Afrika voert elk jaar voor 55 miljard dollar aan voedsel in, een bedrag dat naar schatting nog kan verdubbelen tegen 2030.
Tegelijk is er veel landbouwgrond die onderbenut blijft.
Volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN (FAO) kunnen drie gewassen - maïs, rijst en tarwe - in de helft van de wereldwijde behoefte aan eiwitten en calorieën voorzien.
Het Afrikaanse continent produceert respectievelijk 7, 5 en 4 procent van die wereldproductie.
Volgens hem werd er na de onafhankelijkheid door veel landen een fout gemaakt door te willen inzetten op de productie van goedkoop voedsel voor de mensen in de steden, onder meer door de landbouwprijzen laag te houden en boeren te dwingen om bepaalde gewassen te produceren.
Het resultaat was dat de boer arm werd, zegt Ghanem.
Ghanem pleit ervoor om opbrengsten te verhogen door, in het geval van granen bijvoorbeeld, gebruik te maken van kwaliteitszaden, kunstmest en irrigatie.
“Zo kunnen boeren meer voedsel produceren zonder de productie van gewassen voor cash te verstoren.
Ongeveer 90 procent van de plattelandsbevolking in Afrika ten zuiden van de Sahara is afhankelijk van de landbouw als belangrijke bron van inkomsten.
Maar ook is 95 procent van de landbouw afhankelijk van regenval, aldus het rapport.
Ghanem gelooft niet dat het probleem van de voedselzekerheid in Afrika het gevolg is van de productie van te veel handelsgewassen.
“Ten eerste is de productie van zowel handels- als voedselgewassen over het algemeen laag.
We moeten de opbrengst van beide verhogen.
Het tweede deel van het probleem, zegt hij, zit in de uitdaging van de klimaatverandering.
Hij zegt dat de bezorgdheid dat handelsgewassen voorrang krijgen op voedselgewassen misplaatst is.
“Denk aan het profiel van de boeren in Afrika”, zegt hij.
“Het gaat om zeer kleine boeren.
In landen als Ivoorkust en Ghana maken zij veel meer winst met bijvoorbeeld cacao of koffie dan met rijst.
Tegen deze achtergrond zien deskundigen zoals Ghanem geen conflict tussen de productie van voedsel- en handelsgewassen, omdat Afrika nog over uitgestrekte landbouwgronden beschikt om beide te produceren.
Uit cijfers van de FAO blijkt dat Afrika naar schatting nog zo’n 60 procent van alle niet-benutte landbouwgrond ter wereld herbergt.
Kunstmest blijft voorlopig erg duur omdat het wordt geïmporteerd, zegt hij.

Duurzame landbouwpraktijken verbeteren niet alleen de voedselzekerheid van boeren in Afrika, maar ook hun welzijn.
De Universiteit van Newcastle ondervroeg vijfhonderd gezinnen op het platteland van Tanzania en ontdekte dat de meeste kleine boeren minstens één agro-ecologische praktijk op hun boerderij toepassen.
Zo’n duurzame aanpak levert niet alleen materiële voordelen op, blijkt uit de studie in Agronomy for Sustainable Development.
Er is ook een positieve invloed op het menselijk welbevinden.
“We laten in deze studie zien dat praktijken die profiteren van de hulp van de natuur binnen landbouwsystemen een positieve bijdrage kunnen leveren aan de voedselzekerheid en het welzijn van kleine boeren op het tropische platteland”, zegt Marion Pfeifer, hoogleraar Milieubeheer aan de Universiteit van Newcastle.
Afrika moet zijn landbouwproductie tegen 2050 verdriedubbeld hebben om de bevolkingsgroei bij te kunnen houden.
Het is moeilijk om precies te zeggen wat daarvoor nodig, zegt de Zwitserse agronoom Hans Herren, maar een land dat zorgt voor 50 procent van de calorieën die zijn bevolking nodig heeft, doet het goed.
Uit onderzoek van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) van de Verenigde Naties blijkt dat kleine boeren en biologische landbouw de beste papieren hebben om te zorgen voor voedselzekerheid op het continent.
De onderzoekers stellen dat grootschalige landbouw wel kan helpen, maar alleen als het de bodem niet uitput en niet bijdraagt aan de klimaatverandering.
Meer dan vijftig landen schaarden zich in 2008 achter het rapport, het International Assessement of Agricultural Knowledge, Science and Technology for Development (IAASTD).
Het IAASTD lijkt inmiddels grotendeels vergeten, waarschijnlijk omdat het oproept tot een radicale verandering in de landbouw.
De onderzoekers pleiten voor een ‘groene revolutie’ die compleet anders is dan die in Azië veertig jaar geleden.
Daar werd de landbouwproductiviteit opgevoerd door mechanisatie en gebruik van pesticiden en kunstmest.Die weg is niet duurzaam gebleken.
“De landbouw is verantwoordelijk voor 32 procent van uitstoot van broeikaskassen”, zegt Herren.
“Nu we te maken hebben met klimaatverandering, bodemuitputting en erosie, kunnen we niet op die weg verdergaan.
We moeten de overstap maken naar duurzame of biologische landbouw.”
Regionale landbouw
Eustace Kiarii, directeur van het Keniaanse Netwerk voor Biologische Landbouw (KOAN), wil dat de landbouw van een “op export en vrije handel gebaseerd model overstapt naar duurzame, lokale en regionale landbouw.”
In een land waar 99 procent van de boeren niet meer dan een kwart tot twee hectare land heeft en geld voor pesticiden en kunstmest ontbreekt, lijkt biologische landbouw een goede oplossing.
Ook Zeyaur Khan, een Indiase wetenschapper die werkt bij het International Centre of Insect Physiology and Ecology (Icipe), gelooft in biologische landbouw.
Om de productiviteit te verhogen, ontwikkelde hij een ‘push en pull-techniek’ om ziekten te bestrijden.
Zo kan de plant desmodium gewasziekten uit het veld verdrijven, waarna ze geneutraliseerd worden door olifantsgras (Pennisetum purpureum).
“Dit soort technieken, die weinig kosten, kunnen een groene evolutie in Afrika helpen”, zegt hij.
“Op deze manier kun je voedselzekerheid bereiken zonder extra geld voor hybride zaden, gewasbescherming en bodemverbetering.”
Weinig kunstmest
Niet iedereen gelooft in biologische landbouw in Afrika.
De Alliantie voor een Groene Revolutie in Afrika (Agra), een niet-gouvernementele organisatie die gefinancierd wordt door de Rockefeller en Bill Gates Foundation, is voorstander van gebruik van kunstmest en zaden om op korte termijn meer voedsel te produceren.
“Maar als de voedselproductie te snel stijgt, dalen de prijzen”, zegt Herren.
“Het tegenovergestelde is nodig: om genoeg inkomen te krijgen, moeten de prijzen van landbouwproducten juist omhoog.”
Volgens Khan moeten boeren minimaal twee dollar per dag verdienen om te kunnen blijven werken.
Dat zou met zijn push en pull-techniek mogelijk zijn.
Joan Kagwanja van Agra bevestigt dat haar organisatie het gebruik van kunstmest in Afrika wil bevorderen.
“Op dit continent gebruiken boeren 8 kilo kunstmest per hectare. Dat is nog steeds erg weinig, vergeleken met Europa en Noord-Amerika. Daar wordt 300 tot 500 kilo per hectare gebruikt.”

Toegevoegde waarde
Nick Nuttal, woordvoerder van het VN-Milieuprogramma (Unep) in Nairobi, waarschuwt voor een “one size fits all”-benadering.
“We hoeven niet te kiezen tussen kleinschalige of grootschalige landbouw.
Het is wel zo dat duurzame of biologische landbouw voor meer werk zorgt dan intensieve landbouw.”
“Vroeger werd biologische landbouw gezien als een luxe, niet als iets voor kleine boeren.
Maar de productiviteit is gegroeid.
In Oost-Afrika zijn oogsten toegenomen met 128 procent.
Biologische landbouw zorgt ervoor dat de bodem het water beter vasthoudt.
De bodem blijft ook vruchtbaarder.
“Daardoor krijgen de boeren meer inkomsten.
richt zich voornamelijk op de binnenlandse markt.
“Onze eerste verantwoordelijkheid is te zorgen voor eten voor de Kenianen.
De claim op onze schaarse ruimte door verstedelijking, ontwikkeling van de landbouw, en natuur- en klimaatdoelen vereisen een duurzaam landgebruik om onze planeet leefbaar te houden.
Innovatie in overheidsbeleid en bedrijfsstrategieën is hierbij essentieel, met de natuur als waardevolle partner.
Wij zijn een slagvaardig team van experts in natuurwetenschappen, beleidsadviezen, projectontwikkeling en -coordinatie.
Het zwaartepunt van onze activiteiten ligt op de ontwikkeling van projecten en het genereren van bijbehorende financiën, bijvoorbeeld via (Europese) subsidievoorstellen.
Denk hierbij aan het selecteren van relevante onderwerpen, het bijeenbrengen van partijen en het indienen van kansrijke subsidieaanvragen.
In Sub-Sahara Afrika richten onze activiteiten zich met name op de voedsel-, energie- en watervoorziening.
Daarom voeren we studies uit om de reststromen uit de land- en tuinbouw beter te benutten, zoals cacaoschillen.
Dat komt niet alleen de lokale bevolking en de boeren ten goede, maar ook het klimaat.
Onze speciale aandacht gaat uit naar Niger, dat in het hart van West-Afrika ligt.
De agrarische sector is veruit de belangrijkste sector voor de economie van het land, maar staat onder druk door klimaatverandering.
Vanuit ons kantoor in de Nigerese hoofdstad Niamey ondersteunen we ondernemers in Niger bij het vinden van duurzame manieren van zakendoen.
We ontwikkelen programma’s, instrumenten en methodes, zetten waardeketens op en onderzoeken financieringsopties.
Kennisdeling en capaciteitsopbouw zijn van groot belang.
De landbouwsector in Sub-Sahara Afrika heeft voldoende potentieel om voedselzekerheid in de regio te bereiken.
Specifiek beleid is nodig om de natuurlijke hulpbronnen bodem en voedingsstoffen te beheren, om economische groei ten goede te doen komen aan de armen, en om honger en ondervoeding te verlichten.
In de laatste twintig jaar is het aantal mensen in Sub-Sahara Afrika dat lijdt aan ondervoeding gestegen met 41 procent: van 169 miljoen mensen in 1990 tot 239 miljoen mensen in 2010.
Als gevolg van groei van bevolking en inkomen zal de vraag naar voedsel in 2050 vier maal zo groot zijn als in 2000.
Hiermee is in Afrika de stijging van de vraag naar voedsel veel groter dan in de rest van de wereld.
De bevolkingsomvang zal toenemen van het huidige aantal van 0,8 miljard tot 1,7 miljard mensen in 2050.
Met name in Oost- en Zuid-Afrika is er ruimte om het landbouwareaal uit te breiden.
In West-Afrika is er minder ruimte.
In het geschetst scenario neemt het aantal ondervoede mensen in 2050 af tot ongeveer 40 miljoen.
De toename van landbouwproductie zal leiden tot een afname van het bosareaal en tot een versnelde afname van biodiversiteit tot aan 2030.
Verbetering van voedselzekerheid in de droge gebieden vereist een toename van landbouwproductie door herstel en behoud van de productieve gronden en de natuurlijke omgeving.
De kwetsbare bevolking van deze gebieden vormt een relatief klein deel van de totale bevolking in Sub-Sahara Afrika.
Recente veelbelovende initiatieven tot vergroening van de Sahel kunnen worden geïntegreerd in nationaal beleid zodat grotere gebieden en meer mensen bereikt worden.
In de meer productieve gebieden met een hogere economische groei blijkt bevolkingsdichtheid een belangrijke invloed te hebben op toegang tot voedsel.
Een relatief groter deel van de bevolking kent een betere voedselvoorziening.
In absolute termen komt ondervoeding hier nog wel veel voor aangezien in deze gebieden veel mensen wonen.
Beleid om voedselzekerheid te verbeteren, moet gericht worden op de armere lagen van de bevolking.
Beter inzicht in de natuurlijke en sociaaleconomische omstandigheden is nodig om de paradox te kunnen verklaren dat Sub-Sahara Afrika een regio is met voldoende potentieel voor voedselproductie en toch omvangrijke honger en ondervoeding kent.
H. Hilderink (PBL), J.E. Brons (PBL), J. Ordoñez (ICRAF), A. Akinyoade (ASC), A. Leliveld (ASC), P. Lucas (PBL), M.T.J. Er.
Er is veel te doen over het nieuwe EU-landbouwbeleid en de eisen aan boeren.
Het gaat dan vooral om de duurzame ambities.
Veel minder aandacht gaat uit naar het feit dat exportsteun en importquota de Europese boeren sterk bevoordelen en de wereldmarkt verstoren.
Vooral Afrika is de dupe.
Het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) verschafte boeren in de EU in 2019 58,82 miljard euro steun.
Voor de komende vijf jaar is het vastgesteld op jaarlijks 55,2 miljard.
Een kostenpost die ruim een derde van het totale EU-budget opslurpt (2020) ontstaat niet van vandaag op morgen.
Het landbouwbeleid werd in 1962 ontwikkeld als reactie op voedseltekorten tijdens en na de Tweede Wereldoorlog.
Nog steeds is het EU-landbouwbeleid geënt op verhoging van de voedselproductie.
Maar de bevolkingsgroei in Europa stagneert en de aandacht verschuift geleidelijk van binnenlandse afzet naar voedselexport en versterking van de concurrentiepositie van de EU op de wereldmarkt.
Zo voorspelt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) dat in 2022 Brazilië, China en Oost-Europa de grootste exporteurs zullen zijn van belangrijke voedingsmiddelen zoals rijst, granen, oliën en veevoer.
Volgens de EU Aid Explorer heeft de EU van 2018 tot en met 2020 een bedrag van 8,1 miljard euro besteed aan ontwikkelingshulp voor voedselleveranties in noodsituaties en de ontwikkeling van nationale landbouwsectoren.
Het Afrikaanse continent ontving meer dan de helft (4,19 miljard) van deze steun.
Aan de andere kant worden de Afrikaanse boeren weer op achterstand gezet door de steun die de EU via allerlei mechanismen (figuur 1) aan de eigen agrarische sector verleent.
Terwijl de productiekosten binnen de EU veel hoger liggen, worden de verkoopprijzen dankzij de EU-steun kunstmatig laag gehouden.
Dit verbetert de concurrentiepositie van EU-boeren ten opzichte van hun concurrenten in Afrika.
Daarnaast wordt de agrarische sector in de EU via exportsubsidies en gekoppelde steun (per hoeveelheid van een specifiek product, bijvoorbeeld kilo’s graan, liters melk) geprikkeld om over te stappen op specifieke (export)producten.
Dit leidt tot enorme overschotten van bepaalde producten, die vervolgens tegen kostprijs op Afrikaanse markten worden gedumpt.
In een geliberaliseerde markt zouden de boeren in Afrika veel beter in staat zijn om met de Europese boeren te concurreren en de verwerkingsindustrie te ontwikkelen.
BEELD: GEOGRAFIE & B.J. Een rapport van het Transnational Institute (ngo) beschrijft hoe voedseldumping en de kunstmatig laag gehouden prijzen hebben geleid tot ingrijpende veranderingen in lokale productie- en consumptiepatronen.
In Kenia werden bijvoorbeeld van oudsher tal van graansoorten geteeld zoals sorghum, weegbree, cassave en gerst - grotendeels voor binnenlandse consumptie.
Maar nu eten Kenianen voornamelijk (geïmporteerde) tarwe.
Voor de huidige en nieuwe generaties boeren zijn er nauwelijks perspectieven, dus zij zoeken elders werk.
Basisvoedingsmiddelen worden zo steeds minder lokaal geproduceerd.
Sinds de jaren 1980 is het overgrote deel van de landen in Afrika veranderd van netto-exporteurs naar netto-importeurs van basisvoedingsmiddelen.
Ook aan de EU-importzijde is geen sprake van een level playing field.
Via importtarieven en quota beschermt de EU de eigen producenten tegen concurrentie uit niet-EU-landen.
Het European Centre for International Political Economy rapporteerde in 2011 dat alle EU-importtarieven die de 100% overstijgen, goederen uit de agrarische sector betreffen.
De tarieven en quota zijn vooral hoog voor voedingsmiddelen die Europa zelf ook produceert.
Zo meldt Simons in zijn boek Changing the Food Game dat voor de import van rundvlees EU-tarieven tot wel 150% gelden, terwijl tropisch fruit en groente, vis, thee, koffie en specerijen tegen lage tot geen tarieven ingevoerd mogen worden.
Ook Canada en Amerika heffen importbelasting, maar die van Europa en Japan zijn legendarisch hoog.
Daarnaast beschikken vooral welgestelde Afrikaanse boeren met voldoende areaal en financiële speelruimte over de juiste certificeringen om toegang te krijgen tot de Europese markt.
Naar aanleiding van de kritiek op het geldverslindende EU-landbouwbeleid zijn de uitgaven sinds de jaren 1990 flink teruggedrongen, althans relatief.
Figuur 1 laat zien dat de steun van 1990 tot 2020 in absolute bedragen is toegenomen, maar relatief is afgenomen.
Daarnaast wordt gaandeweg overgestapt van steun gekoppeld aan specifieke producten naar ontkoppelde steun, veelal directe betalingen aan boeren.
Verder worden de quota langzaam maar zeker vervangen door directe handelsovereenkomsten tussen landen.
De Green Deal is een ambitieus plan van de Europese Commissie om de EU klimaatneutraal te maken voor 2050 (zie Geografie februari).
De agrarische sector is verantwoordelijk voor een derde van de CO2-uitstoot (2020).
In de plannen van de Green Deal ligt grote nadruk op het creëren van een circulaire economie in Europa, met een gesloten kringloop.
In 2030 moet 32% van de gebruikte brandstof in de EU uit hernieuwbare bronnen komen, waarvan 14% binnen de transportsector.
Daarnaast moet 55% op CO2-uitstoot worden bespaard door gebruik van biobrandstoffen.
In het verleden is veel kritiek geuit op deze brandstoffen.
Bio-ethanol en biodiesel worden namelijk gewonnen uit gewassen zoals mais en graan, die ook als voedsel kunnen dienen.
Dit leidde tot enorme prijsfluctuaties (figuur 2) van belangrijke basisvoedingsmiddelen en raakte import-afhankelijke landen in Afrika onevenredig hard.
Ondanks de hervormingen van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid van de EU vroegen velen zich in 2020 af of corona en de dreigende economische crisis het protectionisme van de EU weer zouden aanwakkeren.
Voor veel Afrikaanse landen school in een gezondheidscrisis tot nu toe ook een voedselcrisis.
Volgens het International Food Policy Research Institute (2020) kon tijdens de ebola-uitbraak in 2014 40% van de agrarische grond in Afrika niet bewerkt worden.
Wegversperringen verminderden de mobiliteit van seizoenwerkers en boeren.
Zij hadden bovendien niet langer toegang tot zaden, meststoffen en pesticiden.
De grootste dreiging voor importafhankelijke landen zit echter in de aanhoudende misvatting dat ook in Europa voedseltekorten dreigen en dat ‘eigen volk’ voorgaat.
Volgens cijfers van het OESO is daar geen reden toe.
De productie van rijst is sinds 2019 gelijk gebleven en die van tarwe is in 2020 zelfs met 5% toegenomen.
De EU is met de Green Deal en het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid een stap op weg om meer over de uniegrenzen heen te kijken.
Maar Afrika heeft nog altijd geen toegang tot de belangrijkste basisbehoeften, waaronder voedselzekerheid.
VN-rapporteur De Schutter merkt terecht op dat het EU-landbouwbeleid zich niet moet richten op de wereld voeden, maar de wereld ondersteunen zichzelf te voeden.
Dit vergt meer dan alleen het rechttrekken van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid met de klimaatdoelstellingen.
Als grootmacht dient de EU ook te erkennen dat de maatregelen die de Europese boeren ondersteunen, de barricades voor Afrika overeind houden.

Marokko en Algerije zijn belangrijke landbouwlanden in Noord-Afrika met een sterke band met Nederland.
Algerije is de grootste afnemer van Nederlandse pootaardappelen en importeur van levensmiddelen.
Marokko is een belangrijke handelspartner als gebruiker van Nederlandse landbouwtechnologie en exporteur van groenten en fruit.
Beide landen ondervinden grote gevolgen van de veranderingen van het toch al extreme klimaat die landbouw en natuur zwaar op de proef stellen.
Zowel Algerije als Marokko streeft naar een efficiënte en duurzame productie om aan de toenemende vraag naar voedsel te kunnen voldoen.
Nederland biedt hier een helpende hand met kennis en technologie.
Marokko heeft de nodige uitdagingen in de landbouw bij het veranderende klimaat.
De traditionele landbouwmethodes worden gekenmerkt door inefficiënt gebruik van water en energie, overbegrazing en verspilling van grondstoffen.
Om de verduurzaming en productiviteit in de landbouw te versterken, heeft de Marokkaanse overheid het Plan Maroc Vert gelanceerd.
Bij de verbetering van de landbouw maakt Marokko veelvuldig gebruik van Nederlandse kennis en technologie.

Het Landbouwbureau voor de Maghreb in Rabat speelt hierin de rol van initiatiefnemer en aanjager.
Een samenwerkingsverband van Wageningen UR en het Nederlandse en Marokkaanse tuinbouwbedrijfsleven bouwt komend jaar in Agadir een moderne tuinbouwkas.
Het project laat Nederlandse technologie zien op het gebied van energiebeheersing, schermdoeken, efficiënt watergebruik, precisiebemesting, kwaliteitsverbetering, bedrijfsvoering en logistiek.
Op deze wijze kan de Marokkaanse tuinbouwsector doorgroeien naar een hoger technologisch niveau met een efficiënte en duurzame productie.
Een Nederlands bedrijf gespecialiseerd in zouttolerante teelten begint binnenkort een aantal veldproeven met zouttolerante gewassen op verzilte bodems.
Deze innovatieve technologie draagt bij aan een efficiënt gebruik van bodem en water en geeft daarmee oplossingen voor de gevolgen van veranderende klimaatomstandigheden.
Hiermee kunnen zelfs verlaten landbouwgebieden opnieuw en duurzaam worden gebruikt voor de landbouw en kan de verzilting worden teruggedrongen.

Nederlandse bedrijven en instellingen werken in verschillende projecten aan de verbetering van de melkveehouderij.
Hierbij ligt het accent op verbetering van de stallen, ruwvoerproductie, bedrijfsvoering, beperking van mineralenuitstoot en betere melkkwaliteit.
Het sluiten van de productieketens is enorm belangrijk.
Daarom werkt Nederland in zowel Marokko als Algerije ook aan verbetering van de naoogst, opslag en verpakking van aardappels, uien, appels en peren.
Voedselzekerheid en klimaatverandering zijn belangrijke thema’s van de Sustainable Development Goals.
De VN heeft deze 17 doelen in 2015 vastgesteld als brede agenda voor duurzame ontwikkeling met 2030 als richtdatum.
De minister van LNV streeft in haar visie naar een sterke internationale positie van de Nederlandse landbouw en een omslag naar kringlooplandbouw.
Hiermee krijgt het werk van het Landbouwradennetwerk nieuwe impulsen.
In Nederland zijn de SDG’s verankerd in het overheidsbeleid en in de strategische agenda van bedrijven, kennisinstellingen en maatschappelijke organisaties.
Ook internationaal krijgt deze duurzaamheidsagenda steeds meer aandacht en navolging.
Zo heeft de VN in 2015 met enkele partners in Kigali, Rwanda, het SDG Center for Africa opgericht die de duurzaamheidsprestaties van Afrikaanse landen bijhoudt en adviseert over duurzame ontwikkeling in Afrikaanse context.
In 2018 scoorde Marokko het hoogst op de Afrikaanse SDG-ladder.
De Nederlandse overheid en agribusiness dragen internationaal bij aan het realiseren van de VN-doelen.
De SDG’s zijn een handig hulpmiddel om de effectiviteit van onze internationale inzet zichtbaar en meetbaar te maken.
De SDG’s kunnen ook helpen om bepaalde doelen in internationaal verband te benoemen en aan te jagen.