Regelmatig ontvangen wij vragen over geweien en hoorns. Om u sneller van dienst te kunnen zijn, hebben wij een overzicht samengesteld met veelgestelde vragen. Staat uw vraag er niet bij? Neem dan gerust contact met ons op.
Onderhoud van Herten Geweien en Schedels
Geweien hebben slechts zeer beperkt onderhoud nodig. Normaal gesproken is afstoffen met een schone, droge doek voldoende. De schedel kan, indien van toepassing, af en toe worden opgefrist met een lauwwarm sopje. Mocht een gewei buiten komen te hangen, dan is het een overweging de schedel in te spuiten met blanke (matte) vernis om vocht buiten te houden. Het gewei zelf zal door het weer vergrijzen. Inwrijven met bijenwas zorgt voor kleurbehoud en voorkomt al te sterke uitdroging.
Bij preparaten geldt het motto: "hoe minder je eraan komt, hoe minder hij te lijden heeft". Ook hier zijn tips om de levensduur te verlengen van toepassing. De liggende delen, zoals de rug, kunnen af en toe met een plumeau of een stofzuiger met zachte borstel stofvrij worden gemaakt.
Hangt het preparaat niet buiten in verband met vocht, ongedierte en vogels, hang hem dan ook niet direct boven een sterke warmtebron zoals een potkachel, vanwege uitdroging. Vermijd daarnaast een plaats in de felle zon, want het preparaat zal na verloop van tijd gaan verbleken.
U ontvangt bij ons uitsluitend de stukken die op de foto's staan. Om een goede indruk te geven, zijn de stukken van verschillende kanten gefotografeerd. Onze geweien en preparaten zijn doorgaans zo goed als geurvrij. Specifieke soorten, zoals de steenbok, kunnen een lichte geur met zich meedragen.
Naast onze geweien en hoorns bieden wij ook de mooiste dierenhuiden aan via ons zusterbedrijf Lederstore.nl. Deze dienen wel separaat besteld te worden.

Het Edelhert: Koning van het Park
Het edelhert wordt wel de koning van het park genoemd, vooral vanwege het uiterlijk van een volwassen mannetje. In het park leven ongeveer 160 edelherten. De mannetjes (herten) leven het grootste deel van het jaar samen in groepen die we roedels noemen. Edelherten zijn herbivoren, wat betekent dat ze plantaardig voedsel eten.
Het Gewei van het Edelhert
Alleen de mannetjes hebben een gewei, dat ze ieder jaar in het voorjaar afwerpen. Direct daarna begint een nieuw gewei te groeien, dat in juli of augustus volgroeid is. Wanneer het gewei volgroeid is, begint de bast die het gewei omkleedt te jeuken omdat deze afsterft.
Afwerpen en opbouwen van het gewei: Elk jaar werpen de mannelijke herten hun gewei af. Het tijdstip van afwerpen wordt bepaald door de hoeveelheid mannelijk geslachtshormoon. Deze zorgen voor de vorming van reuzencellen, ook wel beencellen genoemd. Deze cellen zorgen ervoor dat de rozenstok en het gewei los van elkaar komen te zitten. De volwassen herten (6 jaar en ouder) werpen hun gewei af vanaf begin februari tot begin maart. De spitsers en niet-volwassen herten houden hun gewei langer op, afhankelijk van hun leeftijd, van begin maart tot begin mei. Meteen na het afwerpen wordt begonnen met de opbouw van het nieuwe gewei, met de groei van huid over de rozenstok. De rozenstok behoort tot het skelet en vormt de basis waarop het gewei wordt gevormd. De rozenstok wordt ieder jaar korter en breder. Het onderste deel van het gewei is de rozenkrans, welke bij het jaarling hert echter nog ontbreekt. De geweistang bestaat verder uit een aantal enden en (meestal) een kroon. De enden hebben ieder een eigen naam: oogtak, ijstak, middentak, wolfstak en kroon (welke uit meerdere enden bestaat). De ijstak ontbreekt regelmatig en de wolfstak meestal. Het eerste gewei dat een hert (de jaarling) opzet, bestaat meestal uit twee rechte stangen zonder vertakkingen; daarom spreekt men vaak over een spitser.
Leeftijd en geweivorming: Het eerste gewei komt in september in het jaar volgend op het geboortejaar. Het hert wordt dan een spitser, een 1e kops hert genoemd. Hij bevindt zich in zijn 2e levensjaar, maar is dus 1 jaar oud. Zo is een 5e kops hert 5 jaar (en een aantal maanden) oud. Het gewei wordt in de loop der jaren groter (meer enden) en zwaarder. Herten hebben tussen hun 8e en 12e jaar meestal hun 'grootste' geweien. Na hun 12e jaar kan het 'terugzetten' beginnen, het gewei wordt weer kleiner en lichter. Het aantal enden aan het gewei is geen betrouwbare indicator voor de leeftijd van het hert.
Vorm en grootte van het gewei: De vorm van het gewei is erfelijk bepaald. De grootte van het gewei (niet het aantal enden, maar de zwaarte en de forsheid) is een goede weerspiegeling van de voedselkwaliteit in de biotoop. In een goed biotoop zijn de geweien gemiddeld forser en zwaarder (evenals het lichaamsgewicht) dan in een slecht biotoop. Het is daarom niet zinvol om herten met zware geweien in een biotopisch minder geschikt gebied uit te zetten in de hoop op herten met zware geweien. De invloed van een rijk biotoop op het gewei is goed te zien aan de ontwikkeling die volgde op de introductie van Veluwse edelherten in de Oostvaardersplassen: het gewicht van een geweistang van een 12-jarige hert nam toe van 2,6 kg naar 4,28 kg het jaar erop. Nadat de beschikbare hoeveelheden voedsel/mineralen per hert verminderden, liepen ook de geweigewichten terug tot minder dan 3 kg.
De geweien van herten zien er allemaal verschillend uit; ieder hert is dan ook aan zijn geweienopbouw te herkennen. De vorm (kroon/geen kroon) en het aantal enden is genetisch bepaald. Na het afwerpen groeit het nieuwe gewei in 4,5 maanden weer aan, in deze tijd bedekt door een fluweelzacht vel, de bast genoemd. Dit is zeer gevoelig en rijk doorbloed.

Gedrag tijdens de Bronsttijd
Vlak voor de bronsttijd, die ieder jaar in september plaatsvindt, gedragen de mannetjes zich anders. Ze verlaten hun roedel en trekken er alleen op uit. Hun veranderende hormoonhuishouding, met een toename van testosteron, zorgt ervoor dat ze ook uiterlijk veranderen. In de bronsttijd gaan de herten op zoek naar vrouwtjes (hindes) en proberen ze te imponeren met een soort gebrul: het burlen. Dit geluid kan worden omschreven als iets tussen het brullen van een leeuw en het loeien van een stier. Soms komt het tussen twee herten tot een gevecht. Hoe groter de harem die een hert weet te verwerven, hoe meer nageslacht hij het jaar erop krijgt.
Ieder jaar in september trekken veel natuurliefhebbers naar het park in de hoop iets mee te krijgen van de rituelen die horen bij de bronsttijd. Er worden ook bronstexcursies georganiseerd, waarbij je onder leiding van een natuurgids op pad gaat.
Betekenis voor het Landschap en de Natuur
Edelherten brengen meer leven in het landschap met hun gedrag en graasgewoonten. Ze horen er oorspronkelijk thuis en zijn zelfs een onmisbare schakel. Dit uit zich in kleinere zaken, zoals hun eigenschap om in de bodem te ‘zoelen’ en met hun gewei langs bomen te ‘vegen’. Hiermee maken ze letterlijk plaats voor tal van andere dier- en plantensoorten. Maar de invloed van het hert speelt ook op een veel grotere schaal. Edelherten grazen bij voorkeur in de overgangszones van bos naar open gebied, waardoor ze deze overgangszones breed en rijk aan structuur maken. Zulke natuurlijke overgangen zijn bijzonder rijk aan planten en dieren.
In ons huidige, edelhertloze landschap zijn we gewend geraakt aan harde, abrupte overgangen tussen bos en open cultuurland. Deze harde landschapsgrenzen herbergen maar een fractie van de oorspronkelijke natuurlijke rijkdom. Met de terugkeer van het edelhert keert ook dit halfopen landschap terug.
Geweicyclus van herten
Leefwijze van Edelherten
Edelherten leven het grootste deel van het jaar in groepen (roedels), met uitzondering van oude herten. Vrouwtjesherten (hindes) en tot twee jaar oude jongen (smaldieren en kalveren) leven met hun groepen onder aanvoering van een leidhinde. De mannetjesherten leven het grootste deel van het jaar in hun eigen groep. Van eind augustus tot half oktober, tijdens de ‘bronst’, is dit anders. Dan ontstaat er strijd tussen de bokken en proberen de sterkste bokken een groep hindes als ‘harem’ bijeen te houden. Dit gaat gepaard met veel en langdurige gevechten. Zij imponeren elkaar onder andere met gewei en bronstroep (burlen). De sterkste wordt tijdelijk leider van de roedel (zogenaamd plaatshert) en dekt de hindes.
Het Gewei: Een Jaarlijks Vernieuwend Sieraad
Het gewei van een edelhert wordt ieder jaar in de nawinter afgeworpen. Hierna begint een nieuw, groter gewei te groeien dat aan het begin van de zomer compleet is. Pas wanneer de dieren oud en minder vitaal worden, stopt de geweigroei. In de bloei van hun leven kunnen geweien wel tot 1.20 meter breed uitgroeien en 15 kilo wegen. Aanvankelijk zit er om het nieuwe gewei nog (bast-)huid. Als het gewei volgroeid is, sterft de basthuid af. Een hert ‘veegt’ de vellen af aan bomen en struiken. Dit gebeurt soms met zoveel geweld dat de bomen het loodje leggen. Met dit ‘vegen’ markeert het hert zijn territorium. In de bronsttijd maken herten, om dezelfde reden, met hun voorpoten ook modderpoelen die ze met urine besprenkelen. Deze zogenoemde ‘zoelbaden’ zijn dan op verschillende plekken te vinden.
Betekenis voor Toerisme en Recreatie
De Veluwe en de Ardennen danken een deel van hun bekendheid aan de herten die er in het wild leven. In die streken is het hert uitgegroeid tot hét natuursymbool. De bronsttaferelen trekken jaarlijks veel bezoekers. In gebieden waar edelherten voorkomen, profiteert een reeks aan toeristisch-recreatieve ondernemingen zoals hotels, bed-and-breakfasts, campings en excursiebureaus direct of indirect van hun aanwezigheid. Dit economische aspect blijft vaak onderbelicht en onderschat. Wandelen, fietsen of kamperen in een omgeving waar edelherten leven, is een belevenis voor jong en oud. Een herintroductie kan dus ook worden gezien als een bijzondere impuls voor plattelandsontwikkeling.
Edelherten in het KempenBroek en het Groene Woud
Sinds 2005 leven er weer edelherten in het Weerterbos. Samen met eigenaar Limburgs Landschap bracht ARK deze dieren terug in Limburg. Vooralsnog leven ze in omheind gebied, maar de wens is dat de herten in de toekomst door het uitgestrekte KempenBroek kunnen zwerven. In 2017 heeft ARK samen met Brabants Landschap het edelhert ook teruggebracht in de Brabantse natuur na ruim anderhalve eeuw afwezigheid.
Jachttrofeeën: Preparatie en Waardering
Een vroeger veel verleende dienst door Bos en Fauna was het prepareren van jachttrofeeën. Deze dienst wordt inmiddels niet meer aangeboden, de focus ligt nu geheel op de opleiding van preparateurs. Toch worden jachttrofeeën nog altijd erg gewaardeerd, niet alleen door jagers, maar ook door mensen die een mooi gewei in of aan het huis willen hebben hangen.
Het goed bereiden van een jachttrofee is een serieuze klus. Kort gezegd worden de schedels schoongemaakt, eventueel hersteld en gebleekt. Daarbij wordt zo veel mogelijk vet uit de schedel verwijderd om te voorkomen dat de schedel op den duur gaat ‘zweten’, wat zich uit in een glimmende gele verkleuring. Na een goede behandeling zijn de trofeeën gegarandeerd vrij van bacteriën.
Al naar gelang de wens kunnen jachttrofeeën met of zonder kaken worden afgeleverd. Ook kan de hele schedel of alleen met het neusbeen geprepareerd worden. Steeds populairder zijn afworpstangen van herten. Door het natuurlijke proces wordt het gewei jaarlijks afgeworpen. Een mooie set stangen kan gemonteerd worden op een kunstschedel. In onze webshop vindt u daar meer informatie over.
In de meeste gevallen wordt de jachttrofee gemonteerd op een standaard muurplank, maar er is ook keuze uit andere modellen. U kunt deze bekijken in onze webshop onder ‘trofeebewerking’. Uiteraard kunt u hier ook alle materialen bestellen om zelf uw jachttrofee te maken en te onderhouden.
Het Groot Tegels Hert: Een Prehistorische Voorouder
De Nederlandse naam van het groot Tegels hert verwijst naar de belangrijkste vindplaats van dit hert in ons land: de kleigroeves bij het Limburgse Tegelen. Daar zijn ook fossiele botten van een kleiner hert gevonden, Cervus rhenanus. Eucladoceros wordt daarom aangeduid met groot hert.
In grootte was dit dier vergelijkbaar met het edelhert en het had, net als deze recente soort, een uitbundig vertakt stanggewei. Het groot Tegels hert laat zich qua uiterlijk het best vergelijken met het edelhert, maar het was met een schofthoogte van 1,8 meter en een lengte van 2,5 meter wel groter. Beide soorten hebben een stanggewei.
Men kan veronderstellen dat het groot Tegels hert een levenswijze had die overeenkwam met die van het edelhert, maar analyse van sporen op het glazuur van de kiezen heeft aangetoond dat het groot Tegels hert zich voedde met takken en bladeren. Het edelhert heeft daarentegen een gevarieerder dieet: naast takken en bladeren eet hij ook gras, wortels en knollen. Edelherten kunnen dan ook overleven in tal van verschillende milieus, alhoewel ze een voorkeur hebben voor een bosachtige omgeving. De vele fossielen van het groot Tegels hert uit Tegelen, waarvan de fossiele flora en fauna ook duiden op bos, bevestigen ook dat dit dier zich thuis voelde in een meer bosachtige omgeving.
Nog niet zo lang geleden had ieder land zijn eigen soort Eucladoceros. De Nederlandse vondsten werden bijvoorbeeld E. teguliensis genoemd. Het is onlogisch dat er zoveel verschillende soorten zouden zijn met ieder een beperkte verspreiding, zeker gezien het feit dat het edelhert vandaag de dag een enorme verspreiding heeft. Nederlandse paleontologen wisten aan te tonen dat met al die verschillende namen vrijwel steeds dezelfde soort werd aangeduid. Toen werd ook duidelijk dat deze soort een enorm verspreidingsgebied had en door heel Europa en zelfs tot in Azië voorkwam. De bloeiperiode van het groot Tegels hert lag in het Vroeg-Pleistoceen, maar er zijn ook vondsten gemeld uit het Plioceen en het Midden-Pleistoceen. Over de evolutie van het groot Tegels hert valt weinig te zeggen; het is niet duidelijk welke soort of welk geslacht de voorouder van dit hert geweest is. Het geslacht Eucladoceros zelf is een doodlopende tak; geen van de recente soorten is een directe afstammeling ervan.
De belangrijkste vindplaats voor het groot Tegels hert in ons land is Tegelen. Hier is onder andere een compleet gewei gevonden dat nu is opgesteld in Teylers Museum in Haarlem. De tweede belangrijke vindplaats is de Oosterschelde, waar tal van resten zijn opgevist. Van alle skeletonderdelen van het hert, worden geweien het vaakst als fossielen gevonden. Enerzijds omdat geweien uit bot bestaan (hierdoor zijn ze hard en resistent tegen verwering), anderzijds omdat er elk jaar een nieuw gewei op de kop groeide, dat vervolgens weer werd afgeworpen. In de loop van zijn leven produceerde een mannetje dus meerdere geweien. Deze feiten maakten de kans op fossiliseren aanmerkelijk groter.
