Plamuur, restauratie en waterverfschilderij technieken en materialen

SRAL heeft veel ervaring met de restauratie van twintigste-eeuwse muurschilderingen. Het afgelopen jaar werden bijvoorbeeld de Mariacyclus in de Koepelkerk in Maastricht van Henri Jonas (1926) en het beschilderde interieur van de H. Cunibertuskerk te Wahlwiller onderzocht en behandeld. Deze restauraties geven een goed beeld van de uiteenlopende oorzaken van schade aan verflagen op muren en het noodzakelijke onderzoek dat nodig is voor een juiste diagnose en behandeling.

Oorzaken van schade en diagnostiek

Vocht speelt uiteraard vaak een belangrijke rol bij verval. Het bindmiddel van de toegepaste verf kan oplossen in water en daardoor zeer kwetsbaar worden. Als er dan ook nog zout in de muren is opgelost, zullen de kristallen bij droging de pleisterlaag verpulveren en de verflaag wegduwen. Een andere belangrijke oorzaak van verval is het gebruik van een minder geschikt type verf voor muurschilderingen of een onjuiste verwerking ervan. Zo schilderde Hans Truijen in Lemiers met acryl vanwege sprankelende kleuren, maar het dampdichte karakter droeg bij aan het sterke afbladderen van de verf. Bovendien neemt de elasticiteit van de verf af doordat moleculen van het bindmiddel (acryl) gaan cross-linken.

Een type verf dat wel zeer geschikt is voor op de muur en speciaal daarvoor ontwikkeld is, is minerale Keimverf: damp-open, spanningsarm en met uitstekende verouderingseigenschappen. Bij onjuiste verwerking kan ook dit materiaal echter problemen veroorzaken. Voor een weloverwogen behandeling van de schilderingen in de H. Cunibertuskerk te Wahlwiller was het noodzakelijk om de restauratiegeschiedenis nader te bestuderen. Tijdens de behandeling in de jaren ’80 werd een vernislaag toegepast waaronder deels een vuillaag schuil ging. De optie om deze vernis te verwijderen werd overwogen, omdat kleuren zonder vernis intenser kunnen zijn en vernissen na verloop van tijd steeds moeilijker oplosbaar worden. Uit oude restauratieverslagen bleek echter dat grote delen van de schildering gereconstrueerd zijn omdat de muren zwaar zoutbelast waren.

Afbladderen en blaasvorming van de verf ontstaan door de werking van de ondergrond, de grondlaag of de drager. Veranderingen aan het schilderijoppervlak kunnen de eenheid in het beeld verstoren, bijvoorbeeld waarneming met blote oog of via strijklicht. Bij paneelschilderijen ontstaan de eerste tekenen als fijne puntige blaasjes; bij schilderingen op doek zie je dit aan de randen van scheuren. Roetvorming en rook kunnen de vernislaag uitdrogen en bij hitte verfblazen veroorzaken. Craquelé zijn kleine barstjes en scheurtjes in de verf- en vernislaag van een schilderij.

Dragerintegriteit en structurele restauratie

Het materiaal waarop een geschilderde voorstelling wordt gemaakt kan op verschillende manieren zijn opgebouwd. Aan de achterkant kun je draden ordenen aan de rand van een scheur en terugweven of vervangen. Soms breng je als versteviging extra draden haaks over de scheur aan. Voor het opvullen van gaten kun je stukjes doek inzetten en de randen rafelen zodat de draden vastgezet worden op het bestaande doek. Bij dik geweven doeken kun je draden aan elkaar vastzetten met naald en draad. Soms zweeft de verflaag samen met de grondverf over de drager, wat de hechting verslechtert en afbladderen veroorzaakt.

Onderdeel van passieve conservering is het controleren van het klimaat van het schilderij. De omgevingstemperatuur en de relatieve luchtvochtigheid in de ruimte zijn hierbij belangrijk. Het aanbrengen van een lijstconstructie aan de achterzijde van een schilderij geschilderd op hout verstevigt het paneel om kromtrekken tegen te gaan. Tegelijkertijd kan het verstevigen van de omlijning (spanrand) van een schildersdoek nodig zijn als reactie op vocht en klimaatomstandigheden. Schimmel kan aan beide kanten voorkomen; het is herkenbaar aan grauwe en waterachtige vlekken. Vuil hecht zich snel vast in een vochtige omgeving, en de vernissen kunnen vergelen. Vuil verwijderen gebeurt vaak met zachte middelen, zonder de vernislaag te beschadigen. Bij ongeverniste schilderijen is vuil het duidelijkst zichtbaar op lichte delen. Verkeurede of vergeelde vernis wordt vaak verwijderd met de juiste chemicaliën; als de onderliggende verflaag kwetsbaar is, kan de vernislaag dunner worden gemaakt.

Technieken voor huidherstel en lacunes

Atelier IDDI benadrukt het belang van het aanvullen van ontbrekende verf in schilderijen. Lacunes worden gevuld om een gelijk niveau met de omringende verflaag te bereiken, waardoor de verflaag minder kwetsbaar wordt en retoucheren harmonieus oogt. Diverse soorten vullingen kunnen worden toegepast, afhankelijk van het type schilderij en verflaag. Zelfgemaakte of commercieel geprepareerde materialen worden gebruikt, met aandacht voor oplosmiddelen en gevoeligheden van de verflaag voor oplosmiddelen. Het vullen van lacunes is een veel voorkomende behandeling.

Na het aanvullen kunnen vullingen worden geretoucheerd; de retouche beperkt zich tot de vullingen en beschadigingen en past zich aan de omringende verflaag aan in kleur en glans. In de garderobe en bescherming van schilderijen op doek en paneel spelen structurele behandelingen een essentieel onderdeel van behoud en bescherming van de fysieke integriteit van kunstwerken. Scheurherstel kan draad-voor-draad gebeuren met een butt joint of met een overlappende verbinding; bij lange scheuren kan een combinatie van technieken nodig zijn. Voor het leren en oefenen worden vaak workshops gegeven door specialisten zoals Petra Demuth, waarin uiteenlopende methoden voor scheurherstel worden besproken en toegepast, inclusief het timmervingerwerk met draden en lijmen.

De jaren 60 markeerden een verschuiving in de kunstconservatie: stabiliteit, omkeerbaarheid en materiaalcompatibiliteit kregen centraal belang. Restauratoren begonnen te onderzoeken hoe kunstwerken reageren op omgevingsfactoren zoals luchtvochtigheid en temperatuur. De introductie van synthetische materialen zoals polyesterdoek en acrylaatemulsies en nieuwe apparatuur veranderde het vak. De Mist-Lining techniek bouwt voort op het Cold-Lining-systeem en gebruikt een fijne lijmnevel voor gecontroleerde hechting tussen doek en nieuwe drager. Deze praktijkgerichte aanpak biedt inzicht in de nuances van modernere behandelingen.

Opspanning, lijst en achterzijde

Historisch gezien werden lijst en paneelschilderij uit één stuk hout gesneden; de lijst vervult zowel esthetische als praktische functies: bescherming tijdens transport, mogelijk maken van backing boards aan de achterzijde en bescherming tegen klimaatsveranderingen. Het behoud van de levensduur en stabiliteit van schilderijen gaat verder dan het zichtbare oppervlak; de zorg voor de achterzijde van doeken is cruciaal voor structurele integriteit, zeker bij ongedoubleerde textieldragers. Backing boards variëren in materialen en montagetechnieken; innovatie kan bestaan uit L-vormige beugels die aan de zijkanten van het spieraam worden vastgeschroefd in plaats van aan de bovenzijde, zodat het doek niet wordt ingesneden en het doek behouden blijft.

Een eendaagse cursus “Traditionele en Elastische Methoden voor het Opspannen van Doekschilderijen” behandelt de geschiedenis van opspansystemen, mechanisch gedrag van doeken en het herkennen van mechanische schade zoals scheuren, delaminatie en vervormingen. De was-hars doublagemethode, ook bekend als Nederlandse doublage, wordt belicht als historische techniek: ongeveer 90% van museale schilderijen in Nederland is hiermee behandeld. In een praktijkset wordt de methode toegepast onder begeleiding van ervaren restauratoren, waardoor deelnemers inzicht krijgen in de effecten en beperkingen van deze techniek.

Ingrediënten en materialen voor plamuren

De meest gebruikte houtplamuur is lakplamuur, geschikt voor vullen tussen twee verflagen. Nadelen: droogt traag. Snelplamuur op markt biedt snellere droogtijden. Acrylplamuur smeert als boter en laat zich makkelijk schuren. Voor grotere gaten of houtrot wordt een 2-componenten houtrotvuller gebruikt met een 1:1 mengverhouding, zoals Den Braven Zwaluw Repox en Repox Fast. Renovatiepasta is ook 2-componenten en vereist een kitpistool; 1:1 mengen is standaard. Epoxyplamuur ontstaat uit een polyester vulmiddel dat vochtgevoelig is en altijd gemengd moet worden in 1:1 verhouding. Er bestaan ook lichtgewicht vulmiddelen voor muren, gipsplaten en houten ondergronden. Restauratie-ateliers kiezen materialen die passen bij de drager, verflaag en oplosmiddelgevoeligheid van de verflaag.

Proces van restauratie bij een schilderij

In restauratieatelier Marjan de Visser begint iedere restauratie met een persoonlijk gesprek met de eigenaar. Het behandelplan omvat voor- en achterzijdefotografie, daglicht- en UV-fluorescentie, en indien nodig infrarood. Microscoopbeelden worden gebruikt om inzicht te krijgen in de drager en verflaag. Tests worden uitgevoerd om de schildertechniek en materialen te identificeren, evenals de staat van de drager. De restaurator onderzoekt of het schilderij geschilderd is op linnen, paneel of een ander substraat en welke verf werd toegepast (olieverf, acrylverf, caseïne). Verifering van vernislagen en de restauratiegeschiedenis helpt bij het plannen van de behandelingen. Reparaties omvatten hechtingen bij loslatende verf, lacunes met vervangend materiaal, en retouches die harmonieus aansluiten bij de originele verflaag.

Tijdens restauratie kan bedoeking een juiste keuze zijn om de leesbaarheid te verbeteren en de betekenis van het kunstwerk te behouden. Een optie is koude doublage onder lage vacuüm met vooraf behandelde Mistlining. Achter de taakomschrijving van de restaurateur gaat een lange traditie waarin opleiding en ervaring cruciaal zijn. Het vak vereist meestal een bachelor- en vaak een masterdiploma op het gebied van restauratie of conservatie. Professionele restauratoren kiezen technieken die omkeerbaar en materiaaltechnisch compatibel zijn, om de oorspronkelijke zeggingskracht zo min mogelijk te schaden. Onprofessionele restauratie kan de conditie verslechteren en schade herstellen moeilijker maken. Daarom is het aanbevelenswaardig om bij twijfels of grote schade een gekwalificeerde restaurator te raadplegen.

Tips voor liefhebbers: bij lichte vervuiling kan terpentijnolie worden gebruikt om vuil voorzichtig te verwijderen, gevolgd door een beschermende lijnolievernis. Gebruik een zacht borsteltje of plumeau voor stof, en vermijd voedsel zoals brood of ui bij schoonmaak, omdat zetmeel de draagmaterialen kan schaden. Plaats schilderijen op een plek met stabiele temperatuur en vochtigheid en zonder direct zonlicht. Voor renovatie en onderhoud bestaan diverse producten en materialen die in balans zijn met de drager en verflaag.

Infographic: Oorzaken van schade aan muurschilderingen en diagnostische stappen

Een video over een gerenommeerd schilderij kan illustreren hoe conservatoren lacunes aanvullen en retoucheren uitvoeren.

Samenvatting van concepten en procedures

• Vocht en zoutverontreiniging zijn belangrijke oorzaken van afbreuk aan verflagen en pleisterlagen.
• Keimverf (minerale, damp-open) biedt voordelen maar vereist juiste verwerking.
• Lacunes vullen met passende materialen verhoogt duurzaamheid en harmoniseert het beeld.
• Retoucheren dient conservatief te gebeuren, met afstemming op de oorspronkelijke verflaag.
• Scheurherstel omvat draad-voor-draad herstel en verschillende verbindingstypes; traditionele technieken worden gecombineerd met moderne methoden.
• Opspanning, lijst en achterzijde beschermen het schilderij tegen optische en mechanische stress en klimaatwisselingen.
• Historische doublage-technieken en recente innovaties beïnvloeden conservatiepraktijken en leren hoe museale werken beter te beschermen.

tags: #plamuur #restauratie #waterverfschilderij