Een relais is een door een elektromagneet bediende schakelaar die een willekeurig aantal contacten kan openen of sluiten. Met een relatief kleine spanning kan een relais een veel grotere spanning schakelen, waardoor een microschakelaar een groot elektrisch apparaat in werking kan stellen zonder de hoge spanning direct op de schakelaar te hoeven dragen.
Het belangrijkste deel van een relais is de spoel. Zodra hier spanning op wordt gezet, ontstaat een elektromagnetisch veld en trekt dit veld de ijzeren kern magnetisch aan. Hierdoor maakt de schakelaar (die verbonden is met een common aansluiting) verbinding met een van de contacten. Wanneer de spanning weer wordt verwijderd, veert de schakelaar terug naar het initiële contact.
Waarom een relais gebruiken?
Relais zijn verkrijgbaar als kant-en-klare modules of als losse componenten voor in eigen projecten. Ze worden gebruikt om met een kleine stuurstroom een groter stroomcircuit te schakelen, bijvoorbeeld om een groot apparaat te activeren via een microschakelaar. Dit voorkomt dat de hoge spanning direct door de bedieningsschakelaar gaat en verhoogt de veiligheid door isolatie tussen stuur- en hoofdstroom.
Daarnaast maakt een relais het mogelijk om verschillende toepassingen te bedienen via een ECU of een tijdrelais, met voordelen zoals automatisering, comfort en veiligheid. Zo kan een relais plusgeschakeld of massageschakeld worden, en kan de ECU de verbruiker inzetten of uitschakelen afhankelijk van sensorsignalen of bedrijfsomstandigheden.
Keuze tussen vierpolige, vijfpolige en mini-/microrelais
Een vierpolig relais is de meest gebruikte variant en schakelt een zware belasting via de hoofdcontacten. Een vijfpolig relais maakt het mogelijk om tussen twee accessoires te wisselen en wordt vaak toegepast bij grootlichtcircuits. Microrelais zijn compacter maar hebben vaak een lagere schakelingcapaciteit, terwijl standaard relais veelal tot 25 A of hoger kunnen schakelen. Zware relais kunnen tot 200 A aan, maar zijn groter in formaat.
Bij toepassing in autorisaties en verlichtingssystemen is het belangrijk om het relais te kiezen op basis van de benodigde hoofdstroom, de gewenste schakelfrequentie en de mechanische afmetingen in de installatie. Mocht onzekerheid bestaan, kan men altijd contact opnemen voor advies.
Aansluitschema en praktische stappen
- Aanvankelijk aansluiten van de verbruiker: sluit de hoofdverbruiker (bijv. een grootlicht of ventilator) aan op de hoofdcontacten van het relais (bijv. 30 en 87). De hoofdstroom gaat via de relaiscontacten, terwijl de stuurstroom via de spoel wordt aangestuurd.
- Aansturing van de spoel: sluit de stuurstroom aan op A1 en A2. Polairiteit is belangrijk bij DC-spanning, zoals 12 V of 24 V.
- Aansluiten van de stuurstroom: de stuurstroom wordt doorgaans laag gehouden (0,15-0,2 A); de spoel trekt magnetisch aan en schakelt de hoofdcontacten.
- Beveiliging en signaalomleiding: zet een diode parallel met de spoel om piekspanningen na uitschakeling af te voeren. Voor extra galvanische isolatie kan een optocoupler worden toegepast.
- Montage en locatie: monteer het relais op een DIN-rail of op een stabiele brugplaat in de zekeringkast. Gebruik duidelijke labeling en zorg voor voldoende ruimte tussen naast elkaar geplaatste relais om erspanningen te voorkomen.
- Testen: voer spanningsmetingen uit op de vier relevante pinnen (86, 85, 30, 87) ten opzichte van massa bij uitgeschakeld en ingeschakeld relais om te controleren of sturen en schakelen correct verloopt.
- Veiligheidsaspecten: zorg voor correcte zekeringen en kabeldiktes langs alle verbruikers. Let op dat de bedrading de maximale belasting kan dragen en dat fouten zoals lekstroom of verbrandde schakelaars vermeden worden.
Bedienings- en storingsanalyse
Wanneer een verbruiker niet werkt, kunnen vier metingen op het relais helpen: spanning op 86, 85, 30 en 87 ten opzichte van massa. Bij een uitgeschakeld relais meet men bijvoorbeeld 12 V op 86 en 85; 12 V op 30 en 0 V op 87. Bij ingeschakeld relais meet men 12 V op 86 en 12 V op 30, terwijl 0,1 V resteert op 85 en 12 V op 87. Deze V4- en V3-metingen helpen om of de spoel, de bedrading, de schakelaar of het aangesloten apparaat defect is.
Veel voorkomende storingen omvatten onderbrekingen in de spoel, open circuits tussen 85 en de schakelaar, plakkende contacten waardoor de last blijft hangen, of een defecte zekering die door te hoge belasting is gevaren. Bij constateren van spanningverlies tussen 30 en 87 kan het assertief zijn dat het spanningsverlies in het relais zelf optreedt. Een draadbreuk of defect aan het verbruikermodel zelf kan ook leiden tot niet-werking ondanks correct schakelsignaal.
Locaties van relais in voertuigen verschillen; ze kunnen in de zekeringkast, op een relaisplaat of in de motorruimte gemonteerd zijn. Het juiste aansluidschema blijft in alle gevallen gelijk: stuurstroom bestuurt hoofdcontacten die de load schakelen. Een goede praktijk is om het relais samen met de bijbehorende schakelaar en bedrading in dezelfde stroombaan te plaatsen om kabelsterkte en signaalkwaliteit te waarborgen.
Praktische toepassingen
Relais vinden brede toepassing in woning- en auto-elektronica, onder meer voor het aansturen van motorventilatoren, claxons, achterruitverwarmingen, ECU’s, brandstofpompen, en grootlicht- of mistlichtsystemen. Voor automatisering kunnen relais worden ingezet in combinatie met tijdrelais of domotica-systemen. Een goed ontworpen aansluitschema zorgt ervoor dat de bedieningsschakelaar of ECU de gewenste belasting veilig en betrouwbaar schakelt.

Voor wie een grootlichtrelais met schroefgat zoekt, is het belangrijk te controleren of het relais geschikt is voor de gewenste stroom en spanning, en of het fysiek past binnen de ruimte van de montagesectie. Een schroefgatrelais biedt extra mechanische stabiliteit in montagekasten en relaisplaatjes, wat vooral handig is bij zwaardere belastingen zoals grootlichtsystemen in voertuigen.
Werkenbijlicht - Relais Aansluiten
Stappenplan voor installatie van een grootlichtrelais
- Controleer de technische specificaties van het relais: schakelkvermogen, spoelspanning en aansluitmethode.
- Maak de groepenkast spanningsloos en monteer het relais op een DIN-rail of geschikte montageplaat.
- Aansluiten van de spoel: verbind A1 en A2 met de stuurspanning, houd rekening met polariteit bij DC.
- Aansluiten van de schakelkontakten: sluit het vermogen (bijv. grootlicht) aan op 30 en 87; controleer de polariteit en de beveiliging.
- Voeg eventueel een diode parallel met de spoel toe en overweeg optocoupler voor extra isolatie.
- Label bedrading en test het systeem: voer spanningsmetingen uit bij uitgeschakeld en ingeschakeld relais.
- Controleer de werking en documenteer de installatie conform relevante normen en keurmerken.
Als er vragen blijven bestaan, kunnen vakprofessionals of Solyd-specialisten verdere assistentie bieden bij de juiste keuze van relais en het correcte aansluitschema.
tags: #grootlichtrelais #met #schroefgat