Betekenis van voeging en tussenkomst in civiele procedures volgens art. 217 Rv en aanverwante regels

Als u wilt deelnemen aan een gerechtelijke procedure kunt u kiezen voor een voeging of tussenkomst. Wij vertellen u meer info. Wanneer tussen twee andere partijen een gerechtelijke procedure aanhangig is, kan u belang hebben daar aan deel te nemen. Als u wilt aansluiten bij een partij dan heet dat voeging. Als u zelfstandig wilt deelnemen aan de procedure dan heet dat tussenkomst.

De vordering tot voeging of tussenkomst: wat is het en wanneer geldt zij?

De vordering tot voeging of tussenkomst

De vordering om te voegen of tussenkomen moet als incident in de al lopende procedure worden ingesteld. Een partij heeft voldoende belang bij een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst (art. 217 Rv) als zij nadelige gevolgen kan ondervinden van de uitspraak in het geding waarin zij zich wil voegen of wil tussenkomen. Van belang zal al vrij snel sprake zijn. De vordering kan echter worden afgewezen, zelfs als u voldoende belang heeft. Bijvoorbeeld als dit de lopende zaak onredelijk zou vertragen. Ook andere eisen van de goede procedure kunnen ervoor zorgen dat de vordering wordt afgewezen. Dus zelfs als een incidentele vordering tot voeging voldoet aan de wettelijke eisen, kan deze toch worden afgewezen.

Praktisch korte voorbeeld

Recent voorbeeld: Bij het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch diende een zaak over het verwijt van omwonenden dat de gemeente Maashorst onrechtmatig handelt en heeft gehandeld. De omwonenden meenden onvoldoende gelegenheid tot inspraak te hebben gehad. Daarop startten zij een kort geding tegen de gemeente. De voorzieningenrechter heeft daarin de gemeente verboden om asielzoekers in het hotel te huisvesten. Het COA is belast met de opvang van asielzoekers. Pas in hoger beroep vordert het COA zich te mogen voegen aan de zijde van de gemeente. Het COA was dus geen partij in het kort geding in eerste aanleg. De vordering tot voeging werd toegewezen om de simpele reden dat het kort geding vonnis nadelige gevolgen heeft voor het COA. Die kan immers op korte termijn niet de asielzoekers huisvesten.

Wanneer kunt u zich voegen of tussenkomen?

Vragen over voeging en tussenkomst? Heeft u vragen over voeging of tussenkomst? Wilt u zich mengen in een procedure tussen twee andere partijen? Heeft u een andere vraag van procesrechtelijke aard? Het appelprocesrecht kent verschillende valkuilen die de kansen op een succesvol hoger beroep en daaropvolgend cassatieberoep verkleinen. Kennis daarvan is dus van groot belang. In deze blogreeks ‘procederen in hoger beroep’ belichten onze cassatieadvocaten steeds vanuit praktisch perspectief een aspect van een belangrijk appelprocesrechtelijk leerstuk.

Art. 217 Rv biedt ieder die daarbij een belang heeft de mogelijkheid zich - binnen de grenzen van de goede procesorde - in dagvaardingsprocedures te voegen in een tussen andere partijen aanhangig geding. Art. 217 Rv geldt zowel voor de bodemprocedure als voor het kort geding. Verder geldt de bepaling op grond van 353 Rv ook in hoger beroep. De cassatiekoppelbepaling van art. 418a Rv verklaart art. 217 Rv overigens niet van toepassing voor de vorderingsprocedure in cassatie. Art. 418a Rv vermeldt wel titel 10, afdeling 7-9 en 11-13, maar niet afdeling 10 waarvan art. 217 Rv deel uitmaakt. De Hoge Raad aanvaardt desalniettemin dat voeging eerst in cassatie mogelijk is.

Drie opties voor voeging en gevolg voor procespositie

Ondertussen maakt het voor de processuele mogelijkheden van een voegende partij wel verschil op welk moment de voeging heeft plaatsgevonden en langs welke lijn die partij bij de volgende instantie betrokken raakt. Er bestaan in essentie drie opties: (i) een partij voegt zich in een eerdere instantie en wendt een rechtsmiddel aan, (ii) een partij voegt zich eerst in de hogere instantie of (iii) een gevoegde partij wendt geen rechtsmiddel aan, maar voegt zich opnieuw in de hogere instantie. Een partij die zich in eerste aanleg (of hoger beroep) heeft gevoegd, kwalificeert als procespartij bij die procedure. Het rechtsmiddel van hoger beroep en cassatie staat enkel open voor partijen (art. 332 en 398 Rv). Om het rechtsmiddel te kunnen aanwenden is wel vereist dat de gevoegde partij daarbij een belang in de zin van art. 217 Rv heeft. Bij gebrek aan belang volgt niet-ontvankelijkheid.

Als de partij aan wier zijde is gevoegd een rechtsmiddel aanwendt, dan zal het eigen belang van de gevoegde partij in de regel zijn gegeven. Wenden die partij of haar wederpartij geen rechtsmiddel aan, dan staat de rechtsbetrekking tussen partijen vast en heeft de gevoegde partij veelal geen belang bij een eigen hoger beroep of cassatieberoep. Uitgesloten is dat echter niet. Gevoegde partijen kunnen soms ook een zelfstandig art. 217 Rv-belang hebben om het rechtsmiddel aan te wenden tegen de eerdere uitspraak, omdat zij de feitelijke of juridische gevolgen daarvan voelen. Dat zelfstandige belang bestaat uiteraard in ieder geval indien de gevoegde partij zelf gebonden zou raken aan het gezag van gewijsde van die uitspraak omdat zij zelf partij is bij de rechtsbetrekking in geschil. De gevoegde partij raakt daaraan dan immers op de voet van art. 236 lid 1 Rv gebonden.

Een partij die zich eerst in hoger beroep of cassatie voegt komt geen rechtsmiddel toe en kan dus geen grieven of cassatieklachten richten tegen het eerdere arrest. De rol van een dergelijke voegende partij is dus beperkt tot het met argumenten ondersteunen van de partij aan wier zijde zij zich heeft gevoegd. De processuele positie van de voegende partij is als gevolg daarvan ingeknmen. Zij is gebonden aan de stand van de procedure waarin zij zich op het moment van voeging bevindt. Verder wordt die partij gebonden aan de door de grieven (of middelen) getrokken grenzen van de rechtsstrijd. Zij kan haar argumenten dus slechts aandragen binnen die grenzen.

Het is ten slotte denkbaar dat een partij al in een eerdere instantie is gevoegd, maar tegen de uitspraak geen rechtsmiddel aanwendt. Die partij mag zich, behoudens strijd met de goede procesorde of misbruik van recht, in de hogere instantie wel voegen, indien de partij aan wier zijde zij zich had gevoegd zelf een rechtsmiddel aanwendt. De vraag rijst uiteraard of de gevoegde partij in dat geval nog zelf eigen grieven mag formuleren. Dat is niet het geval. De gevoegde partij heeft immers geen rechtsmiddel aangewend, maar maakt gebruik van de voegingsmogelijkheid die aan iedereen toekomt die voldoet aan de eis van art. 217 Rv. Haar beweegruimte is dan dus beperkt tot de in de vorige alinea omschreven grenzen.

De tussenkomende partij en de vorderingen

In de context van tussenkomst stelt de derde in de procedure een eigen vordering. De derde die zich in de rechtsstrijd wil mengen, moet uiteraard net als iedere procespartij een (eigen) belang hebben (art. 217 Rv). Daarvoor is voldoende, dat de uitkomst van de procedure van invloed kan zijn op de rechtspositie van de derde die aan de procedure wil deelnemen. Er moet zoals de Hoge Raad het omschrijft: “sprake zijn van een belang van de verzoeker om benadeling of verlies van een hem toekomend recht te voorkomen” (HR 14 maart 2003 commissie transactie AVCB Holding). De Hoge Raad oordeelde daarbij, dat de tussenkomende partij (“C”) er ook belang bij kan hebben tussen te komen, als A van B eist, wat C van B te vorderen heeft. Het oordeel van het Hof, dat er geen belang bij tussenkomst is, omdat het recht van C om B zelf in rechte te betrekken niet wordt aangetast, is niet juist. Het kan immers efficiënt zijn tussen te komen in de reeds lopende procedure.

Infographic: Overzicht voeging vs tussenkomst (voorwaarden, moment, gevolgen)

Concreet: regels rondom de termijn en vorm van de voegingsprocedure

De tussenkomst of voeging belemmert de voortgang in de procedure. In zijn arrest ...

Wanneer de incidentele vordering wordt afgewezen, kan de derde meteen hoger beroep instellen. In de overige gevallen kan dit - net als ten aanzien van andere tussenvonnissen - pas wanneer hoger beroep tegen de einduitspraak mogelijk is (art. 337 Rv). Als een procespartij failliet gaat, wordt de procedure in principe door de curator overgenomen. De curator treedt dan in de plaats van de gefailleerde, die buiten de procedure gesteld wordt. Neemt de curator de procedure niet over, dan kan de wederpartij ook daadwerkelijk verval van instantie vorderen. Het vorenstaande geldt niet, wanneer de procedure niet het vermogen van de gefailleerde (oftewel niet de “boedel”) betreft. In dat geval kan de gefailleerde zelf verder procederen. Gaat het om een vordering, die niet het vermogen van de gefailleerde betreft, maar zijdelings wel gevolgen kan hebben voor de boedel (zoals een uit toewijzing van de vordering van gefailleerde voortvloeiende schadevergoeding, die wel aan de boedel toekomt), dan kan de curator besluiten zich in de procedure te voegen of tussen te komen.

Dwaling | Inleiding Verbintenissenrecht | Kennisclip | UU Rechten

Speciale aandachtspunten en praktische tips

In een procedure tussen twee (of meer) partijen kan een derde zich willen mengen, omdat hij de eisende of de verwerende partij wil steunen. In het eerste geval kan deze “derde” partij zich voegen aan de kant van de eiser of de gedaagde. In het tweede geval kan hij tussenkomen. Deze incidenten in de procedure zijn geregeld in Par. 3, Titel 2, Afd. 10 van Boek I Rv. Deze paragraaf bevat 4 bepalingen (art. 217 Rv t/m art. 221 Rv). Een partij kan ook zowel voegen als tussenkomen. Voeging in de zin van het zich aan de zijde van een procespartij in de procedure mengen moet worden onderscheiden van het incident van voeging in de zin van art. 222 Rv., waar het gaat om het samenvoegen van verknochte procedures. Dit moet door middel van een incidentele conclusie (art. 218 Rv.). Deze moet worden ingediend vóór of op de roldatum waarop de laatste conclusie in het aanhangige geding wordt genomen. Deze conclusie moet op straffe van nietigheid aan een aantal eisen voldoen (zie art. 219 Rv.). De derde moet ook het griffierecht voldoen, op straffe van niet-ontvankelijkheid (art. 219 lid 2 Rv). De derde kan zich ook pas in tweede instantie (dus in hoger beroep) in de procedure mengen. Wanneer een partij zich pas op het allerlaatste moment in de procedure mengt, kan de rechter de voeging of tussenkomst weigeren, omdat de procedure door het toestaan van voeging onredelijk zou worden vertraagd. Dit zal eerder gelden voor een partij die zich voegt dan voor een partij die wil tussenkomen.

Bij voeging schaart de derde zich aan de zijde van één van de strijdende partijen. Hij steunt dus diens eis, resp. diens verweer. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een borg, of een pandhouder. Of een verhuurder die de huurder steunt in een procedure tegen inbreuk op het woongenot. De derde die zich voegt aan de zijde van een partij is wel beperkt door (gebonden aan) de omvang van de rechtsstrijd, zoals die door de partijen door hun vorderingen is bepaald. Verder kan een gevoegde partij de stellingen van de hoofdpartij wel aanvullen, maar de rechter kan stellingen die strijdig zijn met die van de hoofdpartij niet in zijn beoordeling betrekken.

Zie het arrest van de Hoge Raad d.d. ...

Samenvattend overzicht van kernpunten

  • Een incidentele vordering tot voeging of tussenkomst vereist een voldoende belang (art. 217 Rv).
  • De vordering kan worden afgewezen ondanks voldoende belang, bijvoorbeeld ter bescherming van een snelle voortgang van de lopende zaak.
  • Voeging kan op elk moment in de procedure plaatsvinden, ook in hoger beroep of cassatie, maar de positie van de voegende partij is dan beperkter.
  • Bij tussenkomst kan een derde eigen vordering instellen, mits er een eigen belang is dat de uitkomst kan beïnvloeden.
  • Faillissementsomstandigheden hebben bijzondere regels: de curator kan de procedure overnemen of laten vervallen, afhankelijk van de relatie met het vermogen van de gefailleerde.

Concreet: jurisprudentie en praktische implicaties

De Hoge Raad heeft in meerdere arresten verduidelijkt dat toevoeging in cassatie mogelijk kan zijn, dat de voegende partij in latere instanties nog kan voegen, en wat dit betekent voor de mogelijkheid tot het uitoefenen van rechtsmiddelen. Recente inzichten geven aan dat een eerder gevoegde partij zich in een latere instantie opnieuw mag voegen, ook als zij eerder een rechtsmiddel heeft ingesteld. Deze leer kan tot moeizame situaties leiden, maar biedt ook flexibiliteit voor partijen die in de loop van de procedure hun positie willen versterken.

tags: #in #voege #als #in #het #arrest