Biologische landbouw is het milieuvriendelijk verbouwen van gewassen. Dat wil zeggen dat er geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt mogen worden en dat er niet genetisch gemanipuleerd mag worden. Vooral na de Tweede Wereldoorlog is er veel veranderd in de landbouw. Dat kwam onder andere omdat de hongersnood tijdens de oorlog de bevolking bang had gemaakt. Zoiets vreselijks wilde men nooit meer meemaken. Met dat doel voor ogen bouwde men grote, gespecialiseerde boerenbedrijven. Mede door het gebruik van kunstmest en chemische bestrijdingsmiddelen lukte het om steeds hogere opbrengsten te halen. Het succes had echter een keerzijde. Doordat de hoge productie per hectare centraal stond, werden milieu en dierenwelzijn uit het oog verloren. Bodem en dieren raakten letterlijk uitgeput door het opjagen van het groeiproces.
Bij het telen van gewassen wordt gebruik gemaakt van wisselbouw. Hierbij worden verschillende gewassen na elkaar geplant om ziektes en uitputting van de grond te voorkomen. Omdat er geen gebruik mag worden gemaakt van chemische bestrijdingsmiddelen, wordt ongedierte gedood door natuurlijke vijanden die uitgezet worden op de gewassen. Onkruid wordt bestreden door valse zaaibedden te maken waarin onkruid kan ontkiemen. Als het onkruid ontkiemd is, wordt het gewied. Maar het land moet ook bemest worden. Hiervoor word organische mest gebruikt. Dit zijn dierlijke uitwerpselen of verrotte planten. Indien drijfmest wordt gebruikt (vloeibare uitwerpselen) moet deze worden geïnjecteerd, zodat er zo min mogelijk ammoniak vrijkomt. Het nadeel hiervan is wel dat het dan kan doordringen in het grondwater.
Een ander nadeel is dat drijfmest komt van dieren die op stal staan en eenzijdig eten. Nog een nadeel is dat drijfmest nauwelijks stikstof bevat, dat nodig is om de gewassen te laten groeien. De “biologische boer” zaait hierom na de oogst groenbemesters. Dit zijn planten die met hun wortels (meer bepaald, de bacteriën bij hun wortels) de stikstofverbindingen omzetten in stikstof. Samen met biologische landbouw is ook de biologische veeteelt ontstaan. Bij biologische veeteelt wordt meer gelet op het welzijn en de gezondheid van het dier. Een goed voorbeeld hiervan zijn de bekende scharrelkippen, die in het beste geval gevoed worden met biologisch verbouwd graan. Dit komt eveneens de smaak van de eieren ten goede. In de biologische veeteelt wordt zo min mogelijk gebruikt gemaakt van antibioticum. Het vee wordt niet preventief geënt. Enkel als het dier ziek is krijgt het antibioticum, of, bij een onschuldige ziekte, laat men het uitzieken. Net zoals bij de biologische landbouw wordt hier nooit gebruikt gemaakt van genetische manipulatie. De dieren eten afwisselend en worden gevoed met biologische producten. Ze staan zoveel mogelijk buiten, waar ze de ruimte hebben. De weiden waarin het vee graast bestaan meestal niet enkel uit gras. Er wordt klaver mee gezaaid, dat zorgt voor de nodige stikstof in de bodem.
Het biologisch product is door deze methoden wel duurder want er is meer land nodig. omdat groenbemesters voeding uit de bodem halen is de opbrengst per oppervlak lager. Het biologisch product is van betere kwaliteit en is gezonder. Ikzelf ben best bereid om iets meer te betalen voor een beter product, maar het moet niet te gek worden, ik ben tenslotte geen reformfreak. Iedere boer zou biologisch moeten gaan boeren, want dan heeft de consument weinig keus. De producten moeten dan niet uit landen worden gehaald, waar er nog volop gemanipuleerd wordt.

Bij Fascinating werken we aan de landbouw van de toekomst: een circulair systeem met gesloten kringlopen, een gezonde bodem, biodiversiteit én een goed verdienmodel voor boeren. Een van de middelen die deze toekomst realiseert, is de omschakeling naar regeneratieve landbouw. In samenwerking met onze partner Agrifirm ontwikkelden we onderstaande infographic. Hierin wordt de visie weerspiegelt die Fascinating voor ogen heeft voor de landbouw van de toekomst in Groningen. Maar ook voor de rest van Nederland en Europa. Regeneratieve landbouw is een verzamelnaam voor op elkaar afgestemde landbouwpraktijken die een positieve bijdrage leveren aan de gezondheid van mens en dier, productkwaliteit, milieu, klimaat, biodiversiteit en sociale omstandigheden. Het fundament van deze benadering is het bevorderen van een gezonde, levende bodem. Hoe bereiken we dat? Door het minimaliseren van input (gewasbeschermingsmiddelen en kunstmest) en het vergroten van fysische, chemische en biologische kwaliteit van de bodem, wordt het telen van weerbare gewassen met een hogere voedingswaarde mogelijk.

Met het project ‘100 hectare regeneratief’ proberen we dit transitie pad te versnellen. Dit doen we door samen met 40 boeren op zoek te gaan naar regio-, grondsoort-, bedrijfs-, en product specifieke toepassingen van regeneratieve landbouw. Een gezonde bodem betekent een gezond bedrijf. Maar wat verstaan we onder een gezonde bodem? Een gezonde bodem bestaat uit divers leven in én op het land. Schimmels, bacteriën en wortels in de bodem communiceren met elkaar. Hierdoor wordt enerzijds het bodemleven gevoed door wortelexudaten (suikers), en anderzijds worden planten gevoed met mineralen, zouten en water door het bodemleven via de wortels. Bovengronds is er voldoende biodiversiteit, zoals insecten en bestuivers (bijen, hommels, vlinders) en weidevogels. De bodem is sterk genoeg om zonder de inzet van (extra) gewasbeschermingsmiddelen zichzelf staande te houden tegen ziekten en ongedierte. Een gezond bodemleven zorgt voor een gezonder en weerbaarder gewas.
Door met regelmaat of tegelijkertijd verschillende gewassen op dezelfde grond te verbouwen, bevorder je de bodemgezondheid. Met deze methode krijgt de bodem rust, meer structuur en betere organische stofopbouw. Als je vers, organisch materiaal jarrond losjes en ondiep in de bodem verwerkt, zorg je voor een gezonde bodem met levende wortels en stimuleer je de bodembiodiversiteit. Deze grote hoeveelheid groen zorgt ervoor dat bodemmicroben enzymen gebruiken om de organische voedingsstoffen uit de groenbemesters om te zetten in humus. In de bodem zitten grote netwerken aan schimmeldraden waar belangrijke nutriënten voor planten door vervoerd worden. Door het land diep te bewerken (bijvoorbeeld door te ploegen) verbreek je deze ‘samenleving’ en krijgen slechte bacteriën mogelijk meer kans. Het telen van verschillende gewassen op 1 stuk grond, door bijvoorbeeld strokenteelt of gemengde teelt, draagt positief bij aan het bodemleven.
Bij regeneratieve landbouw wordt er tijdens het seizoen al gekeken naar geschikte groenbemesters of gewassen die goed naast elkaar kunnen groeien. Op deze manier versterken planten elkaar en blijft de glucose-motor draaien. Door te werken met de juiste keuze van groenbemesters tussen je hoofdgewas, onderdruk je de groei van onkruid en leg je stikstof vast in de bodem. Stikstof is een belangrijke voedingsbron voor het bodemleven en de plant. Afhankelijk van wat je in het volgende seizoen wilt telen, kun je de groenbemesters die nog staan, laten begrazen door koeien of schapen. De natuurlijke mest die op het land terecht komt levert weer voeding op voor de bodem. Een van de belangrijkste doelen uit het project 100 hectare regeneratief, is weten wat de boer nodig heeft om de omschakeling naar regeneratieve landbouw te maken. Het project is inmiddels gestart met 40 boeren uit provincie Groningen, waarbij kennis en ervaringen worden uitgewisseld op inspirerende bijeenkomsten. Samen met experts en adviseurs wordt er gekeken naar wat de bodem nodig heeft en hoe de bedrijfsvoering aan te passen is. Ook onderzoeken we welke kosten en opbrengsten impact hebben op het saldo en hoe deze mogelijk te verbeteren zijn. Regeneratief geteelde gewassen zijn goed voor de bodem en verbeteren de samenstelling van het eindproduct. In het project onderzoeken we de impact van regeneratieve maatregelen op de oogst, zoals smaak, voedingswaarde en de financiële opbrengst. De vraag naar gezonde producten groeit en regeneratieve landbouw kan hier oplossingen bieden. De vraag is echter wat de keten bereid is om te betalen voor regeneratieve producten. Hoe zorgen we ervoor dat de boer voldoende verdient aan de oogst, terwijl de producten betaalbaar blijven voor de consument? Fascinating streeft naar eerlijke producten: goed voor de bodem, gezond, lekker en betaalbaar met een eerlijke prijs voor de boer. Samen met onze partners en boeren werken we toe aan een gezonde bodem, een gezond bedrijf en gezonde producten.

In de noordelijke regio Arusha in Tanzania valt weinig regen. Door de droogte mislukken geregeld oogsten. De boeren werken volgens traditionele landbouwmethoden en verbouwen steeds dezelfde gewassen. De opbrengst van het land is hierdoor niet alleen laag, de verbouwde producten bevatten bovendien weinig voedingsstoffen. Met waterbesparende en ecologische landbouwmethoden kunnen boeren meer voedsel produceren. Via de stichting Watoto (WFT) krijgen straatkinderen een 4-jarige vakopleiding. Leerlingen met belangstelling voor het agrarische vak volgen daarna een aanvullende 2-jarige praktijkopleiding in duurzame biologische landbouw. Het is de bedoeling dat zij hun kennis delen met boeren in de omgeving. Zo verspreidt de nieuwe kennis zich als een olievlek. Tijdens de 2-jarige vakopleiding ontvangen de leerlingen een stagevergoeding. Die sparen ze om na de opleiding een hectare grond te kunnen kopen. Daarop starten ze een boerenbedrijfje. Ze verbouwen diverse gewassen, leggen een visvijver aan voor tilapia, houden bijen en leggen een irrigatiesysteem aan. De opbrengst van het land verkopen ze op de lokale markt. Zo kunnen mensen uit de omgeving tegen redelijke prijzen gezond voedsel kopen. De jonge ondernemers leren de lokale boeren de beginselen van biologisch boeren. Parochie Sint Petrus in Uden voert campagne voor dit project om het benodigde projectgeld te zamelen. Dit project is door Vastenactie goedgekeurd voor een totaalbedrag van € 6.000. Hiervan wordt € 4.500 bijeengebracht door de parochie.

Duurzame landbouwvormen bieden een uitkomst in landen waar vaak voedselschaarste heerst. 1. Duurzame landbouwmethoden geven prioriteit aan het efficiënt gebruiken van natuurlijke hulpbronnen, waaronder water. In landen met weinig voedselzekerheid zijn watervoorraden vaak schaars en vormt klimaatverandering een grote dreiging. Voor deze landen kan het toepassen van duurzame landbouwmethoden helpen om het watergebruik in de landbouw te optimaliseren. Vrouwen in het Humla-district in Nepal hebben de SRI-methode (System of Rice Intensification) in gebruik genomen. SRI is een holistische benadering van duurzame rijstteelt. Door het waterverbruik tot een minimum te beperken en natte en droge omstandigheden af te wisselen, worden zowel de methaanproductie als de uitstoot ervan tot een minimum beperkt. Ondersteund door VSO-vrijwilliger en permacultuur expert, Chris Evans, zijn de vrouwen getraind om individuele rijst zaailingen reeds in een jong (2-bladig) stadium te planten. Daarbij is de afstand tussen de plantjes groter en wordt er minder water gegeven dan bij conventionele methodes.

2. Duurzame landbouwpraktijken, zoals het gebruik van planten die fungeren als bodembeschermers en het wisselen van gewassoorten, verbeteren de gezondheid van de bodem. Gezonde bodems kunnen water beter vasthouden, waardoor er minder behoefte is aan overmatige irrigatie in regio’s die gevoelig zijn voor droogte. Het verbeteren van de bodemstructuur en de toename van de hoeveelheden organische stoffen in de bodem, dragen bij aan een betere opname van het water in de grond en de mogelijkheid het ook vast te houden. VSO Youth champions zoals de Keniaanse vrijwilligster Fridah Okomo helpen gemeenschappen weerbaarder te worden tegen de gevolgen van klimaatopwarming door de bodemkwaliteit te verbeteren en de lokale bevolking te trainen in biologische landbouwmethoden. Fridah: “Ik weiger te accepteren dat we slachtoffer zijn van klimaatverandering.”
3. Veel landen waar voedselschaarste heerst zijn sterk afhankelijk van water bevloeiing, wat de toch al beperkte watervoorraden onder druk kan zetten. Door op een meer duurzame manier landbouw te bedrijven worden gewassen verbouwd die goed tegen droogte kunnen en landbouwsystemen die minder irrigatie nodig hebben. Dit vermindert de druk op lokale waterbronnen, waardoor ze langduriger en toegankelijker ingezet kunnen worden voor zowel landbouw als drinkwater. 4. Duurzame landbouw stimuleert het telen van diverse gewassen in agrarische landschappen, met het behoud van de natuurlijke leefomgeving. Dit ondersteunt bestuivers en nuttige organismen, die op hun beurt weer bijdragen aan efficiënter watergebruik en ondersteuning van het ecosysteem.

In Mozambique heeft VSO boeren gekoppeld aan de Nationale Genenbank, met als doel overdracht van kennis en vaardigheden op het gebied van zaadopslag en conservering. Dit alles draagt bij aan het behoud van een diversiteit aan waardevolle planten uit Mozambique op lange termijn. Het helpt een grote verscheidenheid aan voedsel te kunnen produceren, wat essentieel is voor een goede gezondheid. 5. Landen waar voedselschaarste heerst zijn vaak extra kwetsbaar voor de gevolgen van klimaatverandering, onder andere door grillige neerslagpatronen. Duurzame landbouw is adaptief en veerkrachtig, dankzij de verscheidenheid aan gewassen. De afhankelijkheid van specifieke gewassen wordt verminderd, waardoor het land ook beter verschillende soorten weer aan kan. Nelson Mudzingwa is de nationale coördinator van Zimbabwe Small-Holder Organic Farmers Forum (ZIMSOFF). Dit is een expertisecentrum op het gebied van duurzame landbouw, dat wordt gefinancierd door het ACTIVE-programma van de Britse overheid. Dit centrum ondersteunt duurzame landbouwmethoden en de rol van boerenverenigingen bij het verbeteren van voedselsoevereiniteit. “Soms kunnen wij boeren het niet meer aan. We krijgen veel begeleiding van vrijwilligers bij het omgaan met klimaatverandering. Klimaatverandering heeft meer boeren ertoe aangezet om water op te vangen. Dit is een zeer droog gebied. Als het een gunstig seizoen is, valt er nog steeds slechts 400ml regenwater.”
6. Duurzame landbouw kan ook leiden tot een beter levensonderhoud en minder armoede in landen waar vaak voedselschaarste heerst. Naarmate gemeenschappen meer duurzame landbouwpraktijken toepassen, worden ze minder afhankelijk van dure benodigdheden als synthetische meststoffen en pesticiden, die tevens waterintensief kunnen zijn. Duurzame landbouw is meer dan een reeks technieken. Het is ook een beweging van kleine voedselproducenten waarbij de nadruk ligt op lokale economieën en voedselsystemen. Het nastreven van duurzame landbouw richt zich niet alleen op voedselzekerheid, maar draagt ook aanzienlijk bij aan inspanningen voor waterbehoud. Door duurzame landbouw verbetert de waterefficiëntie, de gezondheid van de bodem en wordt de afhankelijkheid van irrigatie verminderd.
De oogst van tarwe in Duitsland. Landbouw of agricultuur is het geheel van menselijke activiteiten waarbij de bodem wordt gebruikt voor de productie van planten en dieren, ten behoeve van de economie. Elke vorm van landbouw beïnvloedt de plantaardige en dierlijke productie met cultuurmaatregelen, omvat de oogst van deze producten en de verwerking van die oogst. Het kan hierbij gaan om de productie van voedings- en genotsmiddelen, om de productie van veevoeder, van grondstoffen en van siergewassen. Hoewel een scherpe indeling niet altijd gemaakt kan worden, deelt men de landbouw gewoonlijk in in de akkerbouw, tuinbouw, bosbouw, weidebouw en veeteelt.
De tweede categorie wordt weer onderverdeeld in vollegronds tuinbouw en kassenteelt. Afhankelijk van de verbouwde gewassen of de gehouden landbouwdieren, de beschikbare grondsoort en het welvaartsniveau wordt gebruik gemaakt van verschillende landbouwmethoden die gepaard gaan met specifieke landbouwwerktuigen. In armere gebieden wordt nog gewerkt met eenvoudig gereedschap en trekdieren, terwijl elders de landarbeid verregaand gemechaniseerd en geautomatiseerd is, met soms grote en technisch hoogstaande machines en robots. Voor de landbouw zijn abiotische factoren als temperatuur, neerslag, de bodemvruchtbaarheid, bodemstructuur en de waterhuishouding van groot belang. Zo vraagt permanente landbouw ten minste 200 tot 400 mm neerslag per jaar, mede afhankelijk van de verdamping en de grondsoort.
Sommige vormen van landbouw, zoals irrigatielandbouw, vergen grote investeringen in arbeid en kapitaal, en een hoog ontwikkeld organisatieniveau. Door voortschrijdende ontwikkelingen in landbouwkunde, plantenveredeling, en het gebruik van pesticiden en kunstmest zijn de opbrengsten van landbouw vanaf 1800 sterk toegenomen. De moderne landbouw is medeverantwoordelijk voor uiteenlopende milieuproblemen, zoals de uitputting van grondwater, stikstofproblematiek, ontbossing, landdegradatie en de opwarming van de Aarde. De intensieve veeteelt heeft geleid tot zorgen over dierenwelzijn en de resistentie tegen antibiotica. Landbouwactiviteiten kunnen worden onderverdeeld in een aantal deelsectoren. Het houden van gedomesticeerde dieren gebeurt in de veeteelt. Daarnaast is er visteelt. In de bosbouw worden zowel natuurlijk ontstane als aangelegde bossen gebruikt voor de houtproductie. De tuinbouw kan onderscheiden worden in groenteteelt, sierteelt, fruitteelt, boomteelt en paddenstoelenteelt voor respectievelijk de teelt van groenten, siergewassen, vruchten, jonge bomen en paddenstoelen. De akkerbouw onderscheidt zich van de tuinbouw doordat de gewassen op een grotere schaal geteeld worden; naar verhouding tot het aantal gewassen of de hoeveelheid grond is er minder arbeid nodig.
Naast typische akkergewassen zoals granen worden ook akkerbouwmatig (grootschalig) groenten geteeld zoals peen en kool. In het dagelijks spraakgebruik wordt het woord 'landbouw' soms in een beperktere betekenis gebruikt voor slechts een deel van de bovenstaande deelsectoren. De uitbater van een landbouwbedrijf wordt boer genoemd, ook wel landbouwer of agrariër. Een boerderij is een bedrijf met gebouwen en bouwland en/of weidegrond. Landbouw leverde oorspronkelijk voedsel op dat vooral bestemd was voor de boer, zijn gezin, de gemeenschap en eventueel de landeigenaar, zoals in het hofstelsel. In de loop der eeuwen is grootschalige, marktgerichte landbouw in een groot deel van de wereld dominant geworden. Landbouw produceert niet alleen voedsel, maar ook andere goederen als sierplanten. In de ontwikkelde landen is door de combinatie van kennis van de bodem, waterbeheersing, meststoffen, gewassen, plantenveredeling, genetische manipulatie, onkruidbestrijding en de bestrijding van schimmels, insecten en aaltjes een hoge opbrengst per hectare bereikt. Tegelijkertijd heeft de toegenomen mechanisatie de benodigde arbeidskracht per eenheid product belangrijk verminderd.
Landbouw is ontstaan tijdens de zogeheten neolithische revolutie. Het belang van die periode voor de mens is slechts vergelijkbaar met die van de industriële revolutie vele millennia later. Hoewel het effect op de individuele mens over het algemeen beperkt was, veranderden de menselijke samenlevingen op de lange termijn drastisch door de opkomst van de landbouw. Dit is onder meer te zien aan de omvang van de wereldbevolking. Meer dan 99% van haar geschiedenis leidde de mensheid het bestaan van nomadische jager-verzamelaar. Dit ging gepaard met de nodige gevaren, maar ook mogelijkheden die besloten lagen in de lokale omgeving. Met het aflopen van de laatste ijstijd begon de bevolking zo’n 16.000 jaar geleden sterk te groeien. Om gebruik te maken van zich zo nu en dan voordoende voedseloverschotten begon men zich langer op een plek te vestigen. Zo'n 15.000 jaar geleden begon ook de Natufische cultuur in de Levant wilde granen te oogsten. Toen het tussen 11.000 en 9600 jaar geleden droger en kouder werd in het Jonge Dryas, werden manieren gevonden om gewassen toch te laten groeien. Deze eerste vorm van landbouw moet ontstaan zijn door niet al het graan van de wilde gewassen te consumeren, maar een gedeelte te bewaren om deze later te zaaien. Deze overgang moet enkele eeuwen geduurd hebben. Ongeveer 9500 jaar geleden, toen het klimaat weer gunstig werd, begon de bebouwing van wilde graansoorten volop in de Levant.
Waar jager-verzamelaars echter slechts enkele uren per dag besteedden aan een gevarieerde maaltijd, moesten boeren hard werken voor een eentonig maal. De Levant was niet de enige plaats waar een dergelijke revolutie plaatsgreep. Onder min of meer gelijke omstandigheden, vonden op verschillende plekken op aarde vergelijkbare ontwikkelingen plaats. Zo ontstond de landbouw tussen 12.000 en 5000 jaar geleden, op minstens elf - en mogelijk meer dan twintig - verschillende plaatsen, onafhankelijk van elkaar. De oudste vondsten die op landbouw duiden, zijn in Zuidwest-Azië gesitueerd. In Ohalo II in het huidige Israël zijn vroege aanzetten tot landbouw gevonden die gedateerd worden rond 23.000 BP, zo'n 12.000 jaar eerder dan algemeen wordt aangenomen. Er zijn bewijzen dat de mens wilde granen plukte en vermaalde. Er werden aldaar ongeveer 6000 verkoolde zaadjes gevonden van wilde graansoorten als gerst, haver en wilde emmer (Triticum dicoccoides). Andere vindplaatsen bevinden zich in Amerika (mais), Afrika en Oceanië. Het lijkt er op dat de overgang zeer geleidelijk was. Men vestigde zich al voor langere tijd waar voedsel in overvloed aanwezig was, waarna het een kleine stap zal zijn geweest om neolithische tuinen te onderhouden. Een sedentaire levenswijze maakte het mogelijk meerdere kinderen te onderhouden. Met de toegenomen bevolkingsdruk kon met jagen en verzamelen niet meer volledig worden voldaan aan de voedselbehoefte, wat een drijfveer was om over te gaan tot landbouw.

Hoewel landbouw niet noodzakelijk efficiënter is, is de opbrengst onder de juiste omstandigheden wel groter. Dat betekende dan ook dat de bevolking verder kon groeien, waarna er vrijwel geen weg terug meer was. De verspreiding van de landbouw in Europa gebeurde traag tussen 7000 en 4000 v.Chr. Er zijn sporen gevonden op de Dardanellen rond 6800 v. Chr. terwijl de vroegste sporen in Schotland dateren van 3500 v.Chr. Dit zijn gedomesticeerde variëteiten, wat erop wijst dat deze gebracht zijn van het Nabije Oosten naar Europa door landbouwers die hun planten en levenswijze meebrachten. Dit had langzamerhand als resultaat dat de autochtone bevolking overging naar de agricultuur. Landbouw en veeteelt betekenden het domesticeren van planten en dieren. De eerste granen bestonden waarschijnlijk uit voorouders van de huidige tarwe, gerst, gierst, rijst, rogge, haver en mais. Duizenden jaren na de hond werden de eerste grazers gedomesticeerd. In eerste instantie ging het hierbij vooral om het vlees, maar men begon daarna ook andere zaken te gebruiken, alsook de arbeid die de dieren konden verrichten.
Landbouw veranderde de samenleving drastisch. Steeds meer was er sprake van een vaste woonplaats, terwijl het begrip eigendom steeds重要er werd. Er waren ook nadelen verbonden aan de nieuwe manier van leven. De plaatsgebondenheid, en het intensiever contact met dieren, vergrootten de kans op infectieziekten, door de blootstelling aan, en de verspreiding van ziektekiemen. Ook kon de handel tot een grotere ontwikkeling komen. Door een toegenomen voedselzekerheid werd specialisatie van de arbeid mogelijk, er werden dorpen gevormd met mensen die onttrokken werden aan de voedselproductie. Productie kon hierdoor toenemen, ambachtslieden konden meer produceren dan zij voor eigen gebruik nodig hadden.

Bij afwezigheid van een voldoende grote afzetmarkt in de directe omgeving, kon handel gedreven worden door een vorm van transport op te zetten. Hoewel de Middeleeuwen soms wel gezien worden als een periode van stagnatie, was dit niet het geval op het vlak van de landbouw. Dankzij het door de Golfstroom milde klimaat met voldoende regenval gedurende het hele jaar kon de landbouwproductie in West-Europa gestaag groeien. Door het drieslagstelsel in combinatie met de nieuwe keerploegen kon de productiviteit tot driemaal hoger liggen dan mogelijk was rond de Middellandse Zee. In de zestiende eeuw werd het drieslagstelsel langzaam vervangen door het vierslagstelsel, waardoor het knelpunt van het drieslagstelsel, namelijk de braakliggende gronden, werd uitgeschakeld. In dezelfde tijd begon de aardappelteelt, waardoor er een einde kwam aan de spanning tussen consumptie en productie.
In de negentiende eeuw werden de handgereedschappen en de door paarden getrokken werktuigen vervangen door machines die aangedreven werden door stoom. Die stoommachines maakten in de twintigste eeuw plaats voor krachtige, geavanceerde machines met een dieselmotor, zoals een tractor of een pikdorser/maaidorser. Het type landbouw dat in een bepaald gebied kan plaatsvinden is sterk afhankelijk van het klimaat en de grondsoort. In een tropisch, regenachtig klimaat is de grond het gehele jaar door warm en in de grote en kleine regentijd ook zeer nat. De grond heeft meestal een geel- of roodachtige kleur en is niet zo vruchtbaar. Belangrijke producten die goed tegen deze omstandigheden kunnen zijn rijst en cassave. Andere belangrijke producten uit deze streken zijn rubber, oliën, cacao, banaan die in de tropische regenwouden worden gewonnen en verbouwd.
In droog grasland en woestijnachtige streken is het warm en droog. De bodem is rotsachtig en zanderig en is moeilijk te bewerken. Sommige grondsoorten zijn heel vruchtbaar als ze bevloeid worden. In een gematigd klimaat is het weer mild en valt er voldoende neerslag. De rijkste landbouwgebieden bevinden zich in regio's met dit klimaat. Er kunnen allerlei verschillende soorten producten worden verbouwd, zoals graan, wortelgewassen, bladgroenten, vruchten en katoen. Ook kan er goed vee worden gehouden, omdat er grazige weiden zijn. Al duizenden jaren lang worden er dieren gehouden voor hun vlees, melk of eieren. Sommige dieren leveren ook andere producten, zoals leer of zijde. De dieren die op de boerderij worden gehouden noemt men vee, het houden zelf heet veeteelt. Veel boeren hebben zich toegelegd op de veeteelt. Ook zijn er boeren die een gemengd bedrijf hebben, waar ze naast vee ook gewassen verbouwen.
De manier waarop dieren gehouden worden hangt af van het land dat de boer tot zijn beschikking heeft, de economische en technologische middelen waartoe hij of zij de beschikking heeft en van het soort product dat hij wil verkopen. Fokken is een onderdeel van de veeteelt en zorgt ervoor dat het boer over voldoende dieren kan blijven beschikken om zo zijn veestapel op peil te houden. De oorspronkelijke manier om vee te fokken is het bij elkaar zetten van mannetjes en vrouwtjes om te paren. Met selectief fokken kan ervoor worden gezorgd dat het nageslacht specifieke eigenschappen overneemt van de ouders. Zo kunnen er dieren worden gefokt die beter het doel dienen waarvoor zij gehouden worden. Als met dieren van hetzelfde ras wordt gefokt, heet dit raszuiver fokken. Het is echter ook mogelijk dat een agrariër twee dieren van een verschillend ras laat paren. Dit heet kruisen.
Het bedrijven van intensieve veeteelt of bio-industrie is een middel om de productie van landbouwproducten te verhogen. Een landbouwbedrijf waar intensieve veeteelt plaatsvindt wordt gekenschetst door het gebruik van veel input met het doel om de productie te maximaliseren. Het baseert zich op het gebruik van kunstmest, het gebruik van ruwvoer en krachtvoer (geconcentreerde diervoeding) en diergeneesmiddelen. Dieren in de intensieve veehouderij staan soms het gehele jaar binnen in een stal waar ze voer al of niet in geconcentreerde vorm te eten krijgen. Vee is vatbaar voor allerlei verschillende ziekten veroorzaakt door bacteriën, virussen, insecten en schimmels. Om continuïteit in het landbouwbedrijf te garanderen, moet een veehouder deze ziekten proberen te voorkomen en waar nodig in te dammen.
Koeien kunnen bijvoorbeeld lijden aan uierontsteking, de ziekte van Bang of mond-en-klauwzeer, die dodelijk kunnen zijn. Sommige ziekten, met name in tropische gebieden, worden veroorzaakt door parasieten, die van het ene dier op het andere dier kunnen worden overgebracht. Andere ziekten kunnen worden veroorzaakt door dieren op een bepaalde manier te voeden. Zo kunnen schapen die in natte gebieden gras eten de leverbotziekte krijgen. Dieren die niet goed schoongemaakt worden kunnen het slachtoffer worden van maden. In de westerse wereld worden er op melkveebedrijven grote kuddes koeien gehouden die alleen voor hun melk worden gebruikt. Om zo veel mogelijk melk te produceren, worden er speciale rassen gebruikt, krijgen de dieren voldoende drinkwater, en grazen ze op weilanden met smakelijke grassen. Omdat een koe van nature melk geeft om haar kalf te voeden, moet een melkkoe eerst van een kalf bevallen voordat ze melk kan produceren. Op de meeste melkveebedrijven krijgen koeien hun eerste kalf rond hun tweede levensjaar. Tijdens hun werkzame leven krijgen ze er vaak meerdere. De eerste paar dagen na de geboorte geeft de koe melk met een afwijkende substantie. Dit wordt biest of colostrum genoemd. Op veel boerenbedrijven blijft het kalf ongeveer een week bij de moeder, waarna het kunstmatig wordt gevoed. De moeder blijft dan als ze steeds gemolken wordt melk geven. Zo'n zeven weken na de geboorte bereikt de...
