Mechaniek en spel van de dwarsfluit: van historisch bastvat tot moderne mechaniek en embouchure

De dwarsfluit behoort tot de houtblazers. Omdat hij vroeger van ebbehout of grenadillehout werd gemaakt. Tegenwoordig wordt de dwarsfluit van een lering van koper of zilver. De kop is conisch en bevat de mondplaat met daarin de blaasopening, ook wel mondgat genoemd. De afstand, tussen de binnenkant van de kurk en de blaasopening, bepaalt de stemming van de octaven. De grootte van die afstand is, gerekend vanaf het midden van de blaasopening, gelijkaan de binnendiameter van de fluit op die plaats. Op veel wisstokken is deze grootte ter controle aangegeven middels een inkeping. Met de stemschroef kan de kurk op de juiste plaats gebracht worden. Als de stemschroef dus los is gegaan, door bijvoorbeeld het trillen van de fluit op de fiets naar les, draai hem dan niet te strak vast. De dwarsfluit wordt, gezien van uit de speler, altijd met de kop naar links bespeeld.

Hoe klinken en welke factoren bepalen toon en klank?

De tonen worden gemaakt door de lucht die je net niet in de fluit en net niet over de fluit blaast. Ten tweede krijg je verschillende tonen door de kleppen te gebruiken; daarmee maak je de dwarsfluit in principe korter of langer. In de derde plaats worden tonen verkregen door de spanning en de stand van de lippen te veranderen. Dit wordt de embouchure genoemd. Omdat de dwarsfluit ter hoogte van de kleppen cilindrisch is, blaast hij eerst over in het octaaf. Dat wil zeggen dat je door het verhogen van de lipspanning bij dezelfde stand van de kleppen een octaaf hogere toon krijgt.

De tonen die ontstaan als tweede natuurtoon (door overblazen in het octaaf) worden gebruikt zonder correctie van de greep, behalve d\" en es\". De overige natuurtonen noemen we flageolettonen; ze hebben een toverachtige klank en worden alleen in speciale gevallen gebruikt, bijvoorbeeld in snelle loopjes en om een apart effect te bereiken. Tonen hoger dan cis\"\' worden dus meestal zonder overblazen gespeeld en hun grepen zijn anders, namelijk gecorrigeerde overblaasgrepen of een combinatie van overblaasgreep en gewone greep.

De laagste toon op de dwarsfluit is c'; behalve bij instrumenten met een b-voet, die kunnen nog een halve toon lager. De hoogste toon is meestal c\"\" (hangt van de speler af). De oorspronkelijke dwarsfluit, de traverso, had geen kleppen maar 6 kleine gaten die met de vingers gesloten werden; net als bij de blokfluit. De tegenwoordige dwarsfluit heeft grote gaten die met kleppen gesloten worden, hetzij direct met de vingers of door middel van hefboompjes. Dit systeem, dat het spelen zeer vergemakkelijkt, noemt men het Böhmsysteem naar de uitvinder ervan Theobald Böhm (1794-1881).

Leeftijd, aanschaf en basale aanpak

De minimum leeftijd is meestal 10 jaar. Als je jonger bent moet je of groot genoeg zijn om een dwarsfluit te kunnen vasthouden, of je kan een korte dwarsfluit aanschaffen (= met een teruglopende kop). Een mooie klank uit de dwarsfluit halen en de tonen duidelijk kunnen spelen, is jammer genoeg niet alleen afhankelijk van goede wil en veel oefenen. Van belang zijn o.a. · Hoe hoger het gehemelte, des te voller is de klank. · Zit er veel ruimte tussen de voortanden en/of sluiten onder- en bovenkaak niet redelijk op elkaar (is er dus sprake van een sterke onder- of bovenbeet), dan is dat een probleem. Je zult dan veel meer moeten oefenen terwijl het resultaat niet echt optimaal zal worden!

De ideale stand van de lippen is, dat de uitblaasopening in het midden van de mond valt en klein en rond is. Er zijn echter nogal wat mensen die dit niet voor elkaar krijgen omdat hun bovenlip aan de onderkant in het midden naar beneden loopt i.p.v. naar boven; ze hebben bij het blazen een tuutje in het midden aan hun bovenlip. Als gevolg daarvan blijft de uitblaasopening altijd te groot, blijven het er vaak altijd 2, of gaan ze aan de zijkant van de mond blazen. Zelfs na lang en moeizaam oefenen zal dit geen mooie klank opleveren maar tonen met veel valse lucht of een schelle klank.

Als je tong groter is dan normaal, als je slist of de tong bij actie altijd eerst naar voren beweegt, is het raadzaam een leraar te nemen die daar verstand van heeft. In dat geval hoeft het geen probleem te zijn. Koop een nieuwe, of een gebruikte dwarsfluit waarvan de kleppen perfect sluiten; de fittingen niet te los of te vast zitten en de assen geen speling vertonen. Koop nooit een te goedkope dwarsfluit, d.w.z. een fluit waarvan de nieuwwaarde lager is dan ongeveer 500 Euro. Van dergelijke fluiten zijn het mechaniek en de fittingen meestal na een jaar versleten. Koop geen instrument duurder dan ongeveer 750 Euro. De meerprijs levert je niets extra\'s op of de nieuwprijs moet hoger zijn dan ca. 1250 Euro.

Als je de koffer wilt openen om de fluit eruit te halen, kijk dan eerst goed of de koffer met het deksel naar boven ligt. Dit voorkomt beschadiging. Als je de koffer oppakt, en de fluit zit er in, controleer dan altijd of de sluitingen dicht zijn. Je zal de eerste niet zijn waarbij de fluit op die manier tegen de grond kwakt. Je hoeft het instrument niet elke dag in de koffer te doen. Gebruik je een standaard, zet het geheel dan ergens neer waar het niet gemakkelijk omgestoten kan worden. Zit je in een orkest, laat je fluit dan in de pauze niet op de standaard staan.

Techniek van in elkaar zetten, embouchure en greep

Als je nog ongewend bent de fluit in elkaar te zetten en uit elkaar te halen, doe dit dan de eerste tijd boven een zachte ondergrond. Dit voorkomt schade als je een deel per ongeluk laat vallen. Alle handelingen met de lippen en de onderkaak, nodig om te spelen, noemen we de embouchure. Bij het spelen wordt de onderlip tegen de mondplaat gehouden. Daardoor wordt de onderlip ingedrukt en als gevolg daarvan wordt de opening tussen de lippen te groot. Om dit tegen te gaan moet je de onderkaak tijdens het spelen naar voren doen. Door het intrekken van de mondhoeken krijg je een mooi ronde uitblaasopening tussen de lippen. Je toon wordt daardoor warmer en directer omdat er geen zijlucht ontstaat. Het is niet gemakkelijk te leren; trek je wangen in, alsof je er op wilt bijten.

Als je speelt wil de uitgeblazen lucht je lippen naar voren bewegen. Omdat te voorkomen moet je ze onder spanning zetten. De spanning van je bovenlip regel je met spieren tussen mond en neus onder je neusgaten. Span ze schuin zijwaarts naar beneden. Merk op dat je neusgaten verder open gaan staan. De spanning van je onderlip regel je met spieren tussen mond en kin ter hoogte van de onderste hoektanden. Met deze spanning druk je de onderlip omhoog. Merk op dat de lipspanning het hoogst is bij de mondhoeken. Als de lucht die je uitblaast de vorm heeft van een dun, rond recht buisje ontstaat veel warmere, directe toon. Dit bereik je door je lippen vol op elkaar te zetten en de binnenkant ietsje naar buiten te keren. Als je met strakke lippen speelt, ze naar binnen trekt en de spanning rond de opening hoger maakt, wordt de opening spleetvormig en krijgt de luchtstroom een konische vorm.

Het onthouden van de plaats van de vingers is gemakkelijk als je begint met de klep die met de linkerpink wordt bediend. Deze klep zit halverwege het middenstuk en steekt daar uit. In de tegenstelling tot de vingers kan de duim op 1 of 2 kleppen worden geplaatst: Op de dubbelklep (= een klep + een hendel worden tegelijk ingedrukt) of op de B-klep (= enkel de klep wordt gesloten). De hand moet zo omhoog gericht worden dat het middenstuk van de dwarsfluit op de verdikking van het gewricht aan de basis van je linker wijsvinger ligt. Probeer met name de linkerwijsvinger alleen te buigen na het eerste kootje. De overige vingers zet je achtereenvolgend op de naastliggende grote kleppen van het middenstuk. De duim wordt aan de onderkant van het middenstuk geplaatst, ter hoogte van de wijsvinger.

Vingerzetting. Het kleppensysteem is zo ontworpen dat de vingers bijna nooit in de lengterichting van de fluit verplaatst hoeven te worden en meestal steeds op dezelfde klep worden gezet. De combinatie van vingers, nodig om een toon te spelen, noemt men de greep van die toon. Tijdens het aanleren van de grepen houden velen de vingers, die bij een greep niet gebruikt worden, zo ver mogelijk van de fluit af. Let hier tijdens het studeren steeds op zodat je snel aanleert de vingers altijd vlak bij de kleppen te houden. Droog oefenen is de kern van vooruitgang: het helpt snelheid en precisie, en de bewegingen worden uiteindelijk automatisch.

De beste manier om adem te halen is door middel van buikademhaling. Als reactie daarop trekken de spieren, die tussen je ribben zitten, samen; je borstkas wordt daardoor nauwer en drukt je longen aan de zijkant in. Hieruit volgt dat buikademhaling essentieel is voor lange frasen. De basisregels voor ademhaling zijn uitgebreid, met voorbeelden per instrument. Voor de dwarsfluit gaat het vooral om een ontspannen, volumeuze luchtstroom en controle over de embouchure om warmte en kleur in de toon te brengen.

Embouchure, fluitsystemen en aanvullende tips

Achter het algemene woord “fluit” gaat een hele wereld schuil, van het plastic fluitje op de basisschool tot de piccolo die een heel symfonieorkest overstemt. De dwarsfluit houd je horizontaal en je creëert de toon zelf door langs de rand van het mondgat te blazen. De dwarsfluit is niet van zilver om esthetische redenen; let bij een studiedwarsfluit op de opties ‘B-voet’ en ‘rechte of offset klepping’. De B-voet vergroot het bereik naar beneden, terwijl de offset klepping de kleine handen ontlast. Als miniatuurneef klinkt de piccolo een octaaf hoger; studiomodellen hebben vaak een body van ABS-hars, professionele piccolo’s kiezen voor grenadilla voor een rondere klank. Buiten het conservatorium reist de fluit de wereld rond, met de Ierse fluit (tin whistle) en panfluit als expressieve zijtakken.

Informatiekaart: Verschillende typen fluiten en hun kenmerken

De leerweg van de dwarsfluit kent varianten zoals de blokfluit en de dwarsfluit; de blokfluit produceert klank via een intern kanaal en is een ideaal beginnersinstrument, terwijl de dwarsfluit via embouchure en kleppen werkt. De barokke vingerzetting en de Duitse vingerzetting bestaan naast elkaar; tegenwoordig is de barokke standaard voor betere intonatie. Voor kinderen wordt vaak een ABS-blokfluit aangeraden als startpunt. De werking van de embouchure bepaalt de toonkwaliteit; het trainen van tongpositie, lipdruk en kaakstand is essentieel voor een stevige klankopbouw.

Diagram: Embouchure en luchtstroom over de lippen

Verderop wenkt een zorgvuldige aanpak bij onderhoud: dichtsluitende kleppen, speling in assen, en periodieke controle van de stemschroef en B-klep. Bij het transport en de opslag van de fluit is voorzichtigheid geboden: kofferdeksels omhoog, sluitingen gesloten, en geen lange periode in de koffer laten staan. Droog oefenen, ademhaling en kijkende oefening helpen beginners vooruit. De basisademhalingstechniek wordt verder verduidelijkt met Hawaii-ademhaling en cirkelademhaling wanneer men zich verder ontwikkelt.

Flute - Air and Embouchure - An excerpt from MusicProfessor com

Onderhoudsrichtlijnen voor de mechaniek en de kleppen benadrukken het periodiek controleren van de veren en pads, en indien nodig vervangen. Een goede fluit met goed sluiten kleppen biedt de muzikant meer controle over klank en techniek. De mechaniek van de dwarsfluit en piccolo bevat verschillende typen, met open en gesloten kleppen als belangrijke opties; de keuze hangt af van speelstijl en vaardigheidsniveau. De piccolo, kleiner en hoger van toon dan de dwarsfluit, vereist snelle en nauwkeurige grepen en blijft doorgaans zonder voet. Onderhoud en zorg voor zowel dwarsfluit als piccolo blijven essentieel om intonatie en responsiviteit te waarborgen.

KenmerkDwarsfluitPiccolo
LengteOngeveer 67 cmOngeveer 32 cm
KleppenOpen en gesloten; vaak met verenOpen en gesloten; vaker gesloten
ToonhoogteMiddelmatigHoog
VoetMeestal wel, lage tonen mogelijkMeestal geen voet

tags: #lichaams #stucen #van #een #fluit