Ouderen wonen steeds langer zelfstandig. In deze notitie nemen we die aanpassingsopgave en de behoefte aan vernieuwende woonconcepten onder de loep. Hoe groot zijn deze opgaven en hoe makkelijk zijn deze opgaven te realiseren gezien de organisatorische, beleidsmatige en financiële knelpunten en de attitudes van ouderen?
Sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw wonen ouderen steeds langer zelfstandig, óók als de beperkingen toenemen. Inmiddels gaat het om zo’n 3,2 miljoen 65-plussers, waarvan 1,2 miljoen 75-plussers. In dit artikel beschouwen we de woonsituatie van 65-plussers, omdat zij in het algemeen (nog) in de gelegenheid zijn om te anticiperen op mogelijke toekomstige beperkingen. Vooral boven de 75 neemt de kans op gebreken toe. Het hebben van (chronische) aandoeningen betekent niet meteen dat ouderen zich ook gehinderd voelen in hun dagelijks functioneren (RIVM 2018), laat staan dat hun woning gelijk niet meer voldoet.
Maar vooral bij ouderen met (een risico op) lichamelijke problemen, dus bijvoorbeeld betreffende het bewegingsapparaat, gehoor of zichtvermogen, kan een ongeschikte woning tot problemen leiden (Leidelmeijer et al.). Soms kan een woning worden aangepast, terwijl ouderen in andere gevallen misschien beter kunnen verhuizen naar een geschiktere woning. Dit is mede afhankelijk van de eigendomsvorm: ruim 1 miljoen 65-plushuishoudens hebben een koopwoning, ruim 750.000 wonen in een corporatiewoning en ruim 300.000 in een andere huurwoning. In het beleidsprogramma ‘Langer Thuis’ zet de Rijksoverheid actief in op de twee strategieën van verhuizen en/of aanpassen (Ministerie van VWS 2018).
Ouderen zijn echter doorgaans weinig bereid om (op grote schaal) te investeren in hun woning. Naast de geschiktheid van de woning is ook de sociale omgeving en de functionele geschiktheid van de woonomgeving belangrijk voor het langer zelfstandig thuis kunnen wonen (zie ook Daalhuizen et al. 2019). Naarmate mensen ouder worden, neemt hun actieradius en aantal verplaatsingen af (Van Dam et al. 2013). Een verminderd activiteitenpatroon leidt tot een kleiner (ruimtelijk) netwerk en groter isolement, waardoor ouderen meer afhankelijk worden van contacten en voorzieningen in de buurt waar zij de meeste tijd doorbrengen (Van den Berg et al. 2015, Van Dam et al. 2013, Vermeij 2016, Hoogendijk 2016).
Ook om die redenen verhuizen sommige ouderen liever niet. Ouderen blijken er regelmatig voor te kiezen om te leren leven met de ongemakken van hun woning. Onderzoek laat zien dat ze meesters zijn in ‘coping’ (De Kam, te verschijnen). Zo zijn er ouderen die de bovenverdieping van hun huis niet meer gebruiken, omdat zij de trap niet meer op kunnen. Ook zijn er ouderen die op hun billen de trap op en af gaan. Er lijkt een kloof te bestaan tussen de twee strategieën van het beleid en de bereidheid van ouderen om hun woning aan te passen of om te verhuizen, in de context van hun sociale (woon)omgeving.
Los van deze mogelijke kloof is het aanbod aan woningen voor ouderen ook beperkt; er zijn bijvoorbeeld weinig woonvormen tussen zelfstandig thuis en het verpleeghuis in. Een woning is geschikt voor de oude dag als deze ook ‘in geval van fysieke handicaps of chronische ziekten van bewoners’ prettig bewoond kan worden (Stavenuiter & Van Dongen 2008 p. 15). Een fysiek geschikte woning is een woning waarbij de bewoner geen trap(je) op of af hoeft om bij de voordeur te komen en waarvan de ‘primaire ruimtes’ (keuken, sanitair, woonkamer en minimaal één slaapkamer) op dezelfde woonlaag gesitueerd zijn. Een dergelijke woning wordt ook wel een ‘nultredewoning’ genoemd. Daarnaast zijn er woningen die nu ongeschikt zijn, maar wel geschikt te maken zijn, bijvoorbeeld door een traplift aan te leggen (Leidelmeijer et al.).
Het merendeel van de Nederlandse 65-plushuishoudens woont in een woning die geschikt (te maken) is om ook bij toenemende gezondheidsbeperkingen langer zelfstandig te kunnen blijven wonen. Van de in totaal circa 2,2 miljoen 65-plushuishoudens in 2015 wonen ongeveer 140.000 ouderenhuishoudens in een ongeschikte woning. Ouderenhuishoudens in een meergezinswoning wonen iets vaker in een ongeschikte woning dan ouderenhuishoudens in een eengezinswoning. Dit komt omdat een meergezinswoning bijvoorbeeld vaak een appartement is in een portiekflat zonder lift of met een hoge drempel bij de entree. Een eengezinswoning is doorgaans gemakkelijker aan te passen bij (beginnende) mobiliteitsproblemen. Denk aan het plaatsen van stevige tussentreden, zodat de tredeafstand wordt gehalveerd, of aan het plaatsen van een traplift (Leidelmeijer et al. 2017).
De mate waarin ouderenhuishoudens in een ongeschikte woning wonen, neemt iets af met de leeftijd (zie figuur 1). In 2015 hadden ruim 58.000 ouderenhuishoudens een acute problematische woonsituatie: zij woonden in een ongeschikte woning én hadden een verhoogd risico op somatische beperkingen of beschikten over een somatische indicatie. Deze huishoudens moeten ofwel verhuizen ofwel de woning tegen een relatief fors bedrag (in ieder geval meer dan 10.000 euro) aanpassen als dit laatste überhaupt (in bouwkundige zin) mogelijk is. Ongeveer 603.000 ouderenhuishoudens met een somatische indicatie of een risico op somatische problemen wonen in een woning die geschikt (te maken) is tegen beperkte kosten. Het is niet precies bekend in welke mate woningen die geschikt te maken zijn om langer zelfstandig thuis te wonen, reeds zijn aangepast. Het is daardoor lastig om een nauwkeurig beeld te schetsen van de precieze omvang van de aanpassingsopgave.
Ongeveer 20 procent van alle eengezinswoningen waarin ouderenhuishoudens wonen, is in meer of mindere mate aangepast (WoON 2015). Vaak gaat het om kleine aanpassingen, zoals wandbeugels, douchestoelen en drempelhulpen. Ouderenhuishoudens die in een appartement (meergezinswoning) wonen, wonen met 40 procent beduidend vaker in een aangepaste woning dan ouderen in een eengezinswoning. Ook hier gaat het in het gros van de gevallen om kleinere woningaanpassingen. Er zijn ook verschillen tussen ouderen die huren en ouderen die in een koopwoning wonen: ouderen in een koopwoning wonen minder vaak in een aangepaste woning dan ouderen in een huurwoning (19 procent versus 36 procent).
Opvallend genoeg gaf iets minder dan de helft van alle ouderenhuishoudens in een aangepast appartement aan dat de woningaanpassing (nog) niet noodzakelijk was. Voor de ouderenhuishoudens in een aangepaste eengezinswoning geldt dit voor ruim een derde. Deze huishoudens hebben hun woning mogelijk preventief aangepast en geanticipeerd op de kans dat zij de komende jaren slechter ter been worden. Uiteraard is het ook denkbaar dat hun woning reeds was aangepast toen zij deze betrokken. Of het nou om koopwoningen of om huurwoningen gaat, of om eengezinswoningen of meergezinswoningen, het is dus aannemelijk dat het merendeel van de woningen, circa 80 procent, waarin ouderen wonen nog niet is aangepast (zie bijvoorbeeld WoON 2015; Spierings 2016; Lager et al. 2016).
Want over het algemeen zijn ouderen zoals gezegd nauwelijks bereid tot (preventieve) grootschalige woningaanpassingen (Lager et al. 2016; Schilder 2019). Dit komt deels doordat zij niet graag geconfronteerd worden met maatregelen die geassocieerd kunnen worden met ziekten en beperkingen (Kooistra et al. 2015). Daarnaast willen ouderen geld achter de hand houden voor onvoorziene uitgaven en worden investeringen in het levensloopbestendig maken van de woning veelal gezien als waarde verlagend (Schilder 2019). Tevens zijn ouderen bang dat zij aanpassingen doorvoeren die zij later niet nodig blijken te hebben, zo onderstrepen sommige professionals (zie ook SEV & Aedes 2012; VNG & Aedes 2010; Lager et al. 2016).
Een ander struikelblok bij het aanpassen van woningen hangt samen met de bekostiging van de aanpassing(en). Want wie betaalt de rekening? En wie zijn er allemaal gebaat bij het aanpassen van woningen voor ouderen? Ouderen kunnen woningaanpassingen financieren met eigen liquide middelen zoals spaargeld en winst uit beleggingen. Onder ouderenhuishoudens in een koopwoning is een grote groep met meer dan 50.000 euro aan vrij besteedbaar vermogen. Een groot deel van de ouderen heeft echter minder dan 10.000 euro aan spaargeld; vooral huurders beschikken in de regel over weinig liquide middelen.
Ouderen in een koopwoning hebben ook de mogelijkheid om het opgebouwde vermogen in de woning aan te wenden. In 2015 had driekwart van alle ouderenhuishoudens met een koopwoning meer dan 100.000 euro aan vermogen in de eigen woning opgebouwd. Circa 38 procent van deze huishoudens had zelfs een vermogen opgebouwd van 200.000 euro of meer. Ongeveer 5 procent van de ouderenhuishoudens heeft daarentegen een negatief vermogen in de eigen woning. Deze ouderenhuishoudens hebben een potentiële restschuld; het uitstaande hypotheekbedrag is hoger dan de waarde van de woning, waardoor bij verkoop van de woning een restschuld kan overblijven.
De vraag is uiteraard of ouderen het in de woning opgebouwde vermogen kunnen én willen gebruiken voor het financieren van woningaanpassingen. Hoewel de markt in beweging is met nieuwe financiële producten zoals de Verzilverlening, lijken de mogelijkheden om het vermogen in de eigen woning te verzilveren vooralsnog beperkt. Bovendien is er flink wat literatuur die suggereert dat ouderen niet zomaar het vermogen aan hun woning willen onttrekken. Ook is er bezorgdheid over de bekostiging door zorgverzekeraars en gemeenten, en of zij bereid zijn om grootschalige aanpassingen te vergoeden.
Ouderen kunnen er ook voor kiezen om te verhuizen; naar een woning die wel geschikt is om langer zelfstandig te blijven wonen. Ouderenhuishoudens zijn, in vergelijking met jongere huishoudens, minder geneigd te verhuizen. Als ouderen al willen verhuizen dan is de wens om te verhuizen vaak minder sterk. Een groot deel van de ouderenhuishoudens die willen verhuizen, heeft belangstelling voor een woning die specifiek bestemd is voor ouderen. De mate waarin verhuisgeneigde ouderen naar een ouderenwoning willen verhuizen hangt sterk samen met hun gezondheidsbeleving. Toch is er de afgelopen jaren een daling te zien in het aandeel verhuisgeneigde ouderen dat naar een specifieke ouderenwoning wil verhuizen. Mogelijke verklaring is dat ouderen vooral aan traditionele woonconcepten zoals aanleunwoningen en seniorenwoningen denken bij voor ouderen geschikte woningen.
Verhuizen kan beter passen als de huidige woning niet goed aanpasbaar is. Verhuizen is niet altijd de enige andere mogelijkheid. Soms kan wonen op de begane grond, een huislift, een aangepaste indeling of een andere woningaanpassing beter passen. Een geschikte woning hoeft niet ver weg te staan. De beste keuze gaat niet alleen over geld. De woning moet iedere dag bruikbaar blijven. Vergelijk meer dan alleen de prijs van een verbouwing. Een goedkope oplossing kan tijdelijk zijn. Vraag bij een koopwoning ook naar gevolgen voor de woningwaarde. De gemeente kan een noodzakelijke woningaanpassing beoordelen vanuit de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit heet de Wmo. Dat betekent niet dat iedere gewenste verbouwing wordt vergoed. De gemeente kan ook kijken naar andere oplossingen. Sommige gemeenten kunnen een verhuisvergoeding aanbieden in plaats van een dure aanpassing. Belangrijk: neem eerst contact op met uw gemeente. Koop geen traplift en start geen grote verbouwing voordat uw aanvraag is besproken.
Gaat het specifiek om een traplift? Volg dan het aparte stappenplan voor een traplift aanvragen via de Wmo. Wilt u weten waar u kunt beginnen met een aanvraag? Lees dan welke vergoedingen voor hulpmiddelen en aanpassingen thuis mogelijk kunnen zijn. Een aangepaste woning is niet automatisch geschikt voor intensieve zorg. Een woning is levensloopbestendig als deze bruikbaar kan blijven wanneer uw behoeften veranderen. Bekijk of wonen, slapen, koken en douchen op één woonlaag mogelijk zijn. Kijk daarbij niet alleen naar de naam van de woning. Controleer of slapen, douchen en wonen werkelijk op één verdieping mogelijk zijn.
Een woning is meer dan een gebouw. U heeft er herinneringen, buren en vaste gewoonten. Toch kan een nieuwe woning ook rust geven. Bezoek een mogelijke woning meerdere keren. Bekijk ook de buurt. Loop naar winkels, parkeerplaatsen en openbaar vervoer. Schrijf op wat moeilijk wordt. Bekijk de hele woning. Vraag deskundig advies. Bekijk geschikte woningen. Vergelijk de longer termijn. De woning aanpassen past vooral als de belangrijkste problemen goed op te lossen zijn. Verhuizen past vaak beter als meerdere grote problemen blijven bestaan. Maak de keuze niet alleen op gevoel of op één aanpassing.
Dit artikel geeft algemene informatie. De gemeente beoordeelt of u ondersteuning vanuit de Wmo kunt krijgen. Regels, voorwaarden en beschikbare woningen verschillen per gemeente en verhuurder. Ja, de gemeente kan uw situatie onderzoeken wanneer u ondersteuning vanuit de Wmo vraagt. De gemeente bekijkt welke problemen u thuis ervaart en welke oplossing passend kan zijn. Dat kan een hulpmiddel, woningaanpassing of soms een verhuisvergoeding zijn. Ja, neem eerst contact op met uw gemeente als u een Wmo vergoeding wilt aanvragen. Begin niet alvast met een verbouwing en koop geen duur hulpmiddel. De gemeente moet uw situatie en de mogelijke oplossing eerst beoordelen. Vergelijk bij aanpassen de verbouwing, het onderhoud en mogelijke latere aanpassingen. Kijk bij verhuizen naar de verhuiskosten, nieuwe woonlasten, servicekosten en inrichting. Vergelijk ook de bereikbaarheid van winkels, zorg en familie. Nee, een aangepaste woning is niet automatisch geschikt voor alle thuiszorg. Een zorgverlener moet voldoende ruimte hebben om veilig te werken. Bij een rolstoel, tillift of zorgbed kan veel extra ruimte nodig zijn.
Een woningaanpassing vraagt u meestal aan bij het Wmo-loket of sociaal wijkteam van uw gemeente. Denk aan vragen over drempels, steunbeugels, een douchezitje, traplift of badkameraanpassing. Voor woningaanpassingen kunt u meestal eerst contact opnemen met het Wmo-loket van uw gemeente. Soms zijn er lokale regelingen of leningen. Verhuizen kan beter zijn als noodzakelijke aanpassingen niet uitvoerbaar of erg duur zijn. Denk aan een smalle trap, kleine badkamer of slaapkamer op een onbereikbare verdieping.

Max Wolthuis is HSE specialist en oprichter van Seniorenveiligwonen.nl. Binnen de kennisbank Regelingen en subsidies legt hij officiële informatie van de overheid en erkende instanties uit in begrijpelijke taal. Max vertaalt ingewikkelde teksten over regelingen, vergoedingen en aanvragen naar praktische uitleg op B1 niveau. De artikelen zijn bedoeld als algemene uitleg en praktische wegwijzer. Ze zijn geen juridisch, financieel of medisch advies. Bij het schrijven gebruikt Max officiële bronnen, betrouwbare informatie en zijn ervaring met het begrijpelijk maken van regels en risico’s.
Als uw woning aangepast moet worden, omdat u chronisch ziek bent of een handicap of beperking heeft, dan kunt u proberen om uw eigen woning aan te laten passen. Voor een financiële bijdrage kunt u bij de gemeente terecht, want woningaanpassing valt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Alternatief is dat u de aanpassing zelf financiert. De gemeente heeft een hele lijst voorwaarden waar u aan moet voldoen, dit verschilt per gemeente. De gemeente zegt de goedkoopst adequate oplossing te bieden. Dit zou dus ook een al aangepaste woning kunnen zijn. Met betrekking tot woningaanpassingen zijn de meeste gemeenten heel terughoudend geworden: zelf regelen, zelf betalen of verhuizen.
ANBO-PCOB helpt mensen die tussen wal en schip raken met het Hulpfonds Woningaanpassingen (2015). Meer informatie vindt u op: Het is mogelijk dat als u wel een woningaanpassing krijgt, u een eigen bijdrage moet betalen. Denkt u er wel eens over na waar u over vijf of tien jaar woont? In de Tipgids Woningaanpassingen vindt u een overzicht van allerlei aanpassingen en de mogelijkheden om deze woningaanpassingen te financieren. Onderzoek laat zien dat de Nederlandse bevolking vergrijst en dat valrisico toeneemt; woningaanpassingen kunnen dit risico verkleinen. Liefst 85% van alle woningen is aanpasbaar door drempels te verwijderen en/of door een traplift te plaatsen. Deze woningaanpassingen kunnen het valrisico verkleinen.
De grootste steden staan voor een ingewikkelde opgave: Amsterdam, Den Haag, Rotterdam, Groningen, Schiedam en Vlaardingen kennen veel woningen zonder lift. Het merendeel van de huizen is aanpasbaar; in bijna drie op de vier gemeenten is minimaal 90% van de huizen aanpasbaar. Kleine aanpassingen voeren vooralsnog de boventoon; vaak gaat het om drempelverwijdering en kleine voorzieningen zoals wandbeugels en douchestoelen.
Verhuizen blijft een belangrijke optie. In 2024 wilde zo’n 27% van de ouderenhuishoudens binnen twee jaar verhuizen; onder 35-minners gold dit voor maar liefst 60%. Gezondheid en de behoefte aan zorg zijn de belangrijkste verhuisreden bij 75-plussers (65%). Veel ouderen wonen naar tevredenheid; echter wanneer zorgbehoefte toeneemt, wordt verhuizen vaker overwogen. Een meerderheid van de ouderen wil graag dichtbij buurtvoorzieningen blijven wonen, wat pleit voor kleinschalige, geclusterde woonvormen en Knarrenhoven in de eigen buurt.
Het beleid kan sturen op vernieuwing: een verhuisketen creëren door nieuwbouw of vrijkomen van bestaande woningen opent doorstroming. Gemeenten kunnen met passende seniorenwoningen de pull-factor vergroten en zo de woningmarkt dynamischer maken. Senioren willen de regie in eigen handen houden en verhuizen alleen als de woning écht passend is; daar moeten voldoende passende seniorenwoningen tegenover staan.
- Verhuizen of aanpassen is een persoonlijke keuze; begin ruim voordat er een noodgeval ontstaat en bekijk het hele plaatje van woning, buurt en zorg.
- Kijk naar praktische opties zoals trapliften, drempelverwijdering, en badkameraanpassingen als eerste stappen.
- Vraag tijdig bij de gemeente naar Wmo-vergoeding en bekijk alternatieven zoals verhuisvergoeding of woningaanpassing via de verhuurder of corporaties.
- Overweeg buurtdiensten en ontmoetingsmogelijkheden als onderdeel van een levensloopbestendig woonmilieu.