Goudsmit Hoff behang Enschede geschiedenis en informatie

In de voormalige leerfabriek Noord-Brabant aan de Julianastraat in Rijen begon J. Cohen in 1960 de behangselpapierfabriek Goudsmit-Hoff. In 1980 nam concurrent Rath & Doodeheefver de fabriek over. In 1998 werd als gevolg van tegenvallende verkoopcijfers de fabriek opgeheven. Goudsmit-Hoff was in de zeventiger jaren de sponsor van een van de bekendste wielerformaties die Nederland ooit heeft gehad. Na het vertrek van Rath & Doodeheefver heeft het pand een tijd leeg gestaan. Inmiddels is het gesloopt en is er een appartementencomplex gebouwd. In het verleden werden losse tapijten opgehangen, daarna kreeg de wand een bespanning van jute of linnen met daarop een afwerking van fijnere textiel of behang. Die afwerking werd naadloos in verticale banen op de bespanning aangebracht. Later gebeurde dit direct op de stenige ondergrond. Wandafwerking, of woningtextiel in het algemeen, bepaalt voor een groot deel de uitstraling van het interieur, draagt bij aan isolatie en heeft een gunstig effect op de akoestiek.

Afbeeldingen en voorbeelden uit de geschiedenis

  • Afb. 1. Reclamebord Terlenka glasgordijnen, circa 1955.
  • Afb. 2. Wandtapijt van Jaap Bouhuys uitgevoerd door De Knipscheer stadhuis Gouda uit 1952.
  • Afb. 3. Textiele wandbekleding Cementrum in ’s-Hertogenbosch uit 1979.
  • Afb. 4. Reclame met monster van Suwide afwasbare kunststof uit 1963.
  • Afb. 5. Advertentie decoratief Engels behang uit 1977.
  • Afb. 6. Brochure met monsters Somvyl schuimvinyl uit 1977.

Wandbekleding kan niet worden losgezien van de overige stoffering van de ruimte. De belangrijkste daarvan zijn de gordijnen. Tegen inkijk benutte men veelal vitrage, ook glasgordijnen genoemd; een witte lichte transparante losgeweven stof zoals ragfijne voile of marquisette met iets wijdere mazen of tule met zeshoekige mazen. Glasgordijnen werden gemaakt van katoen en later ook van kunstzijde en (half)kunststof nylon garens. Tegen de kou en voor als het donker wordt, bestaan er overgordijnen: dichte weefsels van trijp of velours, peau de peche (geruwde katoen), damast of bedrukte cretonnes. Een belangrijke speler in de jaren vijftig en zestig was Weverij De Ploeg in Bergeijk, die vooral na 1957 veel door bekendere kunstenaars ontworpen bedrukte stoffen voor gordijnen, meubels en kleding verkocht.

Textiele wandbekleding werd van oudsher aangetroffen in huizen van welgestelde personen en in openbare gebouwen zoals stadhuizen. Naast fabrieksmatig vervaardigde wandbekleding bleef er een kleine niche voor ambachtelijke producten. Na 1930 bestonden er in Nederland nog vier toonaangevende ambachtelijke handweverijen die unieke wandtapijten vervaardigden, ontworpen door bekende kunstenaars. Dit waren de in Baarn gevestigde handweverij en tapijtknoperij van Edmond de Cneudt (1937-1984), Het Paapje in Voorschoten (1930-1984), De Knipscheer in Laren (1934-ca.1977) en De Uil in Amsterdam (1956-ca.).

De rijkste wandbekleding is gemaakt van trijp of velours d’Utrecht op basis van een katoenen grondweefsel met een pool van mohair van de angorageit. Door middel van een wals met daarin een patroon werd de opstaande pool plat geperst (gaufreren) en de nog opstaande pool afgeschoren. Daarna werd de geperste pool weer omhoog gekamd. Velours met klassieke motieven als zonnebloem en aimable bleef tot ver in de jaren zestig populair met als belangrijkste leverancier de Hengelosche Trijpweverij. Eenvoudiger was een bespanning met chintz; een bedrukt katoenen weefsel overtrokken met een wasachtig laagje. In 1969 begon de Murlin Company in Oldenzaal in samenwerking met de Zweedse firma Tasso met de productie van linnen behang en vanaf 1973 maakten ze vuilafstotende textielwandbespanning onder de naam Murlin-Tasso. Zij maakten onder meer muurlinnen met een gemengde grove en fijne structuur die de wanden structuur gaven.

In 1971 werd in Deurne de nog bestaande firma Vescom opgericht. Voor hun dessins trokken ze ontwerper Benno Premsela aan. Het door hun geproduceerde witte muurlinnen paste ook naadloos in ‘het witte interieur’ dat Jan des Bouvrie in de jaren zeventig introduceerde. Ook wit is het Zwitserse doek dat zich bevindt op de grens van textiele wandbekleding en behang. Het bestaat uit een open en rul katoenen weefsel dat op de wand wordt geplakt en daarna geverfd. Het werd gemaakt door de weverij Emil Spoerri in Haarlem. In plaats van of als toevoeging aan natuurlijke vezels werden kunstvezels toegepast. De in 1931 gestichte Helmondsche Textiel Maatschappij (Hatéma) begon in de jaren vijftig met de productie van afwasbare kunststof muurbedekking in verschillende kwaliteiten en neutrale kleuren. In het begin werd hiervoor nitro-cellulose gebruikt, maar al snel schakelde men over op polyvinylchloride (pvc).

Suwide, ook leerdoek genoemd, heeft een textiele ondergrond en is te beschouwen als een opvolger van kunstleer. Het stond echter te boek als sterker, mooier en universeler, stijlvol, duurzaam en gemakkelijk te onderhouden en schoon te maken. Het representeerde modern comfort met eigentijdse kleur, ruimte, stijl, textuur, structuur en kwaliteit. Het werd gepresenteerd op wanden en meubels in de meest uiteenlopende interieurs. Zo paste Gerrit Rietveld het in 1958 toe in de door hem ontworpen perskamer in het hoofdgebouw van UNESCO in Parijs en in de modelwoning in het Nederlands paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Brussel.

Als reactie op de toepassing van kunststoffen en het koude beton, groeide vanaf eind jaren zestig de hang om terug te gaan ‘naar de natuur’. Aan de wand werden natuurlijke materialen als sisal (Jabo), jute en kurk en Japans grasweefselbehang toegepast. Begin jaren tachtig besteedde het tijdschrift Eigen Huis & Interieur aandacht aan de serie wandbekleding Oriental Wallcoverings, gemaakt van riet, gras, bamboe en kamerfoelievezels, in pastelachtige tinten.

Al sinds de achttiende eeuw bestaat er papierbehang, eerst geplakt op een bespanning en later koud op de muur. Begin twintigste eeuw werd behang een massaproduct. In 1921 nam de firma Rath & Doodeheefver een behangfabriek in gebruik en in 1929 ging de firma Goudsmit-Hoff (GH) in Amsterdam behang fabriceren. In 1947 startte de Fabriek van Behangselpapier Gebr. Sanders in Delfgauw. In 1960 begon Jac. Cohen een fabriek in Rijen, die in 1970 werd overgenomen door GH, die op zijn beurt in 1980 werd overgenomen door Rath & Doodeheefver. De eenvoudigste soort behang is onbedrukt papier. Minder glad is het rauhfaser, met houtvezels gelijmd tussen twee lagen papier waardoor een lichte structuur ontstaat. Simpel is ook het naturelbehang met eenvoudige lichte dessins in kleur die niet het gehele papier bedekken. Deze behangsoorten zijn niet heel lichtecht met als gevolg dat het papier in de loop der tijd vergeelt.

Zogeheten ‘dekker behang’, of volgedekt behang, heeft een volledige dekkende kleurlaag of fond waarop in een extra drukgang een dessin kan worden aangebracht en is lichtechter. Daarnaast is er het gaufrage behang, waarin een patroon is geperst. Een stap verder ging het vanaf 1948 verkrijgbare plastiekbehang, of brijdrukbehang, met op het papier een in reliëf aangebrachte verflaag. Dit werd de meest populaire behangsoort. Bij volgedekt en plastiekbehang kon de verfstof ook worden bewerkt, waardoor het een zekere mate van afwasbaarheid kreeg. Een variant was het veloutébehang, een imitatie van het textiele velours d’Utrecht. Dit ‘floersbehang’ had een lange geschiedenis en werd gemaakt door het behangpapier met behulp van een sjabloon aan de bovenzijde te voorzien van een lijmlaag. In de lijm werd met een zeef fijn gemalen scheersel van gekleurde wol gestrooid. In de twintigste eeuw werden de vezels op elektrostatische wijze aangebracht, waardoor de dessins een gelijkmatiger effect en een fluweelachtige uitstraling kregen.

De Stichting Goed Wonen streefde naar een sobere en functionele woninginrichting en daarbij pasten geen kleurige designs. Tussen 1956 en 1959 brachten ze in samenwerking met Rath & Doodeheefver een collectie Goed Wonen uit. Rath & Doodeheefver zocht in de jaren vijftig contact met de textielindustrie en ontwikkelde samen met P.F. van Vlissingen & Co. (Vlisco) in Helmond een lijn waarbij het behang werd afgestemd op de gordijnen. Na 1960 kwamen meer kleuren en vormen weer in de mode. Er verschenen designs met grote patronen met cirkels en psychedelische motieven in kleuren als paars, oranje, groen en tinten bruin. Ook was er invloed van Engelse Laura Ashley-motieven. Halverwege de jaren zeventig keerde men weer terug naar wit. Ondertussen zorgde de groeiende doe-het-zelfmarkt ervoor dat in 1975 80% van de mensen hun behang zelf plakte. Voor die doelgroep kwam zelfklevend behang op de markt.

Echt afwasbaar waren de behangsoorten met op de ondergrond van papier een laagje pvc. Rath & Doodeheefver bracht in de jaren zestig Rado-vinyl op de markt en hun concurrent Goudsmit-Hoff, in samenwerking met Balatum te Huizen, het vergelijkbare Balacuir. Zij produceerden ook licht afwijkende varianten onder naam Balarex en Balamur. Daarnaast bestonden er rijkere behangsoorten, zoals het elders genoemde lincrusta (op basis van linoleum) en het cuir of leerpapier (een imitatie goudleerbehang). De Salubra-behangfabriek in Grenzach bracht onder de naam Salubra behang uit met als afwerking een taaie olieverflaag. In de jaren zeventig kwamen daar nog twee soorten bij die tot het behang gerekend konden worden. Vanuit Frankrijk kwam vanaf 1969 Somvyl op de markt, van Sommer Allibert in Sedan (afb. 6). Dit werd gemaakt van elastisch pvc schuimvinyl (mural mousse) van 2,5 millimeter dik dat onder meer werd toegepast in badkamers. Het was goedkoop en makkelijk schoon te maken.

Ook de fabriek in Huizen produceerde in navolging van Sommer in de jaren zeventig schuimvinylbehang, maar vanaf de jaren tachtig richtte het bedrijf zich op vinyl projectwandbekleding op papierbasis onder de naam Durafort. Vanaf 1972 kwam fotobehang op de markt, zowel wandvullend als in de vorm van deurposters. In feite waren dit grootformaat posters, met afbeeldingen van zonnige stranden, bomen of popgroepen. De eerste fotobehangsels werden gemaakt bij Scandecor in Wijk bij Duurstede.

Het pand in Rijen kende vele eigenaren en bombardementen tijdens de oorlog. In oktober 1911 werd de fabriek klaar en werd het gebouw opgeleverd in opdracht van de Lederfabriek Noord-Brabant. Het ontwerp kwam van P. Aarts uit Rijen. Tot 1941 werden er toevoegingen gedaan en bleef er overzichtelijke eenheid in het complex. Op 3 september 1944 werd de fabriek zwaar getroffen door een geallieerde luchtaanval op vliegveld Gilze-Rijen, waarna de boel gedeeltelijk werd herbouwd. In 1947 werd besloten tot volledige restauratie; de schoorsteen en de watertoren bleven staan en er kwam een machinekamer/elektriciteitscentrale/hoogspanningsruimte bij. De leermarkt stortte in en rond 1956 vroeg de fabriek Noord-Brabant faillissement. Een volgende eigenaar, J. Verbunt uit Dongen, bleef korte tijd actief en sloot de poorten in juni 1959 definitief.

Een jaar later kreeg het gebouw een geheel andere functie: behangfabriek onder leiding van I. Cohen uit Rotterdam. Verdere aanpassingen volgden: nieuw kantoor, ketelhuis naast de schoorsteen, oud ketelhuis als kantine, productiehal als ververij/drukkerij, magazijn en laad- en losruimte. De fabriek kreeg toen de naam Nederlandse Behangpapier Industrie N.V. In 1971 werd de naam Goudsmit-Hoff. In 1970 werd de fabriek overgenomen door GH en in 1980 door Rath & Doodeheefver, waarna tot 1998 productie plaatsvond onder deze naam. In 1998 ging Rath & Doodeheefver failliet en stond het pand leeg. Vanaf 2008 was er weer activiteit bij het gebouw: het terrein werd opgekocht door een particulier bouwbedrijf voor woningbouw. Begin 2009 kwam naar buiten dat het fabriekspand niet behouden kon blijven. Vanaf 2021 wordt bekend dat InfoNu geen nieuwe artikelen meer publiceert over dit onderwerp.

Historisch beeld van een behangfabriek en wandbekleding uit de mid-20e eeuw

tv4 - De opkomst van handel en ambacht die de basis legde...

Table met belangrijke data:

JaartalGebeurtenis
1911Fabriek Noord-Brabant in Rijen opgeleverd
1944Bombardement Gilze-Rijen raakt fabriek zwaar
1947Fabriek heropgebouwd
1956-1959Faillissement Noord-Brabant na leermarktcrisis
1960Jac. Cohen start behangfabriek in Rijen
1971Naam: Goudsmit-Hoff
1980Overname door Rath & Doodeheefver
1998Faillissement Rath & Doodeheefver; pand leeg
2008Terrein gekocht voor woningbouw
2009Pand niet behoudbaar volgens berichten

tags: #goudsmit #hoff #behang #enschede