Het verleden van onze stad laat zich lezen aan de hand van haar monumenten, de gebouwen zelf laten zich dateren door hun constructies, in het bijzonder het metselwerk. Aanvankelijk bestond de stad uit houten huizen, maar met het beschikbaar komen van met klei in veldovens gebakken handvormsteen worden huizen steeds meer in baksteen opgetrokken. Na de stadsbrand in 1452 bepaalde het stadsbestuur dat de zijgevels van de huizen voortaan van baksteen moesten zijn. Voorgevels volgden daarna. Ook de bouw van de stadsmuur, die in 1481 begon, vergde enorme hoeveelheden baksteen. Oude Kerk. Baksteen was een uitvinding van de Romeinen, maar de techniek ging met hun vertrek uit ons land verloren. In de middeleeuwen worden stenen gebouwen, zoals kerken, opgetrokken uit natuursteen, bijvoorbeeld tufsteen. De oudste gebouwen met baksteen zijn kerken en kloosters tegen het einde van de 12de eeuw. Monniken speelden een belangrijke rol bij het bakken van dergelijke 'kloostermoppen'. Omdat baksteen in die tijd samen met tufsteen werd toegepast zijn de oudste baksteenformaten uit die periode fors, ca. 30 x 15 x 7 cm. De kleur van kloostermoppen is meestal geel/rood, omdat kalkhoudende zeeklei werd gebruikt. Sint Antoniespoort. Aanvankelijk werd baksteen gezien als een vervanging van natuursteen. Naarmate de baksteen goedkoper werd en gemakkelijker te krijgen, kreeg baksteen de overhand boven natuursteen. Vroeg-17de-eeuwse gevels, vooral trapgevels, hebben vaak nog 'speklagen' van natuursteen. In de loop van de eeuwen werden de bakstenen steeds kleiner. Ook de kleur verandert in de loop van de tijd. Deze kleur wordt bepaald door de samenstelling van de klei. Een rode steen bevat een hoog ijzergehalte, een gele steen veel kalk. Bruine en paarsgrauwe stenen kregen hun kleur door een mix van ijzer en kalk. Klei van de oevers van de Oude Rijn tussen Woerden en Leiden bevatte veel ijzer en leverde daarom rode steen. Langs de Hollandse IJssel bij Gouda zat meer kalk in klei, dus komen hier de gele IJsselstenen vandaan. Ook het bakproces speelde een rol: hoge temperaturen zorgden voor een kleurverschuiving van geel naar grijs en van rood naar grauwpaars. BaksteentypeAfm. Het gaat hierbij steeds om: lengte, diepte en hoogte, oftewel: strek, kop, dikte. Om bakstenen bij metselwerk zowel in de lengte als de diepte te kunnen toepassen, is de kop altijd min of meer de helft van de strek. Grofweg geldt de formule: lengte (strek) = 2 x breedte (kop) = 4 x hoogte (dikte). De afwijkingen zijn het gevolg van het voegwerk. In sommige steden werden baksteenformaten per keur bepaald en werden er 'baksteenbakjes' in het stadhuis bewaard. Je kan snel de dikte van een steen bepalen door de steenlagen te tellen. De zgn. lagenmaat wordt namelijk bepaald door de dikte van de steen. Vermoedelijk kwam de meeste baksteen in Amsterdam uit bakkerijen langs de Vecht. De ijzerhoudende klei uit dit gebied levert bij een vrij lage temperatuur een rode bijna oranje baksteen op (zie: Herengracht 170-172). Halverwege de 17de eeuw werden bakstenen op een hogere temperatuur gebakken, waardoor de stenen harder en grauwer werden (zie: Herengracht 386). Uit de Vechtstreek kwamen in de 18de eeuw heel gelijkmatige, nog harder gebakken stenen, die zich uitstekend leenden voor het metselen van mooie strakke gevels. Deze paarsgrauwe Vechtsteen is dan ook in Amsterdam veel toegepast (zie: Herengracht 384). Kruisverband met klezoortjes (17de eeuw) en drieklezoortjes (18de eeuw). Tekening van H. Een nieuw inzicht in steenformaten geeft het artikel van Jerzy Gawronski en Jorgen Veerkamp. Zij onderscheiden voor elke periode drie steenformaten: groot, middel en klein. Gemeten over zes opeenvolgende perioden vinden zij een verkleining van bakstenen binnen elk van de drie categorieën. Ook uit het metselverband is het één en ander af te leiden. Om een éénsteensmuur (met de dikte gelijk aan de lengte van een baksteen) te kunnen metselen moet de lengte van de baksteen gelijk zijn aan twee koppen plus een voeg en moet de steen dunner zijn dan de helft van de kop. Vanaf de 14de eeuw werd het muurwerk gemetseld met een afwisseling in koppen- en strekkenlagen, waarbij de staande voegen niet recht boven elkaar mochten liggen. In het begin van de 16de eeuw, in Amsterdam vanaf ca. 1550, ontstond daarbij het 'kruisverband': de strekken verspringen per strekkenlaag een halve steen. Dit levert echter een hoekprobleem op, dat in de 17de en de 18de eeuw op een verschillende manier is opgelost. In de 17de eeuw begon de koppenlaag met een kop en daarna een 'klezoor' (een kwart baksteen), in de 18de eeuw met een 'drieklezoor' in de strekkenlaag (een driekwartbaksteen). Alleen al hieraan is 17de- en 18de-eeuws metselwerk onderling te onderscheiden. In Holland komt de drieklezoor al rond 1660 voor, maar in Amsterdam treffen we dit metselverband doorgaans pas aan na ca. Origineel metselwerk en voegwerk uit de 18de eeuw. Om een zo dun mogelijke voeg te leggen werden de bakstenen in de 17de eeuw vaak geslepen. Ook in de 18de eeuw komen soms heel dunne voegen voor, maar niet zo dun als een eeuw daarvoor. Kenmerkend voor deze periode is dunne stootvoegen (verticale voegen) en iets dikkere lintvoegen (horizontale voegen), waardoor de horizontalen worden benadrukt. Bij de opgraving van de stenen versterking aan de Nieuwezijds Kolk uit ca. 1280 (oorspronkelijk aangeduid als het Kasteel van de Heren van Amstel) zijn de tot nu toe oudste bakstenen gevonden: geel/rode kloostermoppen van ca. 30 x 7 cm. Na de opgraving zijn foto's gemaakt en daarna is het historisch zeer van belang zijnde metselwerk weer afgedekt. De fundering van de noorderzijbeuk van de Oude Kerk werd al in de 2de helft 14de eeuw met kleinere bakstenen van 23 x 5,5 cm gemetseld. De oorspronkelijke baksteenformaten van de Sint Antoniespoort (ca. 1480) zijn 25 x 5,5 cm. Een goed voorbeeld van 17de-eeuwse baksteen en metselwerk treffen we aan bij Keizersgracht 321, waar het metselwerk goed bewaard is gebleven omdat de gevel tot 1958 bepleisterd was. De voegen zijn niet dikker dan een millimeter. Herengracht 311. Aan zowel het metselverband als de maat en kleur van de baksteen kan de geoefende kijker een gemetselde muur en daarmee een gebouw dateren. Een apart verhaal vormt nieuwbouw in historiserende vorm. De Van Houtenpanden, bijv. Herengracht 309-311, hebben een eigentijdse metselsteen en voor die tijd karakteristieke diepe voegen, waardoor de kenner ziet dat het pand uit de jaren '30 van de 20ste eeuw is. Restauraties onder leiding van het Bureau Monumentenzorg onder Henk Zantkuijl hebben daarentegen een zeer goede hergebruikte baksteen en metselverbanden. Oudekerksplein 23. Daar staat tegenover dat men met historisch metselwerk niet altijd zorgvuldig omgaat. Vaak worden oude voegen vervangen door overdreven 'geknipte' voegen, waardoor het gevelbeeld wordt geschaad, omdat niet de nadruk op de stenen maar op de voegen komt te liggen. Vaak vindt men dat 'mooi', maar het is in werkelijkheid storend. Het is niet moeilijk daarvan schrijnende voorbeelden te vinden in de binnenstad.

Metselverbanden en hun regels
Metselverbanden in gevelmetselwerk moeten voldoen aan de regels in de metselwerknorm. Voor de meest gangbare metselverbanden, die voor het merendeel afkomstig zijn uit de metselverbanden voor steens of dikkere muren, is het patroon van het metselverband voldoende om het goed uit te voeren. Alleen in het geval van wildverband is het van belang om goed vast te leggen wat de regels zijn voor dit metselverband, omdat er verschillende regels in richtlijnen en publicaties zijn opgenomen. Het allerbelangrijkste aspect van een metselverband is toch wel de vereiste overlappingslengte van de stenen in het metselwerk. Deze overlappingslengte is mede afhankelijk van de grootte van de stenen en moet minimaal 40 mm zijn.

Bij een koppenverband zijn alleen de koppen van de bakstenen zichtbaar. Je kunt dit zien als een halfsteensverband waarbij geen strekken, maar juist koppen worden gebruikt. Oftewel, de lagen bestaan volledig uit koppen die halfsteens worden gemetseld. Hierdoor ontstaat een krachtig gevelbeeld. Om het koppenverband goed uit te laten komen, start je afwisselend met een kop en een drieklezoor. Het klezorenverband lijkt op het halfsteensverband, maar de verticale voeg verspringt niet met een halve baksteen. De verticale voegen verspringen met een kwart of driekwart van de baksteenlengte. Daardoor ontstaat een vallende, dynamische beweging in het gevelaanzicht.

Bij een wildverband worden bakstenen in verschillende lengtes verwerkt, waardoor een willekeurig patroon ontstaat. Dit geeft de buitenmuur een speelse uitstraling. Toch is een wildverband niet volledig vrij. Om storende patronen te voorkomen en te voldoen aan ‘Uitvoeringsrichtlijn 357 metselwerkconstructie’ gelden de volgende eisen voor het metselwerk: Hoeken moeten beginnen met een strek, drieklezoor of kop. In de muur mogen alleen koppen en strekken worden gebruikt. Vallende tanden mogen niet groter zijn dan zes lagen. Sprongen van meer dan zes klezoren mogen niet recht of schuin boven elkaar voorkomen. Een verband dat niet op een of ander regelmatig verband lijkt.

Het tegelverband, ook wel stapelverband genoemd, ligt de bakstenen recht boven elkaar. Zowel de horizontale lintvoegen als de verticale stootvoegen lopen door. Hierdoor ontstaat een strak lijnenspel. Dit metselverband wordt vaak gekozen bij moderne architectuur. Een belangrijk aandachtspunt is de stabiliteit. Omdat de bakstenen recht boven elkaar worden gemetseld en de voegen doorlopen is extra versteviging nodig. Denk bijvoorbeeld aan metselwerkwapening.

Bij een kruisverband worden bakstenen afwisselend gemetseld in een rij koppen en een rij strekken. De bakstenen verspringen met een halve steenlengte, waardoor kruizen in het patroon zichtbaar worden. Het verband heeft een klassieke uitstraling dat we vaak terugzien bij oudere gebouwen en boerderijen. Voor kruisverband metselwerk kies je een maatvaste baksteen met een goede kop-strekverhouding. Alleen dan komt het patroon mooi uit.

Bij een staand verband wisselen lagen met strekken en lagen met koppen elkaar af. Een laag met strekken wordt gevolgd door een laag met koppen. In de strekkenlaag wordt vaak een drieklezoor toegepast om het verband goed te laten verspringen. Door de afwisseling van koppen en strekken ontstaat een ritmisch en verticaal gericht gevelbeeld. Bij een staand verband worden bakstenen voornamelijk als hele of halve steen verwerkt. Hierdoor is er weinig materiaalverlies en uitval.

Een kettingverband bestaat elke laag uit een herhaling van twee strekken en één kop. De koppen liggen om de andere laag onder elkaar. Hierdoor ontstaat een patroon dat doet denken aan een ketting en zorgt voor een strak, regelmatig gevelbeeld. Voor dit verband is een maatvaste steen belangrijk, zodat de koppen en strekken netjes op elkaar aansluiten.

Een blokverband wordt twee bakstenen boven elkaar gemetseld. Dit metselverband kan ook worden omschreven als een dubbel halfsteensverband. Door de herhaling van de bakstenen ontstaat een symmetrisch patroon in het metselwerk.

Aanvullende praktijk en hedendaagse toepassingen
In de hedendaagse gevels gaat het bijna nooit meer over steens muren, laat staan nog dikkere muren van anderhalf of dubbel steens. Het behandelen van de metselverbanden voor dit soort massieve muren is dan ook niet zo relevant en laten wij dan ook buiten beschouwing in dit artikel. Het is wel van belang om te weten dat deze verbanden ook aan regels gebonden zijn. Een van de belangrijkste regels voor een metselverband is: het moet in verband gemetseld worden over de volledige breedte van de muur. Twee halfsteens muren die tegen elkaar aan gemetseld worden, vormen geen steens muur. De huidige spouwmuurconstructies bestaan over het algemeen uit een halfsteens buitenspouwblad. Voor dit halfsteens metselwerk wordt door architecten nog wel vaak gekozen voor een traditioneel metselverband dat vroeger ontstaan is uit de noodzaak om steens muren in verband te kunnen metselen.

In de metselwerknorm (NEN-EN 1996-1-1) is er het een en ander opgenomen over wat nu eigenlijk een metselverband is en waar een metselverband aan moet voldoen. In artikel 1.5.2.6 van de norm wordt niet de term metselverband gebruikt, maar de term steenverband. Deze benaming wordt als volgt omschreven: ‘Steenverband: rangschikking van metselstenen in een regelmatig patroon om samenwerking te bereiken’.

Het allerbelangrijkste aspect van een metselverband is toch wel de vereiste overlappingslengte van de stenen in het metselwerk. Deze overlappingslengte is mede afhankelijk van de grootte van de stenen en moet minimaal 40 mm zijn. Het metselverband bepaalt hoe bakstenen in de buitenmuur worden gemetseld en het uiterlijk ervan. Sommige metselverbanden zorgen voor een rustig gevelbeeld, terwijl andere juist meer speelsheid en dynamiek geven. Daarnaast zijn er verschillen in verwerking, vakmanschap en kosten.
tags: #metselwerk #dam #breedte #strek