Verschil tussen verkennend asbestonderzoek en partijkeuring: uitgebreide uitleg en toepasbaarheid

Bij het uitvoeren van (water)bodemonderzoek kunt u de volgende normdocumenten gebruiken. Ze zijn aangewezen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) Klik hier voor uitleg over dit begrip (opent als uitklapper), de Omgevingsregeling, de Regeling bodemkwaliteit 2021, de Regeling beoordeling reinigbaarheid grond 2006, de Regeling nadere voorschriften asbestwegen milieubeheer en de Productenregeling asbest.

Voor het uitvoeren van onderzoek naar asbest zijn erkenningen nodig. Dit betekent dat de organisatie en de persoon die het milieuhygiënisch veldwerk of de monsterneming uitvoert, moet beschikken over een erkenning en moet werken volgens het normdocument.

Bij een onderzoek naar asbest in verhardingslagen (geen partijkeuring) en in grond (>50% bodemvreemd materiaal) volgens NEN 5897 geldt voor het veldwerk geen erkenningsplicht. De landelijke normen voor asbest in grond, bodem en puingranulaat zijn vastgesteld op 100 mg/kg gewogen gehalte. Het gewogen gehalte is het serpentijngehalte vermeerderd met tienmaal het amfiboolgehalte.

Deze waarde geldt zowel als interventiewaarde bodemkwaliteit, als kwaliteitseis bij het toepassen van grond, baggerspecie en bouwstoffen. De interventiewaarde bodemkwaliteit voor asbest in grond is opgenomen in bijlage IIA van het Bal. De vezels bij amfiboolasbest (onder andere crocidoliet en amosiet) zijn rechter en daardoor stekeliger dan bij serpentijnasbest (onder andere chrysotiel) waarvan de vezels meer gekruld zijn. De rechte vezels van amfiboolasbest kunnen makkelijker en meer schade aanrichten. Het is daarom nodig om het gehalte aan amfiboolasbest met een factor 10 te vermenigvuldigen, omdat amfiboolasbest schadelijker is voor de gezondheid.

De kwaliteitseisen voor asbest in grond, baggerspecie en bouwstoffen zijn opgenomen in de bijlagen A (bouwstoffen) en B (grond of baggerspecie) van de Regeling bodemkwaliteit 2021. De waarde van 100 mg/kg (gewogen gehalte) geldt als eis, mits het asbest niet opzettelijk aan de bouwstof, grond of baggerspecie is toegevoegd. Wanneer een verontreiniging met asbest is veroorzaakt na 1 juli 1993, is dit een overtreding van de zorgplicht. Bij het herstellen van een zorgplichtsituatie geldt, net als voor alle andere stoffen, dat de initiatiefnemer moet terugsaneren tot onder de rapportagegrens.

Voor asbest geldt dat sprake is van een historische verontreiniging wanneer deze voor 1 juli 1993 is veroorzaakt. Deze datum valt samen met de inwerkingtreding van het Productenbesluit asbest. Om vast te stellen of een verontreiniging met asbest in de bodem risico's kan geven voor het huidig of toekomstig gebruik, kan een deskundige de Risicotoolbox bodem van het RIVM gebruiken. Voor asbest is geen Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR) opgenomen in bijlage Vb van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).

De wijze van vaststelling van humane risico's in de Risikotoolbox is afgeleid van de bepaling van humane risico's uit bijlage 3 Milieuhygiënisch saneringscriterium bodem, protocol asbest uit de voormalige Circulaire bodemsanering per 1 juli 2013. Soms is het bij onderzoek naar asbest nodig om aandacht te besteden aan respirabele vezels. Bij respirabele vezels gaat het om stofdeeltjes met een aerodynamische diameter kleiner dan 10 micrometer. In dat geval is een SEM-analyse aanbevolen. Een SEM-analyse is een elektronenmicroscopische analyse waarbij de kleinste deeltjes detecteerbaar zijn.

Afhankelijk van de situatie is het daarbij aan te raden om bij het onderzoek uit te gaan van een dunnere laag dan 0,5 meter, als deze specifiek verdacht is op het voorkomen van respirabele vezels. In het kader van een risicobeoordeling voor asbest. Zie risicotoolbox bodem van het RIVM.

Dit gehalte moet het onderzoeksbureau optellen bij het gehalte zoals dat is bepaald uit de fractie 0,5-20 mm (grondmengmonster) en >20 mm (verzamelmonster grovere delen). Het is in de praktijk mogelijk dat het asbestgehalte niet boven de interventiewaarde bodemkwaliteit komt, maar het gehalte aan respirabele vezels wel de risiconorm overschrijdt. In een dergelijke situatie kan graafwerk in principe plaatsvinden onder de milieubelastende activiteit Graven in bodem met een kwaliteit onder of gelijk aan de interventiewaarde bodemkwaliteit.

Gemeenten kunnen voor deze situatie in het omgevingsplan eventueel een regel opnemen die borgt dat bouwen op zo'n verontreiniging niet mogelijk is zonder sanerende maatregelen. Bij bouwwerkzaamheden kunnen bouwmaterialen in de bodem zijn beland. Daarom zijn asbesthoudende gebouwen en/of gebouwen met een asbestdak een verdenking voor asbest in de bodem. Daarnaast kan door erosie van uitpandige asbesthoudende materialen tijdens de levensduur van het gebouw asbest in de bodem terechtkomen. Dit speelt met name bij asbestdaken. Hier kunnen onder invloed van wind en neerslag bij de afwezigheid van een dakgoot, respirabele vezels in de drupzone langs het gebouw belanden.

Uit onderzoek blijkt dat de asbestvezels vooral voorkomen in de toplaag van de bodem, meestal tot een diepte van circa 10 cm. Dit gebeurt langs een horizontale zone van 1 meter vanaf de dakrand. Een goed bodemonderzoek is daarom noodzakelijk om deze toplaag als separate verdachte laag (in plaats van de standaarddikte van 0,5 m) te onderzoeken. De aanwezigheid van puin kan een aanwijzing zijn dat de partij grond of baggerspecie of de bodem asbesthoudend materiaal bevat.

Kan het onderzoeksbureau voldoende onderbouwen of motiveren dat het puin en/of puingranulaat gezien typering, ouderdom, bijmengingen en vooronderzoek niet te relateren is aan asbest? Alleen dan mag het onderzoeksbureau de locatie of de partij als asbest-onverdacht beschouwen. Kan het onderzoeksbureau onvoldoende onderbouwen of motiveren dat in het aanwezige puin en granulaat geen asbest voorkomt? Dan moet het onderzoeksbureau de locatie of de partij altijd als asbestverdacht beschouwen. NEN 5717 (voor de waterbodem) en NEN 5725 (voor de landbodem) geven aan hoe te motiveren is dat het onderzoeksbureau de locatie of de partij als onverdacht kan beoordelen. Ondanks de aanwezigheid van puin is er dan toch geen noodzaak om een fysiek asbestonderzoek uit te voeren. Dit kan op basis van een vooronderzoek volgens NEN 5717 en NEN 5725. Dit gebeurt in combinatie met visuele waarnemingen tijdens de terreinverkenning voorafgaand aan het veldwerk.

Bij wegen en paden is het van belang om na te gaan of in het verleden gaten in de weg zijn opgevuld met asbestverdacht puin. Dit komt vaak voor bij onverharde wegen in het buitengebied. Vaak is hiervoor (bouw)puin uit de directe omgeving gebruikt. Ook tijdens het veldwerk kan het onderzoeksbureau of het veldwerkbureau (onverwacht) puin of puinbijmenging aantreffen. In dat geval is sprake van een dusdanige wijziging ten opzichte van het vooronderzoek dat deze nieuwe informatie moet leiden tot aanpassing van de onderzoeksopzet. Bijlage A van NEN 5725 licht de relatie tussen de aanwezigheid van puin en de verdenking op asbest toe. Onderdeel A.4 van NEN 5725 gaat over de verschillende soorten puin. Bij puingranulaat is er een relatie met de ouderdom (moment van productie).

In 2018 is een onderzoek uitgevoerd om de relatie tussen het voorkomen van puin in de bodem en de daadwerkelijke aanwezigheid van asbest in de bodem nader te onderzoeken. Naar aanleiding van het onderzoek 'Statistische analyse van de relatie puin in de bodem en de aanwezigheid van asbest' door TNO heeft een werkgroep met vertegenwoordigers uit de uitvoeringspraktijk in 2019 een Richtlijn tijdelijke uitname asbest en puin ontwikkeld. De richtlijn is alleen van toepassing op werkzaamheden in de bodem waarbij sprake is van tijdelijke uitname en terugplaatsen van grond, zonder dat daarbij sprake is van afvoer van grond. De richtlijn gaat over de scope van het vooronderzoek en geeft handvatten voor het (onverwacht) aantreffen van puin of asbestverdacht materiaal tijdens het werk.

Let op: als sprake is van een asbestweg, is het volgens het Besluit asbestwegen milieubeheer niet toegestaan om de uitgenomen bodem en/of puin weer terug te brengen. Kan het onderzoeksbureau in een vooronderzoek voldoende motiveren dat deze verdenking onterecht is? Dan hoeft het onderzoeksbureau de partij niet specifiek op asbest te onderzoeken. Anders is wel onderzoek naar asbest nodig bij de partijkeuring. De Raad van State heeft dit bevestigd met een uitspraak in een zaak tussen de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) en een onderzoeksbureau. Voor de uitleg van het begrip 'asbestverdacht' in protocol 1001 (Monsterneming voor partijkeuringen grond en baggerspecie) verwijst de Raad van State naar de definitie uit NEN 5725 en NEN 5707.

Uit voorinformatie bij een partijkeuring kan blijken dat eerder volgens NEN 5707 of NEN 5897 uitgevoerd fysiek asbestonderzoek beschikbaar is. Als daaruit blijkt dat in de bodem geen asbest is aangetoond, is het niet nodig om de partij alsnog op asbest te onderzoeken bij de partijkeuring. Zelfs als er puin aanwezig was. De verdenking is dan namelijk verworpen. Het kan zijn dat de kwaliteit van een puinlaag niet bekend is, terwijl uit het vooronderzoek volgens bijlage A van NEN 5725 blijkt dat de puinlaag asbestverdacht is. Dan is het volgens CROW-publicatie 400 bij voorgenomen graafwerk in deze puinlaag noodzakelijk om de puinlaag volgens NEN 5897 te onderzoeken. Op deze manier kan het onderzoeksbureau vaststellen of de puinlaag asbesthoudend is. En of er maatregelen en voorzieningen nodig zijn om veilig te kunnen werken. Dit is ook van belang voor de eventuele afvoer naar een erkend verwerker.

Voldoet een puinlaag aan de definitie van een asbestweg? Dan is het Besluit asbestwegen milieubeheer van toepassing als asbest voorkomt. Dit geldt overigens ook voor bodemlagen met minder dan 50% puin die wel onderdeel zijn van de wegconstructie. Dergelijke lagen moet u volgens NEN 5707 (in plaats van NEN 5897) laten onderzoeken. Als iemand een puinlaag elders wil toepassen als bouwstof onder de regels voor het toepassen van bouwstoffen, verplicht het Bal om van de toe te passen partij een milieuverklaring bodemkwaliteit te hebben.

Doel van een verkennend onderzoek naar asbest in bodem (VOAB) wordt gedaan om na te gaan of de bodem is verontreinigd met asbest. Als er asbest in of op de bodem is aangetroffen, wordt een nader onderzoek naar asbest in bodem (NOAB) uitgevoerd. Een VOAB kan gecombineerd worden uitgevoerd met een regulier verkennend bodemonderzoek (conform NEN 5740). Bij een VOAB wordt met een relatief geringe onderzoeksinspanning nagegaan of een verdenking van bodemverontreiniging door asbest terecht is. Als bij het VOAB asbest in of op de bodem is aangetroffen, wordt een NOAB uitgevoerd.

Afhankelijk van het soort onderzoek (verkennend of nader) en de aard van de onderzoekslocatie wordt het asbestonderzoek uitgevoerd door middel van visuele inspecties en het graven van inspectiegaten of korte of lange inspectiesleuven. De materialen en grondmonsters worden in een door de Raad voor Accreditatie (RvA) geaccrediteerd laboratorium geanalyseerd op het voorkomen van asbest. Doel van het nader onderzoek naar asbest in puin is het maken van een schatting (via een ‘worst-case’ benadering) van de concentratie asbest in het puin. Het nader onderzoek wordt uitgevoerd door middel van een systematische visuele inspectie en selectieve monsternames. Een onderzoek naar asbest in puin wordt uitgevoerd conform de norm NEN 5897. Eerst wordt een oriënterend onderzoek uitgevoerd. Hierbij wordt op basis van een historisch onderzoek en een visuele inspectie een globaal inzicht in de partij verkregen.

Asbestinventarisaties in gebouwen en objecten vallen buiten de activiteiten van Terrascan B.V. Voor deze werkzaamheden wordt samengewerkt met zusterbedrijf Fiberscan B.V. Asbest zit niet alleen in gebouwen. Het komt ook voor in (boven)grond, puinverhardingen of stortlocaties. Onderzoek hiernaar gebeurt eerst via vooronderzoek en daarna volgt vaak verkennend en/of nader onderzoek.

Grond is asbestverdacht als het gemengd is met bouw- en sloopafval of als er asbesthoudende materialen of vezels op de grond liggen. Is er sprake van ernstige bodemverontreiniging? Die vraag kan met verkennend en/of nader onderzoek naar asbest in grond worden beantwoord. De genomen monsters worden in een geaccrediteerd laboratorium onderzocht op asbest. Hierna worden berekeningen uitgevoerd om te bepalen of verder (nader) onderzoek noodzakelijk is. Voor onderzoek naar asbest in puinverhardingen of stortlocaties is de NEN 5897 leidend. De opzet van dit onderzoek komt grotendeels overeen met het onderzoek naar asbest in grond. Wel gelden er bij asbest in puinverhardingen of stortlocaties andere regels dan voor asbest in grond.

Asbest kan ook voorkomen in een af te voeren partij grond of puin. Bestaat dit vermoeden? Dan is onderzoek (partijkeuring) noodzakelijk, om het hergebruik van de partij grond of puin vast te kunnen stellen. Daarmee krijg je inzicht of de grond zonder maatregelen elders toegepast kan worden, of dat de partij naar een erkende verwerker moet worden gebracht.

Meer weten? Wil je een offerte aanvragen? Een familiebedrijf met toekomst en een goede sfeer. Een partijkeuring AP04 onderzoekt de kwaliteit en daarmee de toepassingsmogelijkheden van grond, welke vervoerd dient te worden na bijvoorbeeld graafwerkzaamheden. Een AP04 partijkeuring onderzoekt specifiek een te hergebruiken grond dat vervoerd zal worden volgens het Besluit bodemkwaliteit.

Bij kleine partijen grond (tot ongeveer 90 m3) kan de grond doorgaans zonder partijkeuring worden afgevoerd naar een grondbank. Wij kunnen deze aanvraag voor u begeleiden. Indien gewenst kunnen wij helpen om een locatie voor de afvoer van de grond te vinden. Wanneer moet asbestonderzoek tijdens een partijkeuring plaatsvinden? Bij partijkeuringen kan het voorkomen dat er in de te keuren partij grond puin aanwezig is. Als gevolg van een uitspraak van de Raad van State moet het adviesbureau aantonen dat het aanwezige puin asbestvrij is. Dit kan op basis van een historisch onderzoek of een al eerder uitgevoerd asbestonderzoek. Het onderzoek moet dan wel geheel volgens de NEN 5707 (onderzoeksnorm voor asbestonderzoek) zijn uitgevoerd.

Hoe gaat een asbestonderzoek in zijn werk? Er zijn twee varianten. Bij fijne deeltjes puin (asbestverdacht materiaal) tot 40 mm kan het onderzoek gewoon worden uitgebreid met een aanvullende bemonstering. Er worden twee extra monsteremmers gevuld van elk minimaal 50 grepen. Bij grovere asbestverdachte stukken in de partij (> 40 mm) dient met behulp van een graafmachine asbestonderzoek te worden verricht. Er zijn best veel partijen waar toch al een kleine bijmenging aan puin wordt aangetroffen. Dit is zoveel voorkomend dat de laboratoria de vraag van asbestonderzoek nauwelijks kunnen bijbenen.

Infographic: Overzicht verkennend vs. partijkeuring bij asbest

Asbest Instructie Video 2: In gebruik nemen van het containment.

  • Verkennend onderzoek (VOAB) onderzoekt of bodem mogelijk verontreinigd is met asbest.
  • Nader onderzoek (NOAB) volgt als VOAB asbest in of op de bodem aantoonde.
  • Partijkeuring AP04 bepaalt milieuhygiënische kwaliteit van grond voor hergebruik of transport.

Doelgerichte samenvatting van de route door de regelgeving en praktijk laat zien hoe verkennend en partijkeuringen in de asbestketen zich tot elkaar verhouden, inclusief specifieke normen zoals NEN 5717, NEN 5725 en NEN 5897 en hoe puinverdacht materiaal wordt behandeld.

  1. VOAB bestaat uit visuele waarnemingen en geringe monsters met mogelijkheid tot combinatie met regulier bodemonderzoek.
  2. NOAB volgt wanneer VOAB/Puinen aanleiding geven tot nader onderzoek naar risico’s voor gezondheid en milieu.
  3. Partijkeuring AP04 beoordeelt specifieke herbruikbare grond volgens Besluit bodemkwaliteit, inclusief klassenwaarden.

tags: #verkennend #onderzoek #asbest #toch #partijkeuring