Een grafsteen is een steen die de plaats markeert waar een graf ligt en die daar met opzet voor dit doel is geplaatst. Fragment van een grafschriftenverzameling van de Sint-Walburgakerk die werd aangelegd door kerkmeester Jan van Steelant. Grafstenen dienen als een focus voor de rouwenden en als een statement voor het belang van de overledene volgens diens nabestaanden, of eventueel, bij mensen die alles zelf voor hun dood al geregeld hebben, volgens hem- of haarzelf. Het materiaal van de steen gaat vaak decennia tot eeuwen mee; een steen van gepolijst graniet heeft een nagenoeg onbeperkte levensduur, en is na duizenden jaren zo goed als onaangetast, zoals uit vele Egyptische graven blijkt; een steen van kalksteen of zandsteen kan in een eeuw al zo goed als onleesbaar worden. Zeer eenvoudige graven worden vaak gemarkeerd met een houten kruis, dat meestal binnen een paar jaar zal wegrotten.
Grafstenen in kerken ("grafzerken"), vaak dekplaten van graven in de vloer van de kerk, hebben minder van het weer te lijden, maar worden vaak, als er over gelopen wordt, in de loop van de tijd toch onleesbaar. Begraven in een kerk komt tegenwoordig niet meer voor. Op grafstenen in Italië komt men vaak de lettervolgorde "O P A" tegen. Dit is Latijn voor Ora(te) Pro Animis, wat "Bid voor onze zielen" betekent. Ook is OPA te beschouwen als een samengestelde 'boodschap' die ontstaan is in de 4e eeuw. De O en de A verwijzen naar de Griekse letters omega en de alfa, ofwel het eind en het begin, refererend aan Christus’ woorden "Ik ben het begin en het eind." De P wordt vaak met een kruisje of een streepje erdoorheen afgebeeld. Het vormt dan een chrismon of christusmonogram, bestaande uit de Griekse letters chi en rho, de beginletters van de naam Χριστός (Kristos = Christus).
Historische voorbeelden en bijzondere zerken
De grafsteen van Hendrick van Doerne en zijn familie, tegenwoordig in de noordelijke zijtoren van de St. De vloer van de Oude Kerk omvat een rijke collectie grafzerken, daterend van de late 14de eeuw tot 1865. Er zijn veel belangrijke personen begraven, zoals burgemeesters, priesters, kerkbestuurders, admiraals, geschiedschrijvers, architecten, componisten en andere kunstenaars. Op veel zerken staan namen, bij de oudste in gotisch schrift, sedert de tweede helft van de 16de eeuw steeds meer in Romeinse letters. Tot in de 17de eeuw zijn ook veel handmerken ingebeiteld. Geen van de zerken is ongeschonden tot ons gekomen. Door de voortdurende slijtende werking van schoenzolen zijn zij, de één meer dan de ander, afgesleten. Alle zerken zijn voorzien van een nummer, maar het zal de aandachtige beschouwer niet ontgaan dat veel zerken een dubbele nummering dragen en dan nog liggen op een andere plaats dan de nummers aangeven.
Door de eeuwen heen zijn zerken verlegd, eenvoudigweg omdat ze tweedehands gebruikt zijn op een ander graf, uit de loop werden gelegd omdat het hoge reliëf een obstakel vormde of om andere redenen. In vrijwel alle zerken is een rechthoekig gat aangebracht. Daarin kon een wigvormig werktuig geplaatst worden met een oog aan de bovenzijde. Talrijke graven waren eigendom van personen, die er voor hun familie een grafplaats reserveerden. Er blijkt een levendige handel in graven te hebben bestaan, waarin zowel de kerk als de doodgraver een belangrijke rol speelden. Veel zerken zijn voorzien van de letter K, hetgeen betekent dat een dergelijk graf eigendom was van de kerk en men daarin tegen betaling kon worden begraven.
De vloer was in de 14de eeuw bedekt met rode bakken (gebakken vloertegels) en blauwe plavuizen (natuurstenen tegels), zerken van rode zandsteen, geelwitte stenen, blauwe leien (Doornikse steen) en ‘renelse stenen’. Doornikse steen is donker grijsblauw en sterk gelaagd. Soms zijn er witte aderen. Het is waarschijnlijk dat deze steensoort voornamelijk gebruikt is in de 14de en 15de eeuw. De steen van Cornelis Schellinger op Binnenlandvaarderskapel 31-32 uit 1625 kan een opnieuw gebruikt ouder exemplaar zijn. Naamse steen is even donker van kleur als Doornikse steen, niet schilferig en bevat geen fossielen. Er zijn leveranties bekend uit de 16de eeuw en de 17de eeuw. Escosijnse steen komt uit de omgeving van Ecaussinnes in Henegouwen, is lichter van kleur dan Naamse steen en bevat fossielen. Hardsteen is vrij doods van kleur, scheurt vrij gemakkelijk en bevat fossielen. Witte arduin, afkomstig uit de Belgische provincies Brabant (Gobertanger steen) en Oost-Vlaanderen (Ledesteen). Gobertanger steen is eigenlijk een verzamelnaam voor alle harde kalkzandsteensoorten uit de streken ten oosten en noorden van Brussel. Ledesteen kan meer bruin zijn, zoals ook in de basementen van de kolommen van schip en koor te zien is.
Marmer werd voornamelijk toegepast in de 17de, 18de en 19de eeuw. Een geheel marmeren zerk uit de 18de eeuw zonder opschrift ligt op Mariakapel 39-40. Buitenlandvaarderskoor 67 (Abraham Ter Borch) dateert uit 1748. In de Lysbeth Gavenkapel liggen op 47-48 admiraal Isaac Sweers en zijn echtgenote. De marmeren rechthoek is wellicht het werk van Rombout Verhulst, die ook het grafmonument maakte. De meeste stroken tussen de kolommen van het schip aan de noord- en de zuidzijde zijn voorzien van een bestrating van gele bakstenen. Enkele zerken hebben opgelegde bronzen platen, onder meer de stenen die de grafkelder van Paulus Witrz aan de westzijde van de noorderzijbeuk bedekken. Het graf van Gilles Schey in de Lysbeth Gavenkapel kreeg een bronzen naamplaat. Een zerk met zeer rijk uitgevoerde bronzen platen ligt in het Snijderskoor op graf 361-362. Hier ligt begraven Daniël Bernard, heer van Cattenbroek, schepen en raad van de stad Amsterdam en directeur van de Sociëteit van Suriname (1714). Twee echtgenotes gingen hem voor in 1674 en 1690. Vlak daarbij, op 365 is nog een zerk met bronzen plaat in zogenoemd Lutma-ornament.
Veranderingen in toewijzing en hergebruik
De oude maat van de zerken was 225 × 100 centimeter. Tussen 1555 en 1614 werden de zerken in de hele kerk verkleind tot 200 × 70 centimeter. Daarbij verdwenen van oudere zerken delen van de randschriften. Op de scheiding van de Hamburgerkapel met de zijbeuk liggen drie middeleeuwse zerken van het oorspronkelijke formaat. De graven in de noorderzijbeuk en het Snijderskoor nummeren per rij en de rijen lopen van noord naar zuid of west naar oost afhankelijk van locatie. Niet alleen altaarstenen werden later als grafzerk gebruikt, ook veel grafstenen werden later op andere graven hergebruikt en bleven tot heden bewaard. Zo ligt in de kooromgang bij kolom 17 op plaats 82 een zerk die ooit het graf dekte van de vroeg-16de-eeuwse burgemeester Andries Boelensz op nummer 40 in de Sint-Joriskapel.
Tijdens restauraties zijn er stukken zerk gevonden die afkomstig zijn uit oudere kerken, zoals de grafzerk uit het Kruisbroedersklooster met het wapen van de familie Van Gerwen uit 1504-1526. De vloer met de grafzerk bevindt zich direct onder de huidige vloer en werd vermoedelijk gelegd rond 1544. De zerk bedekte ooit het graf van Jan Dirksz. van Gerwen en Geertrui, en draagt nu sporen van geschiedenis die teruggaan tot de middeleeuwen. De huidige kerkvloer herbergt fragmente van deze en andere historische graftekens die getuigen van een lange traditie van begraven en hergebruik.
Begraven in kerken: veranderende gewoonten en wetten
Nederland is rijk aan historische begraafplaatsen; niet alleen aan kerkhoven rondom kerken, maar ook aan begraafplaatsen buiten de bebouwde kom. In de loop der tijd namen wijsheden en wetten de plek in van begrafenissen in kerken. In de eerste plaats vormen graftekens een bron voor vaderlandse en familiegeschiedenis, met genealogische, heraldieke en historische waarde. Ten tweede tonen begraafplaatsen vaak bijzondere vormgeving of materialen. Ten derde kan een begraafplaats ontworpen zijn door een bekende tuinarchitect, wat tuinhistorische waarde toevoegt. Ten vierde liggen begraafplaatsen vaak op markante locaties in dorpskernen, stadsuitbreidingen of open veld. Archeologisch onderzoek bevestigt de waarde van deze plekken voor ons begrip van verleden en cultuur.
Historisch gezien verdwenen kerkhofbezettingen in de 18e eeuw geleidelijk door hygiënische bezwaren. Privé-begraafplaatsen buiten de stad ontstonden eerst, gevolgd door gemeentelijke initiatieven in verschillende steden. Het ingaan van de Napoleontische tijd bracht verbod op begraven in kerken, en uiteindelijk werd het in het 19e eeuws beleid streng gereguleerd. De Begrafeniswet van 1869 vormde de eerste landelijke regeling voor begravingen, duur van grafrust en begraafplaatsinrichting. Het Franse Décret Imperial sur les Sépultures uit 1804 bepaalde dat elk graf apart begraven moest worden en het plaatsen van grafmonumenten mogelijk was. Vanaf 1829 werd het begraven in kerken verboden en stierven veel lokale tradiities af, hoewel variaties per provincie bleven bestaan totdat een landelijke aanpak werd versterkt.
In de tweede helft van de 19de eeuw ontstond meer aandacht voor individuele grafmonumenten en complexere grafkunst. Graftekens uit die periode tonen vaak gedetailleerde symboliek en gebruik van verschillende materialen. Veel monumenten van vóór 1900 zijn verdwenen, maar graftekens op particuliere graven blijven vaker bewaard. Op de kerkhoven en begraafplaatsen van Nederland zijn nog steeds talloze interessante graftekens te zien, die de geschiedenis van families en steden illustreren. Voor restauratie van beschermde monumenten is doorgaans een omgevingsvergunning vereist, terwijl normaal onderhoud niet altijd vergunningplichtig is. Voor gemeentelijke en provinciale monumenten kunt u contact opnemen met de gemeente.

2000 jaar Christendom - AFLEVERING 1 - Nederlands gesproken (geschiedenis van het Christendom)
Samenvattend weerspiegelen grafzerken in vloer en muren van kerken een lange geschiedenis van rouw, herinnering en kunst. Ze tonen hoe doden werden herdacht, hoe materialen en stijlen veranderden door de tijd heen, en hoe wetgeving en maatschappelijke verschuivingen uiteindelijk leidden tot hedendaagse praktijken rondom begraafplaatsen en monumentale zorgen.