoonlijk met sterk practikaal karakter, van een of andere respectabele collegiant. Als sprekers traden bijvoorbeeld op Adriaan Houttuin (1741-1777), doopsgezind leraar te Hoorn, Agge Roskam Kool, azijnfabrikant uit Beverwijk, en de bekende Amsterdamse historicus Jan Wagenaar.
Alle bijeenkomsten vonden plaats in het Grote Huis te Rijnsburg, dat eigendom was van de collegianten. De deelnemers werden gedurende die dagen bediend door weesmeisjes uit De Oranje Appel. In de praktijk waren vele collegianten lidmaat van een doopsgezinde gemeente. Vandaar dat De Oranje Appel gewoonlijk als het weeshuis van de doopsgezinde collegianten wordt aangeduid. Maar van een menistisch monopolie was toch nooit sprake. In huis werd catechisatie gegeven door een oudere collegiant. Op zondagen gingen de jongens en meisjes respectievelijk onder leiding van de Binnenvader of Binnenmoeder naar de doopsgezinde kerk ‘bij 't Lam en den Tooren’.
Kinderen boven de vijftien mochten echter ook wel bij de remonstranten ter kerke gaan. ‘Bevlytig en gewenn' u - zo luidde die aanmaning - tot het gehoor van (godvrugtige en moderaate) Predikatiën, en ook tot het bywoonen van andere Godsdienstige Vergaderingen, daar vryheid van vraagen en in spreken is. Het weeshuis De Oranje Appel bestond in Aagje Dekens tijd uit een complex van drie bijeenstaande, onderling verbonden gebouwen: het eerste verworven perceel aan de Keizersgracht (thans tussen nr. 345-347) waar de jongens gehuisvest waren; een in 1680 aangekocht huis aan de Herengracht (nu nr. 344-346), onmiddellijk achter het pand De Oranje Appel gelegen, en het zogenaamde Dogtershuis, dat in de aan elkaar grenzende achtertuinen van de eerder genoemde percelen was opgetrokken, met een eigen uitgang aan de Huidenstraat (rechts naast het huidige nr. 4).
Het bestuur lag in handen van een college van vijf regenten en drie regentessen, terwijl de dagelijkse zorg was toevertrouwd aan een inwonende Binnenvader en Binnenmoeder. Onder de in Aagjes dagen fungerende regenten komen we namen tegen als de reeds genoemde Jan Wagenaar (1745-1750); verder de niet minder bekende uitgever Isaac Tirion en Jan (of John) van Rijssen, een in Londen geboren Amsterdams makelaar die nog aan Van Effens Hollandsche Spectator had meegewerkt. Diens vrouw, Adriana van Eems, was van 1757 tot 1773 regentes van De Oranje Appel. De jongens volgden op de gewone leeftijd het normale dagonderwijs aan een van de Amsterdamse scholen. Daarna leerden ze bij een meester een of ander ambacht. De meisjes van hun kant bleven het grootste deel van de tijd intern. Overdag leerden zij lezen, naaien en breien van de ziekenmoeder of van de naaimatres. ’s Avonds kregen ze onderricht in de schrijfkunst van een speciaal daartoe aangestelde schrijfmeester. Daarnaast werd er natuurlijk uitgebreid aandacht besteed aan de godsdienstige vorming. Wagenaar gaf catechisatie aan de ‘jongmans’ terwijl de regent Anthonij du Plouis zich met de zorg op dit punt voor de ‘jonge dochteren’ belastte.
Sober waren ze gekleed, de wezen: de jongens in ‘zwart karsaai’, de meisjes in ‘Serge des Dames’. Het enig bekende portret van een achttiende-eeuws weesmeisje uit De Oranje Appel toont ons een kind met wit kapje op het hoofd, wit lijfje, donkere jurk, opgeslagen groene schoot, roodbaaien tussenrok en muilen aan de voeten. Op de linkermouw bij de schouder is het getal 73 (?) zichtbaar. Er bestaat geen grond om te veronderstellen dat het hier om Aagje Deken zou gaan. Gemiddeld verbleven er nooit meer dan twintig meisjes in het Dogtershuis, die als elkaars lotgenoten dikwijls ook door hechte vriendschapsbanden verbonden waren. Zo voelde Aagje Deken zich sterk aangetrokken door de zusjes Maria (‘Mietje’) en Femmina Bavinck, Margaretha Suring en de aanzienlijk jongere Boukjen Willems, welke relatie weerspiegeld wordt in gelegenheidsgedichten die Aagje voor deze jeugdvriendinnen geschreven heeft.
Aagje Pieters Deken toonde al vroeg smaak en bedrevenheid in de poëzie. In de ascetische, bijna kloosterlijke sfeer van het Dogtershuis vormde geestelijke poëzie het enige voedsel voor het schoonheidsgevoelig gemoed. Aagje Dekens eigen gedichten zijn helemaal doordrenkt van die ingetogen, onwereldse vroomheid. Dat wij Aagjes geboortedatum niet precies weten, is eigenlijk niet zo relevant. Veel belangrijker dag in haar leven was de 23ste augustus 1760, toen zij te Rijnsburg de dompeldoop ontving van Agge Roskam Kool als zichtbaar teken van haar geestelijke wedergeboorte. Het was een aandoenlijke plechtigheid, ingeleid door een aanspraak van de doopvader en 's anderdaags gevolgd door haar eerste deelname aan het H. Avondmaal, waarbij zowel Anthonij du Plouis als Adriaan Houttuin een stichtelijk woord hadden gesproken.
Door haar jarenlange verblijf daar was Aagje zich helemaal gaan identificeren met het collegiantengesticht. Waarschijnlijk fungeerde zij op den duur als een soort assistente van de Binnenmoeder bij de zorg voor de jongere weesmeisjes. Maar op 4 februari 1767, toen zij meerderjarig (25 jaar) was geworden, brak ook voor haar het moment aan om afscheid te nemen van De Oranje Appel. Het Dogtersboek vermeldt in nuchtere bewoordingen: ‘Agie Pieters Deken is uijt het huijs gegaan met groot genoegen van ons [de regentessen] en de vaders’.
Naar gewoonte kreeg zij een flinke uitzet aan kleren mee, verder een klein geldbedrag en ‘Een nieu Boek genaamt de zelfskennis’. In augustus 1768 volgde nog de gebruikelijke tweede uitzet. Waar is Aagje Deken na haar vertrek uit De Oranje Appel heengetrokken? Het behoorde tot het gewone patroon dat de weesmeisjes van De Oranje Appel later bij deftige geestverwanten als dienstbode in huis kwamen werken. Zo aanvaardde Mietje Bavinck in 1769 een dienstbetrekking bij de remonstrantse Lucretia Wilhelmina van Winter-van Merken te Amsterdam. Voor Aagje Deken is deze weg geen succes geworden. De reden van die mislukking heeft ze later op even subtiele als overtuigende manier aangegeven.
In het in 1802 door Betje Wolff en Aagje Deken uitgegeven Geschrift eener bejaarde vrouw haalt hoofdpersoon Mietje een jeugdherinnering op. Het waren de kinderen uit het Collegianten weeshuis, die juist dien dag eene uitspanning hadden, en boven op het jagt zaten. Zij zongen uit hun geliefden Camphuisen het lied: ‘allerliefelijkste liefde’, groeteden ons beleefd, en hadden allen iet geschikts, iet zeedigs, in hun voorkomen en kleeding! Mijne moeder zeide bij die geleegenheid: ‘weinige kinderen zijn zo gelukkig als deeze. De meisjes hebben het daar, voor hunnen stand in de waereld, al te wel: men leert haar daar denken! zij begrijpen, 't is waar, dat de dienstbaarheid (waartoe zij geschikt worden,) geen mensch ontëert; maar hoe moeijelijk moet het haar toch vallen, uit dit stil verblijf van overvloed en onderwijs, over te gaan tot den staat der dienstbaarheid, en verstooken te zijn van de geleegenheid, om zig te oefenen!

In 1769 bevriendraakte Aagje Deken Maria Bosch, en samen schreven zij verzen. Maria Bosch werd eind 1769 ziek en overleed in 1773. Maria Bosch en Agatha (zoals zij zich als dichteres noemde) Deken leefden in een afgesloten wereldje. De weduwe Bosch bood Aagje onderdak als oppas; Aagje Deken groeide zo verder in de vrome kring. In 1770 trok haar poëtische talent de aandacht van Cornelis Ploos van Amstel; door diens bemiddeling raakte men in het Amsterdamse Diligentiae Omnia-genootschap, dat bekend stond om feesten en gedenktekenen voor Vondel. Zij ontvingen een premie voor haar gedicht, vergezeld van een rijmbrief door Lucas Pater. Aagje antwoordde in dezelfde trant, maar het gedicht moest eerst “van de wanstalligste Kunstfouten gezuiverd wierd”.
Op 19 november 1773 overleed Maria Bosch; daarna begon Aagje Deken aan een nieuw hoofdstuk, mogelijk met een theehandeltje als kostwinning. Betje Schreuder werd haar belangrijke vriendin en komende invloed. Brieven tussen Betje Schreuder en Aagje Deken laten lange beschrijvingen van zondigheid, ziekte en wederwarsigheden zien, en illustreren de hechte band tussen hen en hun cirkel van vrome zusters.
Symboliek en erfgoed: dood en herinnering in architecturele projecten
De Algemeene Begraafplaats werd begin negentiende eeuw aangelegd in opdracht en op kosten van de Gemeente Zeist. Aan de rand verrees een poortgebouw met de gevelsymbolen van de doods-symbolen: gevleugelde zandloper, vlinder, Ouroboros-fakkels, en omgekeerde fakkels. Deze symboliek dient als visuele boodschap aan de levenden: denk aan de dood en de eeuwigheid. De symbolen zijn zowel in de gietijzeren als in keramische objecten toegepast en zijn gemaakt door Zeister bedrijven zoals Martin te Zeist (gevleugelde zandloper) en de metaalgieterij van L. Schütz. Ze werden bevestigd met kalkspecie en kruiskopschroeven.

De doodsbeloften en de symboliek rond de dood zijn door de eeuwen heen veranderd. In de oudheid en middeleeuwen werd de dood als overgang naar een hoger of lager leven gezien; het vagevuur werd in de loop der tijden besproken en geologisch voorgesteld. In de Nederlanden werd de grafkunst en graftombes in de zeventiende eeuw vaak rijkelijk vertoond met gisants en epitaaf-inscripties; de elite hield grote en plechtige uitvaarten met balseming en praalgraven.
In de moderne tijd veranderde de betekenis: de dood werd openlijker en de relatie tussen dood en leven werd een onderwerp voor kunst, literatuur en rituelen. De symbolische doodsbeelden zoals de zandloper, vlinder en Ouroboros blijven centraal als meditatie op herinnering en vergankelijkheid, en spreken nog steeds tot de verbeelding van wie de geschiedenis van De Oranje Appel en Aagje Deken bestudeert.
- Biografische kern: Aagje Deken en haar banden met De Oranje Appel en Rijnsburg.
- Kollegianten en hun religieuze principes: vrije geloofsgemeenschap en ontmoetingen in Rijnsburg.
- Onderwijs en zorg voor weesmeisjes, en de maatschappelijke context van 18e eeuwse weeskinderen.
- Poëzie, vriendschappen en literaire erkenning in Amsterdamse kringen zoals Diligentiae Omnia.
- Doodssymboliek in architectuur en kunst, en de rol van Zeister bedrijven in de verwezenlijking.
Symboliekën uit de literatuur en theologie rondom de dood
De Bijbelse teksten en hedendaagse interpretaties geven een breed spectrum: van de dood als oordeel en straf tot de dood als doorgang naar eeuwig leven. In de teksten wordt de dood vaak besproken als menselijk lot, als hoofdstuk dat de ziel naar de goddelijke bron voert en als een thema in epitaaf- en kunstwerken. Door de eeuwen heen ontwikkelden zich verschillende opvattingen over wat er na de dood gebeurt: hemel, hel, vagevuur, en reïncarnatie-achtige ideeën. De moderne retoriek rondom rouw en verlies benadrukt betekenisgeving en verbinding met de levenden als manier om verder te gaan met het leven.